Arjen Hiemstra

Kerkgebouwen zijn speciaal. Of je nu Protestant, Rooms-Katholieke of van wat voor kerkgenootschap ook afkomstig bent (en misschien zelfs wel als je niet tot een kerkgenootschap hoort), je kijkt met bijzondere ogen naar een kerkgebouw.

Natuurlijk, er zijn verschillen. Dat merkte ik nog eens toen Roemeens-orthodoxe Parochie van Arnhem gebruik ging maken van de Protestantse Kerk in Westervoort: toen ik het bestuur rondleidde in de kerk en wij bij het koorgedeelte en liturgische centrum kwam vroeg één van de bestuursleden zich af of zij dat wel mocht betreden. De Roemeense priester kon haar al snel geruststellen: het was een protestants kerkgebouw, dan is het liturgisch centrum niet heilig en mogen er ook leken komen.

Volgens de Protestantse theologie is het kerkgebouw niet heilig. Sommige Protestantse kerkgebouwen wekken ook niet de indruk dat ze heilig zijn: ooit leidde ik een dienst in een sportzaal (en de kantine was de consistorie). En sommige kerkgebouwen worden ook voor totaal andere activiteiten gebruikt: in een andere kerk werd de kerkzaal in de avonden gebruikt als feestzaal voor bruiloften en partijen.

Toch is ook voor Protestanten de kerkzaal speciaal. Dat merk je wel als je een kerkgebouw sluit: dat is pijnlijk. Waar het in zit, dat een kerkgebouw speciaal is? Ik denk in dat het vooral zit in het doel van die plek: dat het een plek is waar ontmoeting plaatsvindt tussen mensen en de Eeuwige. Een ontmoeting in de stilte, in de liederen en woorden die er klinken. In de overgangsmomenten die er plaatsvinden in het leven van de mensen (doop, verbintenis en afscheid).

Ik hoop maar dat zulke plekken blijven bestaan. Het zijn weldadige plekken, ik denk ook voor iedereen.