Monique Maan

In het dorp waar ik opgegroeid ben, was één kleuterschool. En dus gingen alle kinderen – ongeacht hun kerkelijke of niet-kerkelijke achtergrond – naar die school.

De eerste juf die ik had, juf Anna, was zeer gelovig en ze liet niet na dat ook in haar werk te laten merken: het eerste liedje dat ze haar kleuters leerde, was ‘De Heer is mijn herder’. En de gelijkenissen over de verloren zoon en de barmhartige Samaritaan, en het verhaal over de vijf broden en twee vissen – juf Anna vertelde ze allemaal.

Achteraf denk ik: bijzonder dat zij zo volstrekt haar eigen gang ging en dat ze daar kennelijk ook de ruimte voor kreeg. En ik heb nooit gemerkt of gehoord dat het gedoe of spanning opleverde.

Na de kleuterschool volgde de lagere school en de kleutergroepen vielen totaal uiteen. Soms tot groot verdriet van kinderen want een vriendje bleek ineens ‘van de andere kerk te zijn’ en ging dus naar een andere school. Er was in het dorp namelijk een hele grote openbare school, een redelijke grote ‘School met de Bijbel’ (hier gingen de kinderen van hervormde (bonds) gezinnen, christelijke gereformeerde gezinnen en gereformeerde gemeente gezinnen naar toe) en een hele kleine ‘gewone christelijke school’ (hier gingen de synodaal gereformeerde kinderen naar toe). Drie scholen die totaal los van elkaar functioneerden. Net zoals de kerken los van elkaar functioneerden.

Verschillen wonnen het van overeenkomsten. Jammer toch.

Maar dankzij juf Anna ken ik het eerste couplet van ’De Heer is mijn herder’ nog steeds uit mijn hoofd.