Yolanda Voorhaar

Terwijl ik dit schrijf zitten we midden in de zomer. Maar niet iedereen is blij met de extreme warmte die we meemaken. Kamers waar het niet meer te harden is, plakkerige nachten die je uit je slaap houden. Te warm om te wandelen.
Om nog maar te zwijgen van de natuur: ik reed langs een bosrand (dat is niet zo moeilijk te vinden in deze omgeving) en veel bomen kleuren al bruin door de droogte en laten hun blad vallen. Wat dat betreft lijkt het al wel herfst.

Een vreemde zomer, met daarbovenop nog de dreiging van corona. Hoeveel vrijheid kan weer? Of nemen we al te veel vrijheid? Een zomer vol zorgen.
En dan nog de ellende die we zien: de explosie in Beiroet, de wrede onderdrukking in Wit-Rusland.

Bij mij althans wil het gevoel van een zomer van genieten nog niet echt komen.

Toch is in de Bijbel de zomer ook de tijd van de bloei, van voleinding. Lied 747 * verwoordt dat mooi. Naar zo’n zomer kan ik met hart en ziel verlangen. Een zomer waarin alles opbloeit, tot zijn recht komt, de zomer als beeld van het Koninkrijk, dat komt.
Als je het lied verder leest, dan buitelen de beelden uit het boek Openbaring over elkaar heen. En na de woorden over die vreemde zorgelijke zomer komt vooral couplet 4 binnen. Als het over die grote zomer gaat. Het verlangen naar die zomer kan ons, te midden van alle ellende van onze tijd bemoedigen en troosten.

Vanwege de auteursrechten een link waarin u het lied kunt beluisteren:    https://youtu.be/80-lQl14ojY