Pierre Eijgenraam

Doorgaans beschouw ik mijzelf als een vriendelijk mens, die het goed meent met anderen. Ik word wel eens boos, maar meestal niet lang. Na enig nadenken kom ik tot bezinning en doe mijn best om de vrede te herstellen.
Zouden anderen dat ook van mij vinden? Ik vrees wel eens van niet. Ik reageer soms te snel en te fel op een email die mij niet bevalt. En ik zet eerder mijn hakken in het zand dan vroeger. ‘Wie ouder wordt, wordt milder’, zegt men. Maar misschien is het wel omgekeerd en ben ik bezig een knorrige oude man te worden…

Is dat erg? Niet perse. Van jongs af heb ik geleerd conflicten zoveel mogelijk te vermijden –zoals wel vaker voorkomt in christelijke gezinnen. Ik vond het misschien wel daarom ook lastig om mijn eigen mening te bepalen. Bij onenigheid ben ik eerder geneigd om ieder zoveel mogelijk zijn zin en zijn gelijk te geven dan duidelijk positie te kiezen.

Inmiddels heb ik wat beter geleerd waar ik voor sta en waarvoor niet. En ben ik misschien ook wat minder flexibel geworden. Eigenlijk voelt dat best wel lekker! Wat me nog ontbreekt is: bij mijn mening blijven zonder boos te worden. Of even rustig nadenken voordat ik reageer. Of me afvragen: waarom doet die ander (in mijn ogen) zo onredelijk?

Ouder èn wijzer worden, het is een mooi streven….

Monique Maan

Bij het thema ‘mildheid’ denk ik aan een gesprek dat ik jaren geleden met een collega had. Ze vertelde me dat ze af en toe ook werkte als mediator. Ze had daarvoor de benodigde papieren gehaald en werd soms ingeschakeld bij onderhandelingen rondom (v)echtscheidingen. Het kan er dan hard aan toe gaan. Partners die ooit in liefde voor elkaar gekozen hebben, staan nu recht tegenover elkaar. Niet zelden staan de kinderen er tussen in, en worden heen en weer getrokken.

Mijn collega vertelde dat één van haar vragen dan is: ‘Wil je gaan voor geluk of wil je gaan voor gelijk?’. Het antwoord dat mensen op die vraag geven is bepalend voor de uitslag van de gesprekken. Wie gaan voor geluk, komen er over het algemeen samen wel uit – zeker als dat het geluk van de kinderen is. Wie gaat voor (eigen) gelijk, kan misschien wel winnen, maar altijd ten koste van iets of iemand.

Ga je voor geluk of voor gelijk? Het is een vraag die sinds dat gesprek met die collega met me meegaat. Ik breng ‘m weleens in in een gesprek, en houd ‘m mezelf voor als ik dreig door te draven en mijn oordeel over iets of iemand alweer klaar heb, en vind dat ik natuurlijk gelijk heb in een bepaalde kwestie.
Ga je voor geluk of voor gelijk -het is een vraag naar mildheid die ruimte schept. En daar wordt de wereld in veel situaties beter van.

Aris Johannes Kon

‘Mild’ kent volgens van Dale (editie 1956) of veel andere woordenboeken velerlei associaties en betekenissen, zoals: zachtaardig, welwillend, weldadig, vrijgevig, rijkelijk. Hoe verhoud ik mij met deze kwalificaties?
Mildheid is een ‘vrouwelijk’ woord; taaltechnisch gesproken in ieder geval. Maar ondanks mijn ‘7 vinkjes’ acht ik mij wel begeesterd door sommige van de bovengenoemde eigenschappen.

Durf ik mijzelf toe te geven, dat ik me er wel in herken ? Mijn psycho-therapeute wijst mij er wekelijks op, dat ik niet zo streng moet zijn voor mijzelf. Je hebt twee ogen: die van het gevoel en die van het verstand. Houd ze allebei open. Mildheid geldt ook voor jou ! Zelfs voor een ‘ongelovig calvinist’ gaat dat op.

Elsje Pot

Eén van mijn opa’s overleed toen ik 6 jaar was. Ik heb eigenlijk geen actieve herinneringen aan hem en toch heeft hij een belangrijke rol in mijn leven gespeeld.
Zijn overlijden was aanleiding voor mijn moeder om mij te vertellen dat ik voor opa kon bidden. Zo begon op zesjarige leeftijd mijn gebedsleven: in plaats van het geijkte ‘ik ga slapen, ik ben moe’ bad ik voortaan eigen geformuleerde gebeden. Ik heb het mijn moeder nooit gezegd, maar zij heeft mij daarmee een grote dienst bewezen en zeker in mijn tienertijd voerde ik ellenlange gesprekken met onze lieve Heer.

