Zondag – Joost Röselaers

Mensen zijn vaak op zoek naar wie ze zijn en wie ze zouden willen zijn. Het is een zoektocht die mooi kan zijn, maar ook een gevoel van onmacht kan geven, wanneer het niet lukt. Het kan je ook opslokken en heel vermoeiend en onrustig maken: want wie zal je zeggen wanneer je jezelf gevonden hebt.

Natuurlijk helpt het soms om een voorbeeld te hebben maar Jezus helpt ons daarvan af. Geen heldenfiguren voor hem. Neem de gelijkenis van de Farizeeër en de Tollenaar. De Farizeeër, die zichzelf een held vindt. Jezus toont ons in dit verhaal dat het niet allereerst om de moraal gaat, waarnaar een mens moet streven, maar om de mens zelf. Zo eenvoudig is het. Het begint met de aanvaarding van jezelf, mens te zijn zoals je bent, omdat we van alzo hoge aanvaard zijn, zoals we zijn. En ja, de tollenaar heeft dat het beste begrepen: hij ging op naar de tempel om te bidden en zei: Hier ben ik, U moet het met mij maar doen zoals ik ben, geen fraai exemplaar van de soort mens. En de Eeuwige zegt: Kom maar hier mijn kind, mijn keuze is al gemaakt, je bent er een van mij. En deze daalde gerechtvaardigd af naar zijn huis. Of hij werkelijk veranderd is weten we niet, hij heeft in ieder geval zich zelf gevonden.

Vlak voor zijn einde sprak rabbi Sussja:
In de komende wereld zal men mij niet vragen, waarom ben je niet Mozes of Abraham geweest. Zij zullen vragen,
waarom ben je niet Sussja geweest.