Jos Hordijk

De buurvrouw appt of ik een stapel Margrieten wil hebben. Mijn eerste gedachte is ‘leuk voor de kleinkinderen, dan kunnen ze collages maken’ tot ik me realiseer dat kinderen zulke opdrachten tegenwoordig digitaal doen. Wat volgt is een dilemma, de Margrieten afwijzen of gewoon makkelijk zijn en ja hoor zeggen. De buurvrouw moet er natuurlijk ook vanaf en als ik haar kan helpen doe ik dat. Zo komt de eerste stapel Margrieten mijn huis binnen en er volgen er meer. In mijn kast liggen ze nu op mij te wachten tot ik eraan begin, maar er is mij iets wonderlijks overkomen deze winter. Ik ben maanden geleden aan het lezen van Het bureau van Voskuil begonnen en daar ben ik aan verslaafd geraakt. Ik geniet van die verhalen. Eerlijk gezegd had ik het laatste boek deze week uit en ben ik weer van voren af aan begonnen en ik smul er ook deze keer weer van. Ondertussen stapelen de kranten zich op en roept Jose weleens ‘kan ik de kranten al opruimen?’ Nee, de kranten wil ik ook lezen en ik breng ze zelf wel naar de papierbak als ik ze (grotendeels) gelezen heb. Toch bewaar ik de Margrieten ook, wie weet kan ik ze van de zomer aan het strand wel lezen. Ten zij ik iemand anders er een plezier mee kan doen, want is weggeven ook niet vaak opruimen en hopen dat een ander er nog plezier van heeft?

Pierre Eijgenraam

Opruimen vind ik een van de meest vreselijke dingen die er bestaan. Ik zie er altijd ontzettend tegenop. Eenmaal begonnen valt het meestal mee en geeft het ook voldoening. Maar echt af krijg ik het nooit, want al doende stuit ik steeds weer op boeken, briefjes of voorwerpen die mijn aandacht trekken en mij –wat jammer nou!- afleiden van de opruimklus. Ik begin te lezen, ik maak een nieuw stapeltje of ik ga eens googelen wat ik kan vinden over de interesse die door mijn onverwachte vondsten plotseling weer is opgeroepen.

Goede voornemens genoeg, maar de kans dat ik ooit nog zal veranderen is, vrees ik, zeer gering.

In de jaren dat ik alleen mijn pastorie bewoonde verhuurde ik de zolderkamer aan een student van de kunstacademie. In haar keukentje had zij een bord opgehangen met de tekst: ‘Orde is voor de dommen. Het genie heerst over de chaos’. Dat motto geeft mij troost en goede moed. Of zou ik mezelf nu toch voor de gek houden?

Kees van Keulen

In 1985 zijn we naar Arnhem verhuisd, naar een huis met een vliering. Daar heb ik dozen ‘memorabilia’ neergezet. In 2020 naar Velp getrokken. Opruimen geblazen! Lenie is daar beter in dan ik ben. Koen, onze zoon, klom op de vliering. Ik mocht niet; Lenie was bang dat ik zou vallen. Koen gaf de spullen aan. Zijn advies: “Weggooien die zoot! Je hebt er 35 jaar niet naar omgekeken. Je weet niet eens meer wat er staat!” Hij had gelijk, maar toch, het deed me wat die spullen door de handen te laten gaan. Ik heb het niet opgebracht alles weg te doen. Enkele dozen zijn meeverhuisd. Ik zal ze tevoorschijn halen als mijn zus en broers komen. De één zal er niets mee hebben, de ander zal zwijmelen. Bij de volgende verhuizing kan ik ze vermoedelijk niet meer vasthouden. Onze kinderen mogen ze weggooien. Of is dat te gemakkelijk?

Bij de verhuizing heb ik ook mijn orgelkast opgeruimd. Er stonden stapels papier bovenop, tot aan het plafond. Ik heb 5 dozen (zoals dat in mijn ambtelijke periode werd genoemd) “bij het oude papier gevoegd”: organistenbladen, liturgieën, muziekkopieën. Ik wist er de weg niet meer in. Toch deed het zeer, alsof ik iets van “mezelf” weggooide.  We hebben een nieuwe kast gekocht. Alles staat er netjes in. Koen zal de orgelboeken erven. Niemand zal er interesse voor hebben. Ze zullen niets waard zijn en worden weggegooid. Dat hoef ik dan niet zelf te doen. Gelukkig maar!

 

Monique Maan

Al zeg ik het zelf: ik kan goed opruimen. Ik heb dat duidelijk meegekregen van mijn moeder, en zij weer van haar moeder.