Eveneens als tiener kreeg ik net als zoveel andere kinderen, die van huis uit het geloof hebben meegekregen, vragen over een leven na dit leven, hoe zou dat dan gaan als je doodgaat? Mijn vader vertelde me toen dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij kunnen bevroeden en illustreerde dat met een persoonlijk verhaal. Hij vertelde dat hij, toen zijn vader overleed (ja, die opa dus) het gevoel had dat hij er nog was. Dat is voor mijn vader een ervaring geweest, die hem overtuigde dat het leven op één of andere manier na de dood niet zou eindigen. Ik heb het mijn vader nooit gezegd, maar ik draag het als een kleinood met me mee.

Ik vind het een troostrijke gedachte dat een mens ook al is hij gestorven zo van betekenis kan zijn, ook als je zelf geen echte herinneringen hebt aan die persoon.

Monique Maan

Mijn ene opa, de vader van mijn moeder, was een ongelooflijk lieve opa. Als ik aan hem denk, denk ik aan sinaasappels met een extra schepje suiker om het nóg lekkerder te maken, aan de mand met Sinterklaascadeaus die ineens in de gang stond op het moment dat hij er altijd nét niet was, aan ritjes bij hem achterop de fiets, en aan zijn blik als we met z’n allen aan tafel zaten en hij tegen mijn oma zei: ‘En dit hoort allemaal bij ons, wat een geschenk!’.

Mijn andere opa, de vader van mijn vader, heb ik nooit gekend. Hij was al overleden voordat mijn ouders trouwden. Toch is hij er voor mij altijd geweest door alle verhalen die ik over hem gehoord heb. Het bijzondere is dat mijn vader dingen over zijn vader vertelde die ik terugzag in mijn vader zelf. Zijn zorg om het gezin, zijn idee dat je je talenten voluit moet benutten, zijn inzet voor kerk en maatschappij. Ik ken mijn opa’s gezicht alleen van foto’s. Maar door hoe hij voortleefde in mijn vader (en wie weet ook wel weer in mij) hoort hij er toch ook helemaal bij. Hanna Lam dichtte: ‘De mensen van voorbij, zij blijven met ons leven, de mensen van voorbij, zij zijn met ons verweven in liefde, in verhalen die wij zo graag herhalen.’ Woorden die wat mij betreft – voor mijn beide opa’s – zo waar zijn.

 

Johannes Kon

“Mijn opa, mijn opa, mijn opa  … niemand was zo aardig als hij”. In heel Europa …

Ik had 2 opa’s :

  1. “Gerrit”, °1 januari 1880 te Lexmond uit de rechtlijnige boerenarbeiders in Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Overleden op de weg tussen De Bilt en Zeist door een militair voertuig in 1957. De eerste dode die ik bewust meemaakte.
  2. Johannes Eliza Isbrücker (naar wie ik genoemd ben); woonde al op zeer vroege leeftijd in het Oud Burgeren Gasthuis in Nijmegen (alleen leden van 5 bepaalde families konden daar terecht). Ik heb een geheel andere achternaam. Hij overleed in 1960. Ik geloof niet dat mijn moeder daarom getreurd heeft.

https://youtu.be/k9tLyOfqOps

Kees van Keulen

Ik schreef dat ik mijn grootouders amper heb gekend. Nu de andere kant op. Wij zijn oma en opa van drie kleinkinderen: 23, 20, en 4.

De oudste twee kwamen jarenlang – apart van elkaar – eenmaal per week uit school naar ons toe. Eerst, voor de één een groot glas cola (een “bloemenvaas”), voor de ander warme chocolademelk. Daarna spelletjes, exact volgens de spelregels met de oudste, met de ander zo vals mogelijk. Eens maakte één van hen de opmerking: “Opa zeurt!” Goed dat de omgeving zo vertrouwd was, dat hij dat gewoon zei. Daarna eten, met soms heftige discussies over het geloof. Ze werden op de fiets thuisgebracht.

Eentje heb ik een poos met z’n huiswerk geholpen. Hij vond dat wel gemakkelijk en liet zich helpen; hoefde dan niet na te denken over of en hoe hij z’n huiswerk zou maken.

