Zondag 22 november was in veel van onze kerken de dag waarop de overledenen van het afgelopen jaar zijn herdacht, de laatste zondag de van het kerkelijk jaar.

Op de zondag daarna begint de Adventstijd, en dus begint daarmee dan ook het nieuwe kerkelijk (of misschien beter: liturgisch) jaar. Strikt genomen is dat begin eigenlijk al op de zaterdagavond. In de joodse traditie de nieuwe dag op het moment waarop de zon is ondergegaan. De sabbat begint dus al op vrijdagavond. In de katholieke traditie heeft men dat overgenomen en begint de zondagsviering met de vespers van de avond daarvoor, dus 28 november, 16.33 uur: Advent! 

In dit bericht aan de thuisblijvers wordt het niemandsland tussen ‘de laatste zondag’ en het begin van de Advent alvast wat opgevuld met onze bespiegelingen over deze altijd mooie en hoopvolle periode van het jaar.

 

door Hubertien Oostdijk over ‘Advent’

Buiten wordt het steeds vroeger donker en steeds later licht. Tijd om ons huis licht, gezellig te maken, zeker nu ons toch aangeraden wordt om zoveel mogelijk binnen/thuis te blijven.

De tijd van Advent nadert, de tijd waarin we toeleven naar kerst, de komst van Jezus, de geboorte van Jezus in Bethlehem.

Het Latijnse woord Adventus betekent komst. Maar het is niet alleen het toeleven naar kerst, dat zou ook wat karig zijn want Jezus is immers al lang geleden geboren en wordt niet elk jaar opnieuw geboren. Advent is ook toeleven naar de wederkomst van Jezus. De tijd waarin alles nieuw zal worden, de tijd waarin vrede en gerechtigheid geen idealen zijn maar werkelijkheid geworden.

In de kerk steken we iedere zondag een kaarsje extra aan om zo toe te leven naar kerst, naar de wederkomst.

Advent komt in de bijbel niet voor, maar was al vanaf de 4e eeuw in de Oosterse kerk bekend en is zo in de Westerse kerk terechtgekomen, al duurde het nog wel tot in de 19e eeuw voordat het ook in de protestantse kerk een plek kreeg.

Ons liedboek kent vele prachtige Adventsliederen, als u een liedboek heeft zou u de rubriek Advent eens kunnen doorbladeren, van lied 432 tot en met 466.

Een mooi lied is 461 ‘Wij wachten op de koning’.