Elsje Pot

Gevangenen bezoeken, is ingewikkeld: je komt er niet zomaar in, in een gevangenis. Dat ondervond ik gedurende de jaren toen ik één of twee keer per jaar in de Koepelgevangenis preekte: van tevoren aanmelden, identificatie mee, spullen scannen en zelf door een poortje en dan alle deuren die eerst opengemaakt en daarna weer gesloten worden. Ontsnappen uit de gevangenis is niet eenvoudig, maar erin komen gaat ook niet vanzelf.

Ik weet nog dat ik dat best spannend vond: hoe zou dat gaan, dat preken in de gevangenis? Het is bepaald geen doorsnee gehoor, waar je mee te maken krijgt. Maar ik ontdekte, dat mijn toga bij een deel van de kerkgangers ontzag bewerkte: ik werd gegroet, kreeg een hand.

Het (s)preken voor een publiek dat van vrijheid beroofd is, vroeg om een andere doordenking van de Bijbeltekst dan wat ik gewend was, tenminste zo heb ik het ervaren. Als vanzelf werd mijn toon meer evangelisch. Hoogtepunt van de viering was (denk ik) niet de preek maar het gebedsmoment: de aanwezigen konden zelf gebedsintenties aandragen en een kaarsje aansteken, en van dat laatste maakte iedereen gebruik, sommigen vroegen beleefd om twee kaarsjes.

Na afloop dronken we koffie. De meeste mensen vonden dat zij daar niet terecht zaten, soms werd ik uitgedaagd en meestal werd ik bedankt.

Het had wel wat en het went. Als ik in gezelschap zei: “ik moet naar de gevangenis”, dan haastte mijn echtgenoot zich om eraan toe te voegen: “om te preken”.