Een opgeruimd huis werkt bij mij één op één door in hoe ik me voel. Heb ik last van stress, of stapelen problemen zich op, dan is de beste remedie het huis gaan opruimen: dingen op een vaste plek, tijdschriften uitzoeken, kast herindelen. Door orde te scheppen komt er ook orde in mijn hoofd en kan ik oplossingen ontdekken die eerst nog verstopt lagen onder de moeilijkheden.

Een tijdje terug sprak ik met iemand over het opruimen van spullen als je weet dat je leven ten einde loopt. Ze vertelde dat ze brieven aan het vernietigen was, omdat ze niet wilde dat haar kinderen die na haar dood zouden vinden (en lezen). Er waren brieven van familieleden uit een periode dat er veel ruzie in de familie was. Maar ook liefdesbrieven die ze van haar man had gekregen en die ze altijd had bewaard. Nu ging alles weg. Want, zo zei ze, de inhoud is zo persoonlijk, dat hoort bij mij en moet met mij verdwijnen.

Ik heb zelf een doos (natuurlijk, alles netjes bij elkaar) met oude brieven en kaarten – en ja, ook van mijn man uit onze verkeringstijd. Zoals ik daar nu over denk, staat er niets in dat mijn kinderen niet zouden mogen lezen. Toch ben ik benieuwd of ik daar op een gegeven moment anders over ga denken.

Aris Johannes Kon

Meestal denk ik dan: O, pruimen! Mijn werkgever in West-Brabant zei altijd: eet zoveel als je wilt in de boomgaard! Dat deed je natuurlijk maar één halve dag. Het paradijs was snel verstoord; shit dus!

‘Opruimen’ is een levensbedreigend probleem geworden; daar kan geen coach à la Marie Kondo tegenop. Ik gooi niets weg: althans geen kranten en weekbladen en al helemaal geen boeken (wat bescheiden duizenden; opgeslagen in Arnhem, Babberich, ’s Graveland etc.). Ergens daaronder moet zich toch de ‘steen der wijzen’ bevinden …?

Ik word ervoor behandeld, zou Koot (of Bie) zeggen; ‘anale fixatie’, zegt mijn psycholoog. De parkeerplaats voor mijn flat ruim ik graag op; ook blikjes en ander ‘afval’ dat mij voor de voeten komt, depositeer ik graag en vol overgave.

Maar die nazaten dan: het op- en uitruimen van mijn woonplek kost hen minimaal 3 maanden. Ik betreur dat. De brandweer zou mijn appartement heel graag ontruimen, maar krijgt nu nog geen kans. Wat moet je dan met al die (literaire en theologische) boekwerken. Who cares?

Johannes does.

Arjen Hiemstra

Een mens verzamelt heel wat in zijn leven. Maar er komt een moment waarop je afstand moet doen van dat alles. Eigenlijk moet je daar niet te lang mee wachten: als je wél te lang wacht, omdat je het zelf te moeilijk vindt, zadel je je kinderen en kleinkinderen op met dat werk.

Ik Vrees met Grote Vreeze, het moment waarop ik mijn boekenverzameling moet opruimen. Ze staan er nu zo mooi: twee IKEA Billy’s op mijn werkkamer in de Nieuwe Kerk met daarin de boeken die ik zogenaamd voor mijn werk nodig ben – de meerderheid van de boeken komt nooit de kast uit – en thuis staat de rest: een grote verzameling geschiedenisboeken en verder boeken, folders en kaarten die ik aanschafte omdat we in de afgelopen dertig jaar ergens vakantie gingen vieren.

Dat moment van afscheid nemen lijkt me heel lastig. Sommige boeken bevatten de informatie over bepaalde Bijbelboeken die ik niet in mijn hoofd heb zitten. Andere boeken vertellen van de kustschatten die de Russische cultuur heeft voortgebracht en die ik nog wel eens zou willen zien. De vertalingen van teksten van Augustinus vertellen over zijn beleefde spiritualiteit. De wandelkaarten van Noorwegen vertellen van de wandelingen die ik gemaakt heb of nog zou willen maken.

Dát op te ruimen stel ik zo lang mogelijk uit. Het hoeft ook nog niet. Ondertussen gaat mijn blik nog eens over de boekruggen. Een mens verzamelt heel wat in het leven.

Theo Slagboom

In Woudenberg kon je vroeger eens in de maand spullen die je weg wilde doen aan de weg zetten. Standaard was dat er die dag mensen door de straten reden of er iets van hun gading op de stoep stond. In verband met onze verhuizing in 1990 ruimden wij op en zetten diverse spullen waaronder 2 oude stoelen aan de weg achter ons huis. Al snel hoorden wij een auto stoppen en bleek er interesse te zijn. ‘Heeft u nog meer van dit soort meubels’ vroeg een meneer, ‘Daar wil ik desnoods wel wat voor betalen’. Helaas voor hem was dit niet zo. Terug gekomen in huis ontdekten wij allerlei oude spullen in de gang die door onze jongste zoon van elders waren opgehaald omdat hij deze wel leuk vond. Dat was niet de opzet van ons opruimen.

