Elsje Pot

Vanaf mijn 12e moest ik een bril dragen. Regelmatig nam mijn moeder me mee naar de oogarts, die constateerde dan dat ik sterkere glazen nodig had. Ik kan me nog goed herinneren dat ik, als ik met die nieuwe glazen door mij bekende straten kwam, verbaasd was over bloesem aan bomen, waar ik nog geen uur eerder alleen maar blad gezien had. Blijkbaar heb je zelf lang niet altijd door dat je zicht beperkt is.

Ik denk dat dit niet alleen geldt voor ons letterlijke zien, maar ook voor het zicht dat we hebben op problemen, situaties en discussies, waarmee we in aanraking komen. En misschien geldt dat ook wel voor onze kijk op de kerk. Het is, denk ik, vaak heel lastig om de bril waarmee we doorgaans kijken af te zetten en het ook eens met een andere bril te proberen.

Welke bril heb ik op als ik naar de kerk kijk? Ik beken het maar eerlijk, dat is best een kritische. Maar de bril waarmee ik naar geloof kijk, is een heel andere. Dat is er één van hoop en verlangen. En dan de bril waarmee ik naar de mensen kijk, die samen de geloofsgemeenschap vormen, dat is misschien wel een combinatie van die twee eerdergenoemde brillen.

Het is een aardige oefening om je af te vragen door welke bril je kijkt. En als je er niet uitkomt, kun je troost zoeken bij de woorden uit 1 Korinthe 13: Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.