Ook deze week weer een thema rond een oud spreekwoord “Oud en der dagen zat”. En het staat in de formulering van de Statenvertaling aan het einde van het boek Job:  ‘En Job stierf, oud en der dagen zat’, zo besluit het boek Job (42:17). Maar Job had misschien ook wel alle reden om de dagen zat te zijn, zoveel had hij in zijn leven meegemaakt.

Ook over de aartsvaders wordt iets soortgelijks gezegd. Bij Abraham staat er (in de Statenvertaling) ‘Oud en des levens zat’, terwijl er over Izaäk gezegd wordt: ‘oud en zat van dagen’.

 

De samenstellers van de Berichten voor Thuisblijvers

 

Maandag 14 juni – Monique Maan

In mijn jeugd was er aan het eind van onze straat een bejaardentehuis (zo noemden we dat toen). Ik liep er regelmatig langs op weg naar school of naar een vriendinnetje, of als ik een boodschap voor mijn moeder ging doen.

In mijn beleving waren het stokoude mensen die daar woonden (al zal dat waarschijnlijk best meegevallen zijn). Ze zaten ieder achter hun eigen raam en de afstand van de stoep tot die ramen was hooguit 3 meter. Je kon elkaar dus goed zien, en mijn moeder had ooit gezegd: ‘Zwaai maar als je erlangs loopt, er is altijd wel iemand die dat fijn vindt’. En zo ging het ook: ik met één grote zwaai langs een tiental ramen en een tiental ramen waarachter een hand terugzwaaide.

Ik kan zo nog het troosteloze gevoel terughalen dat ik daar dan bij had. Je zal daar zitten, dacht ik, achter je raam, niks meer te doen. Met als enige afleiding een kind dat naar je zwaait. Voor mij de belichaming van ‘oud en der dagen zat’.

Ik hoop van harte dat mijn gevoel niet hun realiteit was. Dat er wel degelijk nog leuke en aangename dingen in het leven van de bewoners waren. Dat ze er nog eens lekker uit op gingen, dat er bezoek kwam, dat het gezellig was bij de koffie in de grote zaal. Want als oud worden alleen maar is ‘wachten tot je het moede hoofd kunt neerleggen’, zou ik daar toch wel heel verdrietig van worden.