Het thema van deze week roept vooral herinneringen op aan een bepaald lied uit de Duitse liedtraditie waarvan de tekst in ieder geval gedeeltelijk vertaald en bewerkt werd door Ahasverus van der Berg. Wie de Duitse dichter van het vers is, is wat minder duidelijk, waarschijnlijk Johann Andreas Cramer (1723-1788), de taal is een beetje ‘gezwollen’.

Maar als je het lied beschouwt, komt vertrouwde thematiek voorbij: aan de ene kant beelden uit de psalmen, van de bedevaartganger op weg naar Jeruzalem. Tegelijkertijd wordt die beelden vastgeknoopt aan het leven van de mensen dat z’n hoogte- en dieptepunten kent. Zo blijft het lied nog steeds vol boeiende thema’s die van alle tijden zijn.

Alle vier coupletten van ‘Op bergen en in dalen’:

Op bergen en in dalen en overal is God!
Waar wij ook immer dwalen, of zitten, daar is God;

waar mijn gedachten zweven, of stijgen, daar is God;

omlaag en hoog verheven, ja, overal is God!

 

Gij aardrijks woest gewemel, Gij, die in ’t water zweeft,
of onder zijnen hemel, of in zijn’ hemel leeft,

Gij alle zijne werken ontdekt bij dag en nacht,
in ’t voeden, hoeden, sterken, de goedheid zijner magt.

 

Zijn trouwe Vaderoogen zien alles van nabij;
wie steunt op zijn vermogen, dien dekt en zegent Hij:

Hij hoort de jonge raven, bekleedt met gras het dal;

heeft zelfs voor wormen gaven, ja, zorgt voor ’t gansch heelal.

 

Roem, Christen! Aan mijn slinke en rechter zijd’ is God;
waar ’k magtloos nederzinke, of bitter lijd’, is God:

waar trouwe vriendenhanden niet redden, daar is God;
in dood en doodsche banden, ja, overal is God!

Maandag – Ad Bogaard

Op bergen en in dalen,
Ja, overal is God!
Zo zat de tekst in mijn hoofd. Maar dit blijken de eerste en laatste regel van het eerste couplet te zijn van lied 143 uit de zgn. Hervormde bundel 1938. Althans, ik denk dat ik het lied zo ken, uit mijn jeugd, van huis uit Nederlands Hervormd. Het heeft later het Liedboek voor de Kerken niet gehaald en het is ook in het huidige Liedboek niet terug te vinden.
Strekking van het lied is dat er geen situatie is in ons leven, waarbij God niet op een bepaalde manier aanwezig is. Ook in de diepste dalen van ons leven is God bij ons (vgl. Psalm 23 ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis’). Opmerkelijk eigenlijk dat we juist dalen associëren met ellende. Ook in ons taalgebruik: hij ging door een diep dal. Ik bedoel, ik begrijp het als beeld wel, dat er soms iets gebeurt in je leven waardoor je voor je gevoel omlaag gaat en je er weer uit moet zien te klimmen, maar in de ‘echte’ bergen is het dal nu juist de plek waar het enigszins bewoonbaar is. Hoe hoger je in de bergen komt, hoe onherbergzamer. In die zin is toch eerder de bergtop de plek van Godverlatenheid dan het dal. Je voelt je er als mens heel nietig. En je voelt er de onverschilligheid van de natuur, sterker dan in het dal. Hier ben je overgeleverd aan de elementen. En tegelijk is de berg van oudsher de plek van de Godsontmoeting. Misschien daarom? Teruggeworpen op jezelf, je bewust van je kwetsbaarheid en je nietigheid, ontstaat er ruimte voor God?