Kees van Keulen

Ik liep op een zaterdagmiddag door de Koningstraat, daar waar vroeger de bibliotheek was. Ik werd aangeschoten door een zwerver. Of ik iets voor hem over had om eten te kopen. Ik zei “Geld krijgt u niet, maar ik wil wel iets voor u kopen.” We liepen een snackbar binnen en ik bestelde een broodje kaas. “Of het ook ham mocht zijn.” Prima! Had ik hem natuurlijk eerst moeten vragen. Daarna vroeg hij of hij ook nog een broodje bal mocht, en vervolgens om iets te drinken erbij. Hij werd steeds opdringeriger. De andere mensen in de zaak gingen zich ermee bemoeien. “Moet je niet doen. Krijg je alleen maar geduvel van. Zulke mensen zijn niet te helpen.” Het werd bepaald vijandig. Ook de snackbarhouder was duidelijk ongelukkig met onze aanwezigheid. Achteraf gezien had ik natuurlijk alleen naar binnen moeten gaan. De zwerver bleef aandringen en wilde meer. Zelfs “Naar een chinees” viel. “Ophouden! Nog één keer en u krijgt helemaal niks!” Het kwam niet over. Hij ging door. Mijn reactie was duidelijk: “Dan maar helemaal niets” en liep de zaak uit.

’s Avonds hebben we thuis gekookte aardappelen, andijvie, een bal gehakt en warme griesmeelpudding toe gegeten.