Donderdag, 6 augustus – Elsje Pot

Op bergen en in dalen, ja, overal is God. Het lied, dat begint met de 9 woorden, die u zojuist gelezen heeft, leerde ik in mijn kindertijd in de eerste of tweede klas van de lagere school.

Nu ik het doorlees, moet ik denken aan Psalm 139:

Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee,

ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden.

Beide liederen verhalen van een God die er is, overal, waar je ook bent. Dat heeft voor mij niets beangstigends, ik ben niet opgegroeid met een strenge, straffende God, die alles en vooral de misstappen ziet. Ik kreeg een liefdevolle God mee, de goede herder. Voor mij is God, die er altijd en overal is, troostrijk. Het helpt dat Zijn ‘er zijn’ niet afhangt van waar ik me bevind. Dat laatste, die plek waar ik ben, dat kun je ook ‘geestelijk’ verstaan. Daarmee bedoel ik: het ‘er zijn’ van God hangt niet af van mijn geloof, ook als ik twijfel, mag ik erop vertrouwen dat Hij er is: op bergen en in de dalen van het leven.

Op bergen en in dalen, ja overal is God!

Waar wij ook immer dwalen, of zitten, daar is God;

waar mijn gedachten zweven, of stijgen, daar is God;

omlaag en hoog verheven, ja, overal is God!