Opruimen is voor mij ook vooral herinneren en terugkijken. Niet alleen bij het verhuizen maar ook na overlijden van mijn moeder in 1981 moest er worden opgeruimd. Wat te doen met foto’s en spullen die voor mijn ouders dierbaar waren geweest. Bij het nakijken van de vele foto’s kwamen de herinneringen terug. Gooi ik dit weg of……… Diverse foto’s en spullen hebben nog een plekje in ons huis. Wat onze kinderen er mee doen is aan hen. Bijzonder was het vinden van het ontslag bewijs van mijn vader uit Kamp Vught. Niemand wist van dit bestaan af. Nog meer dan voorheen heb ik mij daarna in het oorlogsverleden verdiept.

Als de zon schijnt en het belooft een aangenaam warme dag te worden, was dat vroeger het sein voor de voorjaars­schoonmaak, het lijkt een uitstervend gebruik te worden. 

Maar opruimen kan geen kwaad, in huis en soms in het hoofd.

De een is daar heel goed in en doet dat graag, voor anderen is het een zware opgave.

En ondertussen is het een puinhoop is het in de wereld! Wat zou het fijn zijn als daar eens iemand de bezem doorheen haalde! Maar dan liever niet op de manier van die meneer uit Moskou….

De komende 2 weken gaan de berichten vanaf de zijlijn over ‘opruimen’.

Jos Hordijk

Ambitie klinkt mij niet zo positief in mijn oren , misschien is het wel een onderwerp dat mij niet zo goed ligt. Ambitie is toch iets wat je wilt bereiken. Iets goeds en groots doen voor de wereld? Heb ik wel ambities, heb ik die ooit gehad? Wil ik nog iets binnen mijn mogelijkheden bereiken? Er begint een liedje in mijn hoofd te zingen en als ik daar naar luister hoor ik: ’de gedachten zijn vrij, wie raadt ze daar binnen?‘ Dat kan niet voor niets zijn, maar wat durf ik dan niet

te denken? Groot denken niet in ieder geval. Met het ouder worden wordt de wereld kleiner. En wat ik kan doen wordt kleiner. Een liedje zingen in een koor, een verhaaltje vertellen aan een kleinkind. Het aanmeldingsformulier voor de middelbare school invullen voor een Syrisch meisje, op komen voor een kind wanneer de ouders de taal niet goed beheersen. Een stukje schrijven, veel meer hoeft het niet te zijn. Kleine diensten verlenen.

Ik droom ervan mijn kleinkinderen volwassen te zien worden. Nog tien jaar dus, dan is de jongste 18. Maar dan wil ik wel een beetje gezond blijven, nog kunnen lopen, kijken en horen. En nog samen zijn met mijn partner. Ik weet niet of dat ambities zijn, het lijken meer liedjes van verlangen. Als slotakkoord welt er nog een liedje in me op: mijn wensen zijn maar klein. Ik wil alleen maar bij je zijn.

Elsje Pot

In het woordenboek las ik dat één van de betekenissen van ambitie is: ‘streven naar en lust tot goede of betere vervulling van een ambt, …’. Daar herken ik mezelf wel in. Het is de houding waarmee ik begon en nog steeds probeer te werken als predikant.

Toen de kinderen jong waren en tijdelijk ook een neefje deel uitmaakte van ons gezin beperkte mijn ambitie zich tot overeind blijven in mijn werk en gezin. Bijna twintig jaar later toen mijn ouders en schoonmoeder hulpbehoevend waren, verdeelde ik mijn aandacht vooral over werk, mantelzorg en de huishouding.

Ik ben twee keer tijdens periodes van drie maanden aaneengesloten studieverlof van plan geweest om te werken aan een proefschrift. Dat is er niet van gekomen, ik denk dat ik daar uiteindelijk de ambitie in de betekenis van ‘begeerte om iets te verwerven’ voor miste. Dat het daar niet van gekomen is, is ook de reden dat ik voor mezelf niet meteen de kwalificatie ambitieus zou willen opeisen.

Nu ik in het woordenboek lees, dat ‘ijver, lust om te werken’ en als vierde betekenis ‘animo’ ook tot de betekenissen van ambitieus behoren, moet ik mijn mening over de mate waarin ik ambitieus ben, bijstellen. En zo blijkt maar weer: een mens is nooit te oud om te leren. Daarin ben ik tot op zekere hoogte dan weer wel ambitieus.