Deze week beginnen de ‘Berichten voor thuisblijvers’ aan een kleine serie thema’s rond de zeven ‘Werken van Barmhartigheid’. Sommige schrijvers van de bijdragen moesten een lichte tegenzin overwinnen, voordat ze aan het schrijven toekwamen: de ‘Werken van Barmhartigheid’ zijn in hun jeugd misschien ook wel heel moralistisch gebruikt. Zo van: je móet wel barmhartig zijn. En aan het eind van de middeleeuwen wordt die plicht wel heel dwingend: door het doen van werken van barmhartigheid zul je na je leven beloond worden.
De werken geven een soort van vroege catechismus van hoe je in de wereld kunt staan. Zes van de zeven werken worden door Jezus genoemd in zijn rede over de eindtijd (Matteüs 25, 34-46), één werk (het begraven van de doden) is ooit door de kerkvader Lactantius toegevoegd.
Toen in de loop van de middeleeuwen een leven in Jezus voetspoor niet alleen voor religieuze professionals (priesters, bisschoppen en monniken) ook voor leken bereikbaar werd, waren de ‘Werken van Barmhartigheid’ een soort eerste instructie aan de leken, hoe je kon leven in lijn met Gods geboden. Die instructie werd hen niet alleen in preken en betogen voorgehouden, maar ook door allerlei schilderijen en fresco’s in kerken ingeprent.

Deze weken volgen wij niet de volgorde van de ‘Werken van Barmhartigheid’ zoals ze uit Matteüs 25 zijn af te leiden, maar de thema’s zoals ze deze weken aan de orde komen vanuit ‘Kerk in Actie’. We beginnen deze week met het thema ‘De zieken bezoeken’.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie.

 

Maandag 22 februari 2021 – Elsje Pot

Vaak voel ik schroom om bij een zieke op bezoek te gaan, zeker bij ernstig zieken of stervenden, die omringd worden door familieleden. Altijd vraag ik me af: wil de zieke (en de familie) eigenlijk wel dat ik kom? Ik stel me dan voor dat ik zelf ziek zou zijn en wie ik dan aan mijn bed zou willen zien. Ik heb niet de indruk dat een dominee in dat rijtje voorkomt.

Slechts één keer liet een zieke mij door zijn lichaamstaal weten dat hij mij niet wilde zien. Aanvankelijk spraken hij en zijn vrouw met mij aan de eettafel. Toen hij zieker werd, kwam er een bed in de kamer. Als ik de kamer binnenkwam, ging hij demonstratief met zijn gezicht naar de muur liggen. Dit tot grote frustratie van zijn echtgenote.

Ondanks zijn afwijzing bleef ik komen. Ik snapte hem wel: hij wilde niet weten dat hij stervende was, dat had hij de arts laten weten. Er mocht niet over gesproken worden. Zijn keus om er het zwijgen toe te doen, hield zijn vrouw en kinderen in gijzeling. En dan kwam die eigenwijze dominee en die probeerde hem dan toch aan de praat te krijgen.

Op een keer riep de familie mij halsoverkop naar het ziekenhuis, het ging heel slecht. Toen bleek ook het onmogelijke van die ‘afspraak’. Zijn vrouw doorbrak het zwijgen liefdevol: “Ik hoor de engeltjes al voor je zingen”.