Kees van Keulen

Ik kom uit een gezin met acht kinderen. Eén van ons is ongetrouwd gebleven en was fysiek het ‘zorgenkindje’. Ze heeft uit het leven gehaald wat er in zat, maar als eerste van de acht zou voor haar het einde komen.

En wat doe je dan met z’n zevenen, haar broers en zuster? Er werd een rooster gemaakt, zodat er iedere dag iemand langskwam, die regelde wat gedaan moest worden. Voor het overige had ze één broer aangewezen die de organisatie strak in de hand hield.

Na een poosje was dat niet meer toereikend en werd ze naar een hospice gebracht. Wekelijks gingen Lenie en ik daar naartoe. Toen was het op. We kregen de opdracht -zo ging het- de volgende dag met z’n zevenen te komen om afscheid te nemen. We zaten op de zolder van de hospice. De dokter kwam langs en vertelde dat hij haar na ons afscheid in diepe slaap zou brengen.

We gingen naar beneden en stonden op een rij in haar kamer. Voor het laatste met z’n achten bij elkaar. We hebben goed afscheid van haar genomen. Zoals haar opdracht was, in volgorde van leeftijd. ‘Doodgaan is niet eng’ zei ze nog. Ze had de overtuiging dat onze vader en moeder haar stonden op te wachten en in hun armen zouden sluiten. Wat zwaaide ze krachtig toen we weer naar de zolder gingen! Toen realiseerde ik me dat ze er met een kwartier niet meer zou zijn. Althans, zo voelde ik het.

Nu ik dit schrijf, voel ik het nog in mijn botten. Maar wat een goed gevoel geeft het, dit met z’n allen voor haar te hebben kunnen doen! We hebben haar in het graf van onze ouders begraven.