Arjen Hiemstra

De eerste keer dat ik met vasten te maken kreeg was toen ik een weekend verbleef met mijn medescholieren in een Cisterciënzerklooster in Tegelen. Vanuit het hoge noorden waren we met onze godsdienstleraar op de middelbare school naar het klooster gegaan om kennis te maken met het leven van de monniken. En ik moet zeggen: het is me alleszins meegevallen.

Toen we aan het warme middagmaal zaten, verontschuldigde de gastenbroeder zich voor de eenvoudige maaltijd. Maar ja, het was vastentijd, dan aten de broeders altijd heel eenvoudig, en die soberheid gold dan ook voor de gasten.
Ik zag een grote gedekte tafel met wit tafellaken en gesteven servetten. Ik zag grote schalen met zuurkoolstamppot, zelf ingemaakte augurkjes en zilveruitjes, ja en vegetarische worsten. En toen ik even later in de stilte van de gastenrefter mijn eerste hap nam proefde ik heerlijke gestampte aardappels met zuurkool. Op hetzelfde moment reed de gastenbroeder een karretje met drankjes naar binnen. ‘Wat we maar wilden drinken bij het eten, een biertje of toch iets fris of misschien een glas wijn?’

Soberheid hoort bij Cisterciënzer monniken. Soberheid hoort bij de vastentijd. Maar soberheid betekent niet dat niks meer mag. Het betekent vooral dat je met zorg en aandacht omgaat met je leven. Dat je aandachtig bent in wat je eet en in wat je niet eet. Eens iets weglaat, vlees, alcohol of autorijden. En dat je dat wát

je eet dat met aandacht tot je neemt. In stilte bijvoorbeeld. Dat je goed proeft wat je eet. Dat je beseft dat je het allemaal maar ontvangt. En dat je beseft met wie je samen bent om te eten.
Daarom houd ik ook zo van Cisterciënzer monniken.