Door Monique Maan

Eén van de meest ontroerende teksten uit de liturgie vind ik de tekst die regelmatig als bemoediging klinkt aan het begin van een kerkdienst:

‘Onze hulp in de naam van de Heer ….. die niet loslaat het werk van zijn handen’.

Het werk van je handen – ik denk daarbij aan een kunstenaar die kijkt naar wat naar wat er uit zijn of haar handen is voortgekomen (‘en zag dat het goed was’).

Ook als het werk klaar is, blijft de band tussen schepper en geschapene bestaan. Wat je hart heeft, laat je niet los – en dat laat jij niet los. Zelfs als het een eigen leven laat leiden, blijft er de verbondenheid van het begin. Wat voor kunstenaars en hun werk geldt, geldt voor ouders/verzorgers en kinderen, en – zo zegt die zin uit de liturgie – geldt voor God en mensen.

De diepste en meest essentiële laag die ik in deze zin hoor doorklinken, is ‘we zijn nooit alleen’. Vaak ervaar ik dat ook zo, en op de momenten dat ik het niet of minder ervaar, helpt me het om het dan tegen mezelf te blijven zeggen. Als basis waar ik me niet vanaf wil laten brengen, als hoop die staande blijft tegen alles in en die zich voeden laat met verhalen uit de bijbel en in ontmoetingen met mensen. Hoop die ons uitnodigt om met vertrouwen in het leven te staan én om niet los te laten het werk van ónze handen, het werk ons toevertrouwd door de Eeuwige.