Inmiddels komen zij nog maar een enkel keertje (en dan op ons initiatief). Ze leiden een geheel ander leven. In tegenstelling tot vroeger doen zij dan een spelletje met ons.

Met die van vier spelen we ook. Grootste lol als ze de absurd hoge toren, die ik vaak bouw, omgooit.

En laatst, in Burgers, welke dieren denkt u dat ze het mooiste vindt? De pinguïns! Ik dacht eerder aan iets groters.

Ze is niet gewend aan tafel te bidden, maar bij ons zit ze braaf met haar handen voor de ogen. U kunt zich de vragen voorstellen die je dan krijgt.

 

Pierre Eijgenraam

Mijn opa Teunis van der Hoek (1903-1996) heeft bijna de hele twintigste eeuw meegemaakt. Het boek dat Geert Mak schreef over de eeuw van zijn vader had in zekere zin ook over mijn opa kunnen gaan. Als jonge man werkte hij op een groot stoomschip dat naar Nederlands-Indië voer –en weer terug. Daarna werd hij brood- en banketbakker in Harderwijk. In de oorlogstijd had hij tuberculose en lag in een sanatorium. De bakkerij verhuurde hij aan zijn broer en als kunstschilder slaagde hij erin nog wat extra te verdienen. Na de oorlog werd hij makelaar en dat heeft hij tot zijn 75e volgehouden.

Hij overleed op 1 mei 1996. In de uitvaartdienst vertelden we als kleinkinderen (niet allemaal, want hij had er bijna dertig) over onze opa. Voor ons was er in heel Europa niemand zoals hij. Even later vertelde mijn moeder over een rechtlijnige strenge vader, die elke morgen om vier uur opstond en elke avond op pad was voor de kerk. Tijd voor zijn eigen kinderen had hij niet, maar vaders wil was altijd wet.

Ik was geschokt. Het leek wel alsof ze over heel iemand anders vertelde dan wij hadden gedaan. Gelukkig vertelde mijn moeder ook dat opa in zijn latere leven milder en opener was geworden en meer van het leven had genoten. De tijden waren veranderd, maar opa is gelukkig in staat geweest om mee te veranderen.

Ik hoop dat mijn (klein)kinderen dat ooit ook over mij kunnen zeggen.

 

De komende twee weken is het thema ‘opa’. Na de ervaringen met oma volgen nu van de verschillende schrijvers de ervaringen met opa. Goede herinneringen, soms ook wonderlijke verhalen. Wat heeft zich toch veel afgespeeld in families rond het voorgeslacht.

OPA is trouwens ook de Oud Papier Actie die door verschillende kerken georganiseerd wordt om de financiën aan te vullen. Wel raar: als je op internet zoekt naar ‘OPA Oud Papier Actie’ kom je steeds bij oud-papieracties van kerken uit. 

Elsje Pot

Met opruimen heb ik een haat-liefde verhouding. Ik houd van een opgeruimde werkplek, een opgeruimd huis en opgeruimd hoofd, maar doorgaans is het overal een rommeltje. Als de puinhoop te groot wordt, ga ik opruimen. Ik neem me dan voor om het nu echt eens netjes te houden, alles opbergen waar het hoort, als ik een taak heb afgerond. Maar helaas binnen de kortste keren ziet mijn bureau er weer uit alsof er een veldslag heeft plaatsgevonden.

Toen wij de huizen van mijn ouders en schoonouders moesten leegmaken, waar zij allen ruim 40 jaar hadden gewoond, moest er heel veel opgeruimd worden. Tijdens die werkzaamheden dacht ik: nu moet ik thuis ook aan de slag, dit wil ik mijn kinderen niet aandoen. Het is er nog niet van gekomen, het is gebleven bij een vroom voornemen.

Een aantal weken geleden ruimde ik een keukenkastje op waar zich alle kruiden en specerijen verzameld hadden. Dat leverde diverse verdubbelingen van aangebroken zakjes en potjes op. Ik geloof dat ik er deze keer in geslaagd ben een systeem te bedenken dat ik tijdens elke kookbeurt weet te handhaven, want het kastje blijft redelijk op orde. Misschien begin ik het na al die jaren toch nog eens te leren.

En een opgeruimd hoofd? Misschien lukt dat nog het beste, het is er zelden een chaos. Ik kan redelijk goed plannen (zei ze bescheiden) en doe wat er gedaan moet worden, blijkbaar vind ik dat belangrijker dan een opgeruimd huis of bureau.