door Elsje Pot

Eén van de vrouwen die een naam krijgt in de bijbel is Elisabeth, zij wordt maar liefst acht keer genoemd, alleen in het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes. Zij wordt geïntroduceerd als de vrouw van Zacharias maar gaandeweg de vertelling krijgt zij een meer zelfstandige rol, die uitmondt in het roepen van de naam van haar pasgeboren kind: Johannes.

Als Maria haar zwangerschap krijgt aangezegd wordt naar Elisabeth verwezen, die dan al zes maanden zwanger is.

Mooi is de ontmoeting tussen deze twee zwangere vrouwen. Elisabeth voelt het kind opspringen in haar schoot als Maria haar begroet. En dat doet Elisabeth profetisch spreken: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ Daarmee is Elisabeth de eerste (afgezien van Maria) aan wie, nog voor de geboorte van Jezus, geopenbaard is wiens geboorte aanstaande is.

Ds H.A. Visser schrijft in ‘Lucas zegt er het zijne van’ dat Maria in haar geloof geholpen worden door Elisabeth. Dat gebeurt als Maria zich afvraagt hoe dat kan, zwanger zijn, en het gebeurt als Elisabeth Maria begroet, die begroeting doet Maria uitbreken in haar loflied, waarin zij zingt dat alles omgekeerd zal worden en zij als minste dienares gezien wordt door God.