door Pierre Eijgenraam

In mijn boekenkast staat nog het boekje ‘Fabels van Friedman’ geschreven voor rabbijn Edwin Friedman (1932-1996). Behalve rabbijn was hij ook gezinstherapeut en organisatieadviseur. De meest beroemde van deze fabels heet ‘De brug’.

Het gaat over een man die na lang nadenken zijn doel in het leven had gevonden. Onderweg om zijn doel te verwezenlijken passeerde hij een hoge brug over snel stromend water.

Precies midden op de brug kwam hij een andere man tegen, die een touw om zijn middel had geknoopt. ‘Kunt u dit touw even goed vasthouden?’ vroeg de man aan zijn tegenligger. Verbaasd pakte de ander het touw aan.

Maar zodra hij het touw in zijn handen had, sprong de ander over de rand van de brug. ‘Help me!’, riep hij. ‘Anders ben ik er geweest!’. Instinctief zette de eerste zich schrap: hij kon hem net houden. Maar omhoog hijsen lukte niet en er was nergens was een paal of uitsteeksel te bekennen, waar hij het touw zolang aan vast zou kunnen binden. ‘Je mag me niet loslaten!’ riep de man aan het touw, ‘dat zou me mijn leven kosten’. ‘Maar je bent zelf gesprongen’ zei de eerste, waarom doe je mij dit aan?’ ‘Ik doe je niks aan, maar jij bent de enige die mij kunt redden’, zei de ander weer. Wanhopig keek de eerste man om zich heen. Ze waren volstrekt alleen. De man loslaten wilde hij niet, maar blijven staan betekende dat hij zijn droom zou moeten opgeven en dat zijn eigen leven mislukt zou zijn. Wat te doen?

U bent ongetwijfeld benieuwd hoe de fabel afloopt. Maar belangrijker zijn de vragen die hij oproept. Herkent u de situatie? Is het christenplicht om je eigen dromen op te geven om een ander te helpen? Ook als die ander jou daar eigenlijk toe dwingt?

 

PS de brief aan mijn oude leraar is inmiddels verstuurd. Met dank voor uw aanmoedigingen!