Elsje Pot

Tijdens mijn studie raakte ik onder de indruk van de feministische theologie. Dat leverde ook wel wat dilemma’s op, want de Hervormde Kerk zoals die toen nog heette, was nou niet bepaald een vrouwvriendelijk instituut: op veel plekken bleek men nog niet aan een vrouwelijke predikant toe te zijn, terwijl het wel mijn ambitie was om er één te worden.

Onder feministische geestverwanten werd er vaak schamper gedaan over het instituut kerk, dus toen ik mijn ambitie verwezenlijkt had, verzweeg ik op studiedagen en andere bijeenkomsten van de vrouwenbeweging meestal dat ik in dat vermaledijde instituut werkzaam was.

In de kerk daarentegen werden mijn feministische denkbeelden door sommigen weer met argwaan bekeken. En omdat mijn doen en laten als vrouw, werkzaam in een destijds nog mannenomgeving toch al onder een vergrootglas lag, waakte ik ervoor te veel olie op het vuur te gooien. Zo kon ik bij de liedkeuze op het taalgebruik letten, maar het “Onze Vader” bleef ik gewoon bidden.

Onder het gehoor bij een collega hoorde ik hem bidden: “Onze moeder, die in de hemelen zijt…”. Na afloop vroeg ik hem of hij commentaar had gehad op deze woorden. Hij keek mij verwonderd aan en kon zich niet voorstellen dat je daarop zou worden aangesproken. Ik heb daar nooit voor gekozen. Ik ben het gebed gaan aankondigen met de woorden: “Samen bidden we het gebed dat Jezus leerde…”.