Elsje Pot

Wij woonden nog niet zo lang vlakbij Arnhem en gingen met de lift omhoog in de toren van de Eusebius. Daar was een tentoonstelling met fotomateriaal en wetenswaardigheden over de verwoesting in 1944. Vanaf de toren konden we het centrum van Arnhem goed bekijken en hoog boven in de toren drong pas goed tot mij door dat er bijna niks ouds in de binnenstad staat. Ik snapte voor het eerst waarom ik Arnhem zo lelijk vond: heel veel gebouwen, kantoren en flats waren in grote haast opgetrokken.

Inmiddels is Arnhem mij een stuk vertrouwder geworden en ben ik de stad steeds mooier gaan vinden, deels omdat er de afgelopen jaren veel verfraaid is, maar eigenlijk vind ik de parken het mooist aan Arnhem. Ik ontdek door de wandelingen die ik organiseer nog steeds nieuwe stukjes natuur in Arnhem. Ik houd van de afwisseling: de Rijn met de uiterwaarden, de parken met de bossen, vijvers en doorkijkjes, de Jansbeek die nu veel zichtbaarder aanwezig is, aan de noordkant van Arnhem de heuvelrijke bossen en aan de zuidkant het vlakke landschap en de weidsheid.

Door de wandelingen die ik organiseer, kijk ik steeds met andere ogen naar de stad. De ene keer ligt het accent op de natuur, een andere keer is het een combinatie van natuur en cultuur en soms voert de wandeling thematisch langs allerlei kunstwerken. Ik maak gebruik van wat er in de stad voorhanden is en dat levert elke keer weer nieuwe ontdekkingen op en mooie gesprekken.

 

Jos Hordijk

Ondanks het feit dat ik niet in Arnhem ben geboren en getogen reizen de haren mij te berge als ik op de tv hoor of in kranten lees dat er iets lelijks over Arnhem gezegd wordt. Niet dat alles hier perfect is in mijn ogen, maar vroeger zeiden we: óveral is wel eens wat’ en inmiddels woon ik hier 33 jaar, genoeglijk dicht bij het centrum van de stad. De kinderen zijn hier opgegroeid en ook al heb ik mijn wortels hier niet liggen, ik voel me verbonden door groepen waar ik bij hoor, opleidingen die ik gevolgd heb, werk dat ik gedaan heb. Ik heb niets te klagen over het deel van mijn leven dat zich in Arnhem heeft afgespeeld.

Ik ben ook best een beetje verknocht geraakt aan mijn vriendinnen, de buren, gemeenteleden, de kerkgang, het Sonsbeekpark, de Rijkerswoerdse plas en station Arnhem Centraal.  Ik ken hier de weg, ik heb in de Walburgiskerk, de Eusebiuskerk en de Waalse kerk staan zingen met de Oecumenische cantorij, aan groepjes meegedaan met Han, Monique, Ad en Elsje en met de kinderen plezier gehad in de kindernevendienst. Ik denk met warmte terug aan Pasen, het paasspel spelen met een engel met vleugels en eitjes zoeken in de tuin. Het kerstspel waarin z.g. van alles misliep en het toch nog goed kwam en ieder jaar smulden we van beschuit met muisjes. Ik ben een Rotterdammer, maar toch, ik houd van mijn leven in Arnhem, je krijgt mij hier nooit meer weg.

Arjen Hiemstra

Het eerste beeld van Arnhem dat bij mij opkomt is het beeld van het oude aftandse station waar mijn broer en ik in eind jaren ’70 van de vorige eeuw moesten overstappen op de internationale trein naar het Roergebied. Met mijn ouders gingen we op vakantie in Sauerland, maar omdat we niet met z’n allen in de auto pasten, reisden mijn broer en ik per trein.

In Arnhem moesten wij altijd overstappen. En dan zag je een stukje stad: een soort winkelgalerij waar veel leegstond, een chaotisch voorplein, een vervallen filiaal van een fastfoodketen en vooral veel lelijkheid. Tegelijkertijd was er ook altijd een soort spanning: Wie zouden we nog meer aantreffen in onze internationale treincoupé? Want de internationale trein had nog van die zespersoons coupés waarvan de deuren dicht konden waarna je in een soort huiskamer terechtkwam

Pas veel later kwam ik er achter wat het verhaal was van dat aftandse station: het oorspronkelijke treinstation was in de oorlog totaal verwoest. En vele mensen hadden het leven gelaten tijdens de oorlog in deze stad. En na de oorlog was dit station (en vele andere gebouwen in de stad) gebouwd met een gebrek aan middelen maar ook met grote haast. En dertig jaar later was het toch wel helemaal aan z’n eind.

