Monique Maan

Ik las jaren geleden een boek van Hannemieke Stamperius, met de titel ‘Moeders Kindje’.

Stamperius is bij velen wellicht beter bekend als Hannes Meinkema. Onder dat pseudoniem heeft ze veel verhalenbundels en romans geschreven. Maar ‘Moeders Kindje’ schreef ze onder haar eigen naam, omdat het een boek is over haar eigen, grote verlangen om moeder te worden en haar weg naar het moederschap.

Ze ontmoet op die weg nogal wat weerstand: Waarom wil je als alleenstaande vrouw zo graag een kind? Hebben ouders die met z’n tweeën zijn niet veel meer recht op een (adoptie)kind dan jij? Je hebt toch een mooie carrière, waarom wil je dit dan ook nog? Enz. enz. Het zijn confrontaties die haar het gevoel geven dat ze volgens sommigen geen recht heeft op een kind en dus maar moet stoppen om er zo naar te verlangen.

En dan schrijft ze in haar boek: ‘De gedachte dat je niet kunt verlangen naar wat je niet kent, ontkent het wezen van het verlangen zelf.’ Je hebt als mens geen recht op een kind, maar je hebt wel recht op het verlángen naar een kind. En dat recht mag niemand je afnemen.

Het is een zin die me altijd is bijgebleven is. Je kunt als mens inderdaad zo verlangen naar wat je niet hebt en niet kent (een kind, of een partner, of een leven zonder ziekte of beperking). Dat niet kennen, en dus in feitelijke zin niet weten wat je mist, maakt dat verlangen niet kleiner.

En elk verlangen heeft recht van bestaan.