Jos Hordijk

Vroeger ging ik altijd met mijn vader naar de kerk. Als de preek begon pakte mijn vader mijn hand en hield hem vast. Samen zongen we psalmen en gezangen, mijn vader en ik. Ik vond er niet veel aan om iedere zondag weer naar de kerk te gaan.

Maandag was wasdag, als ik thuiskwam uit school hoorde ik mijn moeder vanuit de verte al galmen bij de waslijn. ‘Er komen stromen van zegen’. Ik schaamde me dood.

’s Zomers ging ik met de kinderen naar de camping. Op zondagavond waren daar zangdiensten, daar ging ik alleen naar toe. Wat een zegen om daar na een hele dag met de kinderen even bij te komen en te zingen.  ‘Ook in mij, ook in mij, stort uw liefde ook in mij’.

Toen het oude liedboek kwam woonde ik in Duiven, met een klein groepje oefenden wij iedere week nieuwe liederen om de gemeentezang te ondersteunen. Voor de presentatie van het nieuwe liedboek gingen we met de bus naar Monnikendam. Ik was zo blij met elke vernieuwing. Ik heb altijd bij een koor gezongen, van meisjeskoor Cantabile tot het Zijpkoor. Alle koren hadden een ander repertoire, ik groeide met dat repertoire mee.

Al een aantal jaren lees ik dat in het witte kerkje in Elden op zondagavonden Johannes de Heer liederen gezongen worden. Die heb ik ook nog allemaal in mijn hoofd en ik zing ze in de auto. Zal.. ik.. ook ?  Hoort de muziek van mijn moeder ook bij mij?