Inmiddels is er een nieuw station. Ook op andere plekken is veel haastige wederopbouw verdwenen. Toch hoort bij Arnhem de herinnering aan een akelige tijd. En het is maar goed ook dat we die in deze dagen blijven herinneren.

Pierre Eijgenraam

Mijn echtgenote gaat er prat op dat ze Montessorionderwijs heeft genoten en ‘dus’ niets weet van topografie. ‘Arnhem, waar is dat eigenlijk?’ vroeg ze bij onze eerste kennismaking. Pas toen ze snapte dat het ‘vlakbij Ede’ ligt (waar haar oma woonde), kon ze zich er iets bij voorstellen….

De eerste helft van mijn Arnhemse jaren werkte ik in en rond de Opstandingskerk in Arnhem-Noord; die nieuwe naam krijg ik nog niet uit mijn strot… Het is er prachtig: de parken, het bijna ongeschonden negentiende-eeuwse Sonsbeek­kwartier en de bijzondere architectuur van de Geitenkamp. Het spannendst vond ik aanvankelijk de heuvels. Ik probeerde de steilste hellingen te vinden en daar fietste ik dan zo hard mogelijk tegenop. Later leerde ik juist hoe je die steilste hellingen kunt vermijden om ervoor te zorgen dat je niet volkomen bezweet op je afspraak arriveert.

In 2007 maakte ik de overstap naar Arnhem-Zuid. ‘Dat je na zoveel jaren iets anders wilt’, zei een gemeentelid tegen mij, ‘dat snap ik wel. Maar Arnhem-Zuid????’

Voor sommige Arnhemmers bestaat ‘Zuid’ eigenlijk niet. ‘Ze zien het als de lintbebouwing langs de weg naar Nijmegen’, placht mijn voorganger te zeggen. Toch kent ook Arnhem-Zuid verrassend mooie plekjes. Park Immerloo, de uiterwaarden, het oude dorp Elden, Meinerswijk en de Stadsblokken (God verhoede dat ze het daar gaan volbouwen of opleuken)… Allemaal de moeite waard om te ontdekken!

Maar het boeiendst aan Arnhem zijn de mensen; in Noord en in Zuid! Daar raak je nooit op uitgekeken…

Johannes Kon

Ik begeef me graag op glad ijs. Houd ik van deze stad (A° 1233), omdat ik er ook toevallig geboren ben en er ook wil sterven? Of omdat ik ooit voorzitter was van het Arnhems Historisch Genootschap Prodesse Conamur van 1792 en ook lid van de “Vrienden van Sonsbeek”, Vereniging Stadsschoon Arnhem en ‘Jansbeek boven Water’?

Ooit “site manager” van Sonsbeek 1986 was en alle tento’s vanaf 1949 zag; gemeenteraadslid was van 1978 – 1986; ambtenaar van 1987 – 2014?

Met plezier gewoond hebbende op :

* Van Lawick van Pabststraat nr. 21

* Bernhard Zweerslaan 23 (Alteveer)

* Schubertlaan 11 (’t Cranevelt)

* Gelderseplein 373 (Immerloo 2)

* Tellegenlaan 1 (Sonsbeek)

* Kluizeweg 254 (’t Cranevelt)?

Ja, ik ben bevoorrecht, want ik woon in het paradijs (geboren; niet getogen helaas – Johnny van Doorn gemist!) en als ik de balans moet opmaken: 74 minus 14 = niet mis.

Ik verdien niets aan deze column en de vvv ook niet. Maar wie is het geluk beschoren hier te mogen wonen?

Johannes – houder van een ‘echt” “Arnhems Meisje” – maar dat is geen verdienste – en v.m. postbode.

 

In deze dagen staan we op verschillende plaatsen en tijden in Arnhem stil bij de luchtlandingen en de aansluitende oorlogshandelingen in september 1944. We herdenken met name hoe er hard werd gevochten om de brug over de Rijn over de Rijn te bezetten en in handen te houden. En we herdenken ook hoe, toen dat mislukte, het door de geallieerden veroverde terrein ten koste van vele mensenlevens uiteindelijk toch uit handen gegeven moest worden.

