Kees van Keulen

Psalm 151

  1. Heer, onze Heer, waar bent U?

Hoe moet ik in U geloven als ik U niet zie?

 

  1. Waar was U toen uw volk werd uitgemoord?

Hoorde U uw kinderen, toen ze in doodsnood tot U riepen?

 

  1. Kon U het aanzien of was U ver weg?

Huilde U, verdroeg U het of was U ergens anders?

 

  1. Kon U niet ingrijpen,

voorkomen dat uw volk werd vergast, tot as verbrand?

 

  1. Waar was U toen een moeder haar kind verloor,

het op de zoektocht naar een veilige haven niet tegen verdrinking kon beschermen?

 

  1. Zag U wat er gebeurde toen een kind aan een ziekte overleed,

zijn ouders hun kind voor altijd moesten missen?

 

  1. Ze zeggen dat U liefde bent,

ons altijd met uw zorg omringt.

 

  1. Er wordt gezongen: “Ga met God en Hij zal met je zijn”.

U zou alle dagen bij ons zijn.

 

  1. Hoe moet ik dat geloven?

Had uw volk U verlaten, zocht het geen omgang met U, of had U uw volk verlaten?

 

  1. Hoe kan ik op U vertrouwen?

Heb ik U verlaten, of hebt U mij verlaten?

 

  1. Ik heb ’s nachts tot U geroepen,

honderd keer gebeden dat ik mocht voelen dat U er bent, bij mij bent.

 

  1. Grote stilte omringde mij,

niets van een suizende koelte was daar.

 

  1. Heer, onze Heer, waar bent U?

Hoe moet ik op U vertrouwen als ik U niet zie?