Johannes Kon

Als gereformeerd jongetje, gedoopt in de Westerkerk te Arnhem, moest ik mij vanaf 1955 onderdompelen in de 90% rooms-katholieke wereld van Steenbergen (West Brabant). Daar was ‘vasten’ vanaf Asselewoensdag verplicht: d.w.z. als kind geen snoep en koekjes eten (dat ging in het befaamde ‘trommeltje’); als (jong) volwassene het intieme lichamelijke contact vermijden -dat lukte zeker mijn toenmalige omgeving niet altijd, gezien het aantal bevallingen 9 maanden na dato. Part nog deel!

Carnaval ging vooraf aan vasten.
Over het eerste woord is al heel veel geschreven : ‘carne vale’ (het vlees/het vleselijke) -tijdelijk ‘vaarwel’ zeggen of ‘carris navalis’ (Romeinse tijd: bij feesten het schip op een kar verbeelden – later veelal als ‘Blauwe Schuit’ geschetst). Ik heb daarover mede nog eens een carnavalsviering mogen organiseren bij mijn Basisgroep Baarn Soest.

Als calvinist pur sang (koopman en dominee) ging ik als 16-jarige met mijn Agfa Clack foto’s nemen van het carnavalsgedruis in de café’s in Steenbergen om die de volgende avond aldaar weer te verkopen. Big business.

En het vasten: voor het eerst echt gepraktiseerd tijdens die vreselijke Vietnamoorlog (1956-1975): tijdens de kerstdagen niets eten – behalve wellicht wat boerenkool; nog steeds en meer m.i. een heel christelijk uitgangspunt van (over)leven.

In mijn ‘geweldloze’ periode -vanaf 1973 wat meer georiënteerd geraakt op Mahatma Gandhi- werd vasten heel anders omgaan met natuurlijke producten dan gebruikelijk’. En dat blijft hopelijk zo !