Deze week is daarom het thema ‘Arnhem’ gekozen. Die toen zo zwaar beschadigde stad, staat volop in het middelpunt. In sommige bijdragen wordt verwezen naar deze oorlogsperiode.

‘Arnhem’ roept niet alleen herinneringen op aan vroeger, bepaalde plekken spreken tot de verbeelding door wonen en/of werken, belevenissen.

 

Met vriendelijke groet, Arjen Hiemstra

 

Maandag 20 september, door Monique Maan

Mijn oma (de moeder van mijn vader) werd in 1898 in Arnhem geboren, aan de Bronbeeklaan. Rond 1918 leerde ze mijn opa kennen. Hij kwam uit Schiedam, maar was als soldaat in Arnhem en volgens de familieoverlevering hebben ze elkaar in de kerk leren kennen. Ze trouwden in 1919 en verhuisden naar Sommelsdijk, op Goeree Overflakkee, waar ze samen een slagerij begonnen.

Eind 2000 verhuisden Peter en ik met onze kinderen vanuit Harmelen naar Arnhem. En toen pas realiseerde ik me wat een enorme overgang die verhuizing van Arnhem naar Sommelsdijk voor mijn oma geweest moet zijn! Als jonge vrouw uit de stad zit je ineens als slagersvrouw in een klein dorp op een eiland (dat toen ook nog echt een eiland was!), er was geen telefoon, en door de zaak en de kinderen die al snel geboren werden was er nauwelijks gelegenheid om nog eens voor familiebezoek richting Arnhem te gaan. Wat heeft ze meegekregen van de slag om Arnhem? Hoeveel zorgen heeft ze zich gemaakt om haar dierbaren hier?

Mijn oma was al overleden toen wij in Arnhem kwamen wonen, maar wat had ik het graag nog eens met haar over al die dingen gehad.

 

Monique Maan

In het dorp waar ik opgegroeid ben, was één kleuterschool. En dus gingen alle kinderen – ongeacht hun kerkelijke of niet-kerkelijke achtergrond – naar die school.

De eerste juf die ik had, juf Anna, was zeer gelovig en ze liet niet na dat ook in haar werk te laten merken: het eerste liedje dat ze haar kleuters leerde, was ‘De Heer is mijn herder’. En de gelijkenissen over de verloren zoon en de barmhartige Samaritaan, en het verhaal over de vijf broden en twee vissen – juf Anna vertelde ze allemaal.

Achteraf denk ik: bijzonder dat zij zo volstrekt haar eigen gang ging en dat ze daar kennelijk ook de ruimte voor kreeg. En ik heb nooit gemerkt of gehoord dat het gedoe of spanning opleverde.

Na de kleuterschool volgde de lagere school en de kleutergroepen vielen totaal uiteen. Soms tot groot verdriet van kinderen want een vriendje bleek ineens ‘van de andere kerk te zijn’ en ging dus naar een andere school. Er was in het dorp namelijk een hele grote openbare school, een redelijke grote ‘School met de Bijbel’ (hier gingen de kinderen van hervormde (bonds) gezinnen, christelijke gereformeerde gezinnen en gereformeerde gemeente gezinnen naar toe) en een hele kleine ‘gewone christelijke school’ (hier gingen de synodaal gereformeerde kinderen naar toe). Drie scholen die totaal los van elkaar functioneerden. Net zoals de kerken los van elkaar functioneerden.

Verschillen wonnen het van overeenkomsten. Jammer toch.

Maar dankzij juf Anna ken ik het eerste couplet van ’De Heer is mijn herder’ nog steeds uit mijn hoofd.

Pierre Eijgenraam

Als ik een school binnenkom, bekruipt mij altijd een wat ongemakkelijk gevoel. Hoe zou dat toch komen?

Eén van mijn vroegste herinneringen bewaar ik aan mijn eerste schooldag op de kleuterschool in Alphen aan den Rijn. Mijn moeder bracht me, maar bij de deur van het klaslokaal sloeg de paniek toe. ‘Wat een mooie tas heb je’, probeerde de juffrouw nog, maar ik schreeuwde ‘NEEEE!’ en probeerde me los te rukken.

Ook toen ik voor het eerst naar de ‘grote school’ ging, ben ik op de vlucht geslagen. Mijn moeder achtervolgde me tot halverwege de Smethstraat; Daar heb ik me laten inrekenen. Bij de ingang van de school stond meester De Jong. ‘Dat is het HOOFD DER SCHOOL!’ vertelde mijn moeder. Ik begreep dat vluchten geen zin meer had.

