Monique Maan

In Genesis 3 wordt ons verteld over de zogenaamde zondeval. Het verhaal eindigt met de mededeling dat Adam en Eva het paradijs moeten verlaten. Ze moeten de wijde wereld in om daar het leven aan te gaan. Maar voordat God hen wegstuurt uit de tuin, staat in vers 21: ‘God, de Heer, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.’ Ik vind dat een ontroerende zin. Het roept het beeld op van God als moeder die nog even de sjaal om je nek knoopt en je kraag omhoog zet voordat je de kou ingaat. Een menselijk en mooi beeld.

Maar er zit meer in. Adam en Eva hebben geprobeerd zich voor God te verstoppen – zoals mensen zich tot op de dag van vandaag kunnen verstoppen, in grote woorden waarmee ze zichzelf overschreeuwen, in pogingen om de aandacht van zichzelf naar anderen te verleggen. We hebben vaak zoveel manieren om het maar niet over onszelf en onze fouten te hoeven hebben…. Maar God prikt er, zegt Genesis 3, doorheen en ziet ons zoals we zijn, in al onze kwetsbaarheid, in al onze naaktheid. En Hij bekleedt ons vervolgens met zijn liefde, als een warme sjaal om je nek en de kraag omhoog tegen de kou.

De naakten kleden – natuurlijk kun je dit werk van barmhartigheid letterlijk interpreteren, geen mens mag naakt aan de grillen van de natuur zijn overgeleverd. Maar ik wil die figuurlijke betekenis toch ook graag in het oog houden: elkaar in navolging van de Eeuwige bekleden met barmhartigheid, liefde en trouw.