Arjen Hiemstra

Bij ons thuis zeiden ze dat je het maar moest geloven. Dat God de aarde in zes dagen schiep, dat God van alle dieren op aarde er tenminste één paar de ark liet binnengaan, dat de toren van Babel echt gebouwd was en … Als Gereformeerde jongen wilde ik dat aanvankelijk best geloven. Toch knaagde er wat, want dat kon toch allemaal niet waar zijn?

Daarom was ik blij dat het allemaal onderzocht werd op de universiteit en dat er was ontdekt dat het in werkelijkheid toch vaak anders was gegaan. Maar dat het er in de Bijbel ook helemaal niet om ging dat de verhalen de geschiedenis beschreven. De Bijbelverhalen waren de weerslag van de ervaring die mensen met God hadden, ze brengen onder woorden waar de bijbelschrijvers in geloven. Maar die Bijbelverhalen mocht je met een historische blik best kritisch bekijken.

En dat heb ik ook veelvuldig gedaan: Bijbelteksten gelezen, verhalen ontleed en dikke commentaren ernaast gelegd. En gereconstrueerd en uitgelegd hoe het moet zijn geweest. En ik was opgelucht dat ik het niet allemaal blind hoefde te geloven. En mijn eerste preken bleven daar wel eens in steken: in een zoeken naar hoe het allemaal was gegaan.

Dat was toch wel een beetje kaal: al dat spitwerk. Na verloop van tijd realiseerde ik me dat de Bijbelschrijvers altijd bij een ervaring met God waren begonnen. Waar zat die godservaring? En was die godservaring ook nu nog invoelbaar voor mij? Kon dat ook een geloofservaring voor mij worden? En die zoektocht leverde mooie gezichtspunten. Ze gaat nog steeds door.