Pierre Eijgenraam

Mijn instrument, de trombone, werd uitgevonden in de vijftiende eeuw, vermoedelijk in Neurenberg. Vergelijkbare instrumenten (trompetten, hoorns, bazuinen) bestonden weliswaar al eeuwenlang, maar hadden het nadeel dat je er maar een beperkt aantal tonen op kon spelen. Ze dienden vooral bij de jacht of in het leger. Het nieuwe van de trombone was de uitschuifbare buis. Daardoor werd het mogelijk er ook toonladders en melodieën op te spelen. Signaal-instrument werd muziekinstrument; de trombone werd populair in kerken en paleizen, in feestzalen en op straat.

Sinds mijn 12e levensjaar probeer ik trombone te spelen, al blijft mijn enthousiasme helaas groter dan mijn bekwaamheid. Groeiend zelfinzicht deed mij besluiten weer les te nemen. Zo ontdekte ik het belang van de ‘losse pols’.

Want: hoe schuif je snel genoeg? Een halve toonsafstand op de notenbalk kan een armlengte zijn op het instrument. In een plechtig gezang lukt dat nog wel, in een vlotte ritmische passage is het welhaast onmogelijk. Ik ontdekte dat je je snelheid aanmerkelijk kunt verhogen door een losse pols te gebruiken als hefboom op je armbeweging. Dat is uiteraard makkelijker gezegd dan gedaan, maar oefening baart kunst..

De moraal van dit verhaal: de losse pols, de soepele aanpak kan het verschil maken tussen slagveld en symfonie (=’samen¬klank’). En zie vooral ook 1 Korinthe 13: 1 ‘..had ik de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cymbaal’.