Pierre Eijgenraam

Mijn eerste gemeente was in het Drentse gevangenisdorp Veenhuizen. Tegenwoordig is het een toeristische attractie, maar in mijn tijd was het dorp nog verboden gebied voor buitenstaanders. ‘De enige plek waar misdaad werkelijk loont’ zei men, want bijna iedereen werkte er voor het ministerie van justitie. Onder dominees was het grapje dat het zaliger was in Veenhuizen te ‘staan’ dan er te moeten ‘zitten’. Dorp en gevangenis waren nauw met elkaar verweven. Dat gold ook voor de kerk. De dorps­kerk was tevens gevangeniskerk.

Op Hemelvaartsdag vroeg een justitiemedewerker of ik in de dienst zou willen bidden voor gedetineerde A. Het was zijn trouwdag, maar hij had geen verlof gekregen om naar huis te gaan. Naar de kerk mocht hij wel. Tijdens de dienst heb ik dhr. A. –al kende ik hem niet persoonlijk- gefeliciteerd en een mooi gebed voor hem uitgesproken. Ik merkte wel dat er op dat moment wat hilariteit ontstond in het rijtje gedetineerden. Pas achteraf hoorde ik wat er aan de hand was.

Vlak voor de dienst was dhr. A. naar het toilet gegaan, en van daaruit via de zijdeur naar buiten. Daar had, naast de kerk, zijn vrouw staan wachten met de auto. Na een gezellig dagje toeren leverde ze hem weer netjes af bij de gevangenispoort. Voor straf werd hij twee weken onder verzwaard regime gebracht, maar in het dorp vond men het een prachtige grap. Ook boeven hebben recht op barmhartigheid!