Vanaf de zijlijn

,

Elsje Pot

In het woordenboek las ik dat één van de betekenissen van ambitie is: ‘streven naar en lust tot goede of betere vervulling van een ambt, …’. Daar herken ik mezelf wel in. Het is de houding waarmee ik begon en nog steeds probeer te werken als predikant.

Toen de kinderen jong waren en tijdelijk ook een neefje deel uitmaakte van ons gezin beperkte mijn ambitie zich tot overeind blijven in mijn werk en gezin. Bijna twintig jaar later toen mijn ouders en schoonmoeder hulpbehoevend waren, verdeelde ik mijn aandacht vooral over werk, mantelzorg en de huishouding.

Ik ben twee keer tijdens periodes van drie maanden aaneengesloten studieverlof van plan geweest om te werken aan een proefschrift. Dat is er niet van gekomen, ik denk dat ik daar uiteindelijk de ambitie in de betekenis van ‘begeerte om iets te verwerven’ voor miste. Dat het daar niet van gekomen is, is ook de reden dat ik voor mezelf niet meteen de kwalificatie ambitieus zou willen opeisen.

Nu ik in het woordenboek lees, dat ‘ijver, lust om te werken’ en als vierde betekenis ‘animo’ ook tot de betekenissen van ambitieus behoren, moet ik mijn mening over de mate waarin ik ambitieus ben, bijstellen. En zo blijkt maar weer: een mens is nooit te oud om te leren. Daarin ben ik tot op zekere hoogte dan weer wel ambitieus.