Kees van Keulen

Velen denken dat organisten alles uit de losse pols kunnen spelen, dat voor een dienst niet intensief geoefend hoeft te worden. Vroeger kwam het voor, dat de organist(e) bij het begin van een dienst ‘het orgelbriefje’ kreeg en maar moest zien wat zij of hij ervan bakte. ‘Dat kan je toch!’ werd wel gezegd. Respectloos! Je zegt toch ook niet tegen een de predikant(e) pas als zij/hij de trap van de preekstoel beklimt, over welke tekst zij/hij moet preken! Gelukkig is er veel ten goede gekeerd. Op de donderdagen voorafgaande aan de zondagse dienst is gewoonlijk de liturgie bekend.

Voor de solisten geldt iets dergelijks. Een enkeling is erin geoefend van blad te zingen, maar er zijn er maar weinig die dat kunnen. Kortom, voorbereiding!

Voor de cantorij hetzelfde laken en pak. De cantrix wil zich kunnen voorbereiden. Als de cantorij vervolgens twee repetities op haar bijdragen aan een dienst wil oefenen, kunt u uitrekenen hoe lang van tevoren bekend moet zijn welke bijdrage wordt verwacht.

Gelukkig werken we zowel voor de organisten als cantorij met een jaarrooster, en zitten we (predikant(e), cantrix, organist) vaak al een paar weken ervoor om de tafel om de dienst voor te bereiden.

Niks uit de losse pols! Een kerkdienst, de gemeente verdient beter en u wilt niet weten hoeveel voorbereiding daaraan vastzit. En voor het geval u het verschil niet hoort, misschien hebt u er begrip voor, dat de musicus zich in een dienst ook lekker en ontspannen wil kunnen voelen!