door Margriet Kok

Het dagboek ‘Het verstoorde leven’ van Etty Hillesum inspireert me.

Etty schrijft over haar innerlijke ontwikkeling in de tweede wereldoorlog. Zij verwoordt alles wat haar bezighoudt. Ook haar zoektocht naar waarheid, zin en God. Zo schrijft ze:

‘Er zit een soort oerliefde en oermedelijden in me voor de mensen, voor alle mensen. Ik heb de mensen zo verschrikkelijk lief, omdat ik in ieder mens een stuk van jou liefheb, mijn God. En ik zoek jou overal in de mensen en vind váák een stuk van jou, En ik probeer jou op te graven in de harten van anderen, mijn God. Maar nu heb ik veel geduld nodig en bezinning, het zal heel moeilijk zijn.’

‘Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden. Ik stel me voor, dat er mensen zijn, die bidden met hun ogen naar de hemel geheven. Die zoeken God buiten zich. Er zijn ook mensen, die het hoofd diep buigen en in de handen verbergen; ik denk, dat die God binnen in zich zoeken.’

Misschien is het wel zo dat op het moment dat de godzoekende Etty niet meer zocht, zij God vond. En op het moment dat zoeken vinden wordt, kan ze ongeremd, in alle vrijheid, in een verbondenheid met God en de mensen handelen. Deze woorden van van Etty geven het treffend weer:

‘Gij kunt zelf ook niets, mijn God. Het is aan ons om u handen en voeten te geven en daarnaar te handelen.’