Joost Röselaers

Wie zingt, bidt dubbel’ heeft de oude kerkvader Augustinus gezegd. Het doet iets met je. Misschien heeft dat ermee te maken, dat je stem je zo eigen is. Niemand anders heeft er één zoals jij. Hem laten klinken, is in contact komen met je ziel. En daardoor, denk ik, ook met God. Al zingende kun je opgaan in God, en dan ook weer worden in God. Er is een gedicht van Willem Barnard, waarin deze ervaring wordt verwoord.

Zingen, dat doe je niet uit volle borst, –
je zingt inademend, omdat je leeg bent,
tegen de eenzaamheid in zing je, tegen
het ‘nee’, je zingt zoals je drinkt, tegen de dorst.

 

Het lied is daar, wanneer ik nergens ben,
komt naar me toe, als een gezant van verre,

het neemt me op in het gezang van de sterren,

het spreekt een taal die ik van-zelf niet ken.

 

Het telt niet mee, het geldt als nutteloos,
zijn waarde past niet in de aard der dingen, –
maar het wordt nieuw van gloed als wij het zingen,

al kwam het ook uit een oeroude doos.

 

Het geeft bevrijding uit mijn smalle ik.

Uit een cocon ontpopt, opnieuw geboren,

zal ik tot de gevleugelden behoren,

Er groeit een hallelujah uit een snik.

 

De toonladder van Jakob daalde neer
waar ik verdwaalde. Hoor, sublieme schreden

gaan op en af waar ik lig beneden
staat, mij vertroostende, naast mij de Heer.