Later werd het gelukkig beter. Aan de vierde en vijfde klas van de Lagere School met meester Vermeer bewaar ik plezierige herinneringen. Maar toen verhuisden we naar Harderwijk.  Ik had het niet fijn op de Mr. Dr. J. Th. De Visserschool, omdat ik weigerde de onderwijzer als ‘meester’ aan te spreken. Ik was ‘meneer’ gewend, en dat wilde ik zo houden.

De middelbare school voelde als een bevrijding. Ik vond het heerlijk om op te gaan in de massa en ieder uur een andere leraar of lerares te hebben.

Na mijn afstuderen heb ik zelf een half jaar voor de klas gestaan. Het was geen succes. Gelukkig zijn er anderen die lesgeven met plezier en met liefde. Honderden oudleerlingen zullen later met warmte aan hen blijven denken. Op zulke leerkrachten moeten we heel zuinig zijn!

Kees van Keulen

Ik kom uit een onderwijsfamilie. Mijn vader en een aantal broers en zusters stonden voor de klas. Mijn vader vond mij daarvoor niet zo geschikt; ik zou te driftig zijn. We hebben “allemaal” bij elkaar in de klas gezeten. Zo kweekte mijn toen aanstaande zwager in de vijfde klas waarin ik zat, bij meneer De Haan. Het verhaal gaat dat ik mijn zwagers fietsband leeg heb laten lopen. “Ik heb er geen actieve herinnering aan…”

Net als al mijn broers en zusters zat ik bij mijn vader in de zesde klas. Hij wist school en thuis goed te scheiden, hoewel het wel eens is misgegaan. Gepermitteerd was dat we in de klas “met één woord” spraken. “Ja meester” kon niet, “Ja Pa” ook niet, dus bleef het bij “Ja”.

Ik herinner me dat ik in de eerste klas, bij juffrouw Wielinga, wegens “wippen” moest schoolblijven. Volstrekt ten onrechte! Ze had me best nog een keer kunnen waarschuwen. Mijn vaders klas was ernaast en hij stond achter de raampjes van de tussendeur met een lachend gezicht gekke gezichten naar mij te trekken.

Aan de verjaardagen van mijn ouders bewaren we aparte herinneringen. Het voltallige personeel kwam langs, waarbij we vaak in de klas hadden gezeten. Wij deden de bediening. Het personeel vond dat leuker dan wij.

U kunt zich voorstellen dat, als we als broers en zus bij elkaar zijn, het onderwijs nog steeds onderwerp één is. Opmerkelijk is hoe bij sommigen de emotie nog door de keel giert als we het over sommige onderwijzers hebben, die als volstrekt ongeschikt en gemeen worden beoordeeld. Wat voor slechte herinneringen zij aan hen hebben! Het deed één van mijn broers (ook in het onderwijs) verzuchten: “Als het op school misgaat, ligt het nog steeds aan de leerkracht.”

Johannes Kon

Zoals eerder gememoreerd zat ik na het eerste jaar op de – in Arnhem meer dan legendarische Van Löben Selsschool (1954 – 1955) – naam is (uiterst incorrect) gewijzigd in “De Wijzer”) – in Dinteloord (NB) op de Christelijk Nationale School met den Bijbel a° 1922): mijn belangrijkste leerschool ooit, want er Nederlands (= abn) geleerd, rekenen, topografie, frans en ‘versjes’ – resultaten zijn ter inzage volgens de rapporten.

Het nieuwe schooljaar begon daar – in Dinteloord (toentertijd – 1955) – formeel nog op 1 april, want de kinderen moesten in de zomer wel kunnen meehelpen bij de oogst in dit fameuze land- en tuinbouwgebied (een vreemde conclusie overigens – nader beschouwd). Hoe dan ook – ik had wat tijd om te overbruggen, terwijl ik al 10 dagen te laat was voor het eerste leerjaar. Ben van 10 ipv vóór 1 oktober enig jaar. Dus later gestart maar succesvol?

Toen nog 6 (!) dagen p.w. op de fiets van Steenbergen naar Dinteloord v.v. (7 km) maar niets aan overgehouden behalve dan stevige dijbeenspieren.

Hoe het me verder verging na een opzienbarend toelatingsexamen(!) voor het RK Mollerlyceum te BoZ is in een andere blog te lezen. De geur van een lederen, nieuwe schooltas en al die spulletjes (de geodriehoek en de vogelveer) blijven me wel eeuwig bij.