LET OP: deze NIET op de home pagina toevoegen.
voor de dagelijkse meditatieve teksten van PGA

uit ‘Laudato si’ van paus Franciscus

 

God van liefde, toon ons

onze plaats in deze wereld

als instrument van Uw genegenheid

voor alle wezens van deze aarde,

omdat geen enkel door U vergeten wordt.

 

Verlicht de machthebbers en geldbezitters

opdat zij zich hoeden voor de zonde van onverschilligheid,

het algemeen welzijn liefhebben, de zwakken begunstigen,

en zorg dragen voor deze wereld waarop wij wonen.

 

De armen en de aarde smeken:

Heer, grijp ons door Uw macht en Uw licht

om elk leven te beschermen,

om een betere toekomst voor te bereiden,

opdat uw Rijk van gerechtigheid, vrede, liefde en schoonheid zou komen.

 

Geloofd zijt Gij!

 

Arjen Hiemstra

Als ik aan de schepping denk, dan denk ik aan psalm 8: ‘Heer onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde’. Als beginnend predikant schreef ik er ooit een preek over, en zoals dat gaat als je als beginnend predikant tevreden bent over een preek die je geschreven hebt: die preek vergeet je nooit weer.

Na die centrale woorden van de psalm wordt beschreven hoe machtig Gods naam is: Je ziet hem terug in de hemel, de maan en de sterren en even later in de schapen, de geiten, al het vee en de dieren van het veld, de vogels van de hemel en de vissen van de zee. En dan volgt een soort centrale conclusie: ‘Wat is de mens, dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet?’ en de dan volgen de woorden waar ik aan blijf haken: “U hebt hem bijna een God gemaakt”.

We zijn bijna God geworden. En toch zijn we het niet. Want als het om die schepping gaat, dan maken we er toch vaak weer een puinhoop van. Dan zoeken we technische oplossingen voor milieuproblemen om zo toch op de oude voet verder te kunnen gaan met consumeren. We minderen niet.

Gelukkig staat er in de psalm ook een hoopvol perspectief: God denkt aan ons, hij ziet naar ons om. En dus zal Zijn zorg voor de schepping altijd krachtiger zijn dan ons verbruik ervan.

 

Kees van Keulen

Het zal inmiddels duidelijk zijn: wij helpen deze aarde, de natuur en de leefbaarheid naar z’n grootje, en dan vooral wij in het Westen. We zijn niet bereid grootschalig in te leveren en onze levensgewoonten rigoureus aan te passen om te redden wat te redden is. De regering treft alleen maar maatregelen in de marge. En vooral niemand – ook de grootverdiener niet – mag er schade van ondervinden.

Als er ergens zorgen om zijn (financieringstekort, werkeloosheid, teruglopende handel, en noem maar op), is de voorspelbare reflex van (vrijwel?) elke politieke partij en deskundige, dat de economie moet groeien om deze problemen op te lossen. Vanuit hun visie hebben ze daarin gelijk, maar ik geloof niet in deze remedie. Kwam de Club van Rome in 1972 al niet met een rapport, dat er grenzen zijn aan de groei? En wat is er sindsdien mee gedaan? Een positief neveneffect van corona is dat de vervuiling even terugloopt, maar zodra de pandemie weer voorbij is ….. We zullen stappen terug moeten doen!

O, voor het geval u denkt dat God haar/zijn schepping niet verloren zal laten gaan en dat Zij/Hij zal ingrijpen om te voorkomen dat wij haar de vernieling in helpen, ik geloof daar niets van. Zo Zij/Hij dat zou willen en kunnen, weet ik nog wel een paar klusjes voor Haar/Hem. Nee, wij zullen aan de slag moeten!

 

Monique Maan

In de afgelopen jaren zijn mijn echtgenoot en ik op allerlei manieren bezig geweest ons huis en tuin milieuvriendelijker te maken. Van zonnepanelen op het dak tot een sedumplantjes op het schuurtje. In de tuin is een deel van de tegels vervangen door gras en aan de schutting hangen insectenhotels, waar op de mooie dagen eind maart talloze bijen weer hun intrek namen.

Het is allemaal goed en nuttig natuurlijk, maar vooral ook erg leuk om mee bezig te zijn. Het stimuleert en daagt uit om na te denken wat er allemaal mogelijk is om ‘zorg voor de schepping’ concreet te maken in je eigen woon-situatie. En vaak blijken relatief kleine ingrepen dan al resultaat te hebben.

In Genesis 1 krijgt de mens de heerschappij over de schepping toevertrouwd. In ‘heerschappij’ zit het woord ‘heersen’, en dat is ons mensen eeuwenlang goed afgegaan. De schepping werd vooral gezien als iets dat we konden gebruiken en meer nog: naar onze hand konden zetten. Het inzicht dat heersen ook gepaard moet gaan met hoeden, omdat het anders mis gaat het die schepping, dringt gelukkig tot steeds meer tot ons door. De aarde is tenslotte niet zomaar een ding dat je naar believen kunt gebruiken. Het is, om het te zeggen met woorden van paus Franciscus, ons gemeenschappelijk huis. We delen het met mensen wereldwijd én we delen het met wie na ons komen. Zorgen voor je huis, in het groot en in het klein. We kunnen het allemaal.

De serie over de ‘werken van barmhartigheid’ besluiten we met het thema ‘zorg van de schepping’. Sinds enige tijd noemt men dit wel het achtste werk van barmhartigheid.

Dat heeft zeker iets te maken met de huidige paus Franciscus. In 2015 schreef hij zijn encycliek ‘Laudato si’ over de zorg voor ons gemeen­schap­pelijk huis: de aarde. De titel (‘Geprezen zijt Gij’) verwijst naar het beroemde ‘Zonnelied’ van Franciscus van Assisi.

 In het zonnelied bezingt Franciscus zon, maan en sterren, vuur, water en wind als onze broeders en zusters, die samen met ons de Heer prijzen. Alleen de aarde noemt hij ‘onze moeder’… Een Nederlandse versie van het zonnelied vindt u in het nieuwe Liedboek, nummer 742. In het ‘oude’ Liedboek van 1973 vindt u een andere versie als Gezang 400.

In Genesis 2 krijgt de mens de opdracht om de tuin waarin hij/zij is geplaatst ‘te bewerken en te bewaren’. Eeuwenlang was dat bewerken onze grootste uitdaging. In de afgelopen jaren zijn we langzaam gaan beseffen dat het nu om het ‘bewaren’ zal gaan.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 12 april, door Elsje Pot

Bij ‘de zorg voor de schepping’ ben ik mij pijnlijk bewust dat er een grote kloof gaapt tussen theorie en praktijk. In mijn studententijd dacht ik autoloos door het leven te kunnen gaan. Ik had als beginnend predikant in Giethoorn nog geen rijbewijs. Toen we er woonden, kochten we een auto. Mijn echtgenoot kon met het openbaar vervoer niet op tijd op zijn werk in Amsterdam zijn.

Op mijn fiets, met de bus, chaufferende gemeenteleden en af en toe liftend langs de weg deed ik het pastorale werk bij gemeenteleden thuis en in de ziekenhuizen in Meppel en Zwolle, dat was tamelijk tijdrovend. Ik nam rijlessen en met mijn rijbewijs kwam er een tweede auto.

In de loop der jaren kwamen er steeds meer dilemma’s bij in die zorg om de schepping: wel of niet biologische producten, krijgen de producenten een eerlijke prijs voor hun product, wel of geen vlees, wel of niet vliegen, hoe koop ik in zodat ik met zo min mogelijk verpakkingsmateriaal zit? Me schuldig voelen als ik een tas vergeet mee te nemen. En sinds kort vraag ik me bij alles af: heb ik dit wel echt nodig?

Onlangs las ik wat het aan energie (en dus ook aan CO2uitstoot) kost als we internetten en e-mails verzenden. Het leven wordt er niet makkelijker en zorgelozer van. Terwijl zorg voor de schepping bij mij een lekker temperatuurtje en een zonnetje oproept, het ademt voor mij de sfeer van “en God zag dat het goed was”.

Johannes Kon

Ooit zat ik in de gevangenis – nou ja het Huis van Bewaring Arnhem, later bekend als de Koepelgevangenis. 2 dagen straf wegens het gebruiken van art. 7 van de Grondwet : Vrijheid van meningsuiting – in woord en in geschrifte.

Oftewel het plakken van affiches over “Geen oorlogsspeelgoed met Sinterklaas”.  No hard feelings; overtuigingen kosten soms wat tijd. We schrijven het jaar AD 1979.

En ja, ik werd bezocht : niet door de duivel; wel door de arts van dienst, de maatschappelijk werkster en de functionaris van de bibliotheek : nooit in zo’n korte tijd zoveel gelezen. Van harte aanbevolen, zo’n verblijf !

Minder was dat ik al in het busje van het Paleis van Justitie naar de Koepel door een medegevangene op de hoogte werd gebracht van cel x.xx waar ttt allerhande drugs waren te bekomen. Hartelijk bedankt, zei ik.

Elsje Pot

Gevangenen bezoeken, is ingewikkeld: je komt er niet zomaar in, in een gevangenis. Dat ondervond ik gedurende de jaren toen ik één of twee keer per jaar in de Koepelgevangenis preekte: van tevoren aanmelden, identificatie mee, spullen scannen en zelf door een poortje en dan alle deuren die eerst opengemaakt en daarna weer gesloten worden. Ontsnappen uit de gevangenis is niet eenvoudig, maar erin komen gaat ook niet vanzelf.

Ik weet nog dat ik dat best spannend vond: hoe zou dat gaan, dat preken in de gevangenis? Het is bepaald geen doorsnee gehoor, waar je mee te maken krijgt. Maar ik ontdekte, dat mijn toga bij een deel van de kerkgangers ontzag bewerkte: ik werd gegroet, kreeg een hand.

Het (s)preken voor een publiek dat van vrijheid beroofd is, vroeg om een andere doordenking van de Bijbeltekst dan wat ik gewend was, tenminste zo heb ik het ervaren. Als vanzelf werd mijn toon meer evangelisch. Hoogtepunt van de viering was (denk ik) niet de preek maar het gebedsmoment: de aanwezigen konden zelf gebedsintenties aandragen en een kaarsje aansteken, en van dat laatste maakte iedereen gebruik, sommigen vroegen beleefd om twee kaarsjes.

Na afloop dronken we koffie. De meeste mensen vonden dat zij daar niet terecht zaten, soms werd ik uitgedaagd en meestal werd ik bedankt.

Het had wel wat en het went. Als ik in gezelschap zei: “ik moet naar de gevangenis”, dan haastte mijn echtgenoot zich om eraan toe te voegen: “om te preken”.

Jos Hordijk

De enige keer dat ik gevangenen in de Koepelgevangenis bezocht heb was toen ik er met de Oecumenische cantorij Arnhem Zuid ging zingen. Maar toen er zo’n jaar of vijf geleden Syrische vluchtelingen in de Koepel arriveerde was ik er als de kippen bij. De eerste lessen werden in  buurhuis ’t huukske  georganiseerd .We moesten in die begintijd met twee personen aanwezig zijn,  omdat de organisatie het wel veilig wilde houden voor de vrijwilligers.

Na een paar maanden stopten de lessen om met twee groepen verder te gaan in de Koepelgevangenis.  Ik was er al verschillende keren op bezoek geweest en begreep toen pas waarom er alleen maar mannen in de Koepel waren gehuisvest. Het was een voormalige gevangenis en de mannen sliepen met z’n tweeën op een cel.

In Syrië hadden de mannen begrepen dat ze binnen 6 weken met hun familie verenigd zouden worden als ze eenmaal in Nederland waren. Ze hadden hun eigen leven in de waagschaal gesteld om hier te komen en nu konden ze niets anders doen dan wachten op een verblijfsvergunning. Er is geen groep geweest die zo snel geholpen is als die mannen, binnen anderhalf jaar zaten zij met hun familie ergens in Nederland in een huis, maar zo hebben zij het niet beleefd. Je vrouw en kinderen achterlaten in oorlogsgebied met een klein beetje geld en hopen dat het goed komt valt niet mee. En dan te bedenken dat het allemaal nog zo veel erger kan en ook gebeurt, iedere dag.

 

Pierre Eijgenraam

Mijn eerste gemeente was in het Drentse gevangenisdorp Veenhuizen. Tegenwoordig is het een toeristische attractie, maar in mijn tijd was het dorp nog verboden gebied voor buitenstaanders. ‘De enige plek waar misdaad werkelijk