Jos Hordijk

Eigenlijk vind ik ze een beetje eng, de werken van barmhartigheid, vanuit regels voorgeschreven door de R.K. kerk.  Ze doen me denken aan vroeger toen ik het gevoel had dat ik van alles moest. Onze kerk, onze ouders , onze school , ze hadden misschien iets  andere regels, maar die waren ook niet mals.

Zo speelde ik op een zondag buiten en sprong achterop de fiets van mijn buurjongetje. Die trapte lekker weg, maar kinderfietsjes op maat, zitjes en stepjes bestonden toen nog niet. Wel houten klossen om bij de trappers te kunnen. En zo achterop die slingerende fiets kwam ik met mijn voet tussen de spaken. Ik sprong van de fiets af en viel op de grond. Het bloed stroomde langs mijn been. ‘Kom ik breng je naar huis’ zei de buurjongen, maar daar kon geen sprake van zijn. Ik kon die jongen niet uitleggen waarom niet, maar het was immers zondag en op zondag op een fiets, voor of achterop, het was allebei zondig.

Jaren later bespraken we op mijn hbo theologie ook het onderwerp zonde. Ik bracht in dat ik had begrepen dat zonde een gemist doel was, waarop twee studiegenoten furieus reageerden. Wat ik me wel niet verbeeldde? Ik verbeeldde me niets, maar ik ga niet meer gebukt onder mijn zonden zoals vroeger.  Maar wat moet ik nu met de naakten kleden? Ik neem me voor mijn winterjas aan te bieden als ik er één dezer dagen één tegen kom, zo goed?