Jos Hordijk

‘Ik denk niet dat ik Kees nog terugzie’, begint ze het gesprek. Ik kijk haar verrast aan en ben benieuwd hoe dit gesprek verder zal gaan. ‘Ze hebben ons zoveel wijsgemaakt vroeger, het kan toch niet dat wij elkaar nog terug vinden in de hemel?’

Ik zit op het puntje van mijn stoel, zo spannend dat een 98-jarige nog nadenkt over wat vroeger zo vanzelfsprekend voor haar was. Het zalig vaderhuis waar wij allen terug zullen zien die ons reeds zijn voorgegaan.

Een oudere kerkganger zei ooit tegen mij ‘ik weet niet wat hier na komt, maar ik zal er nooit spijt van hebben dat ik altijd zo geleefd en geloofd heb, ik heb er een mooi leven mee gehad’.

‘Waarom zou u er niet in geloven dat u Kees weer terugziet’ probeer ik nog, ‘dat is toch een mooi vooruitzicht. Er zijn mensen, die geloven dat ze na hun dood nog een hele reis maken of terugkomen zelfs en anderen geloven dat hun liefste hen groet als vlinder als vogeltje of te zien is als een sterretje’.

We wisselen gedachten uit, over vroeger en nu, waar wij op hopen en we erkennen dat we niets zeker weten, maar het is fijn om het vertrouwen uit te spreken dat het goed komt aan het eind van de tunnel. Dan horen we de voordeur. Haar dochter komt terug met de boodschappen en we drinken koffie en hebben het goed met elkaar.