Een gedicht van Leo Vroman

 

Scheppinkje

Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen

tot een gebaartje op mijn hand
en gaf Jou alle kralen, donzen,

poesjesmiepsen en hommelganzen

en Jij weefde het verband…

 

Ik zou mijn vingers rond Je sluiten
en Jouw gekriebel zó beminnen
terwijl Je scheppend was daarbinnen

dat ik mijn vuist héél zacht van buiten

zou kussen;

 

en als ik op een teken
Jouw werk voorzichtig zou ontbloten

nimmermeer zijn uitgekeken
op mijn lege handpalm, grote God

en nooit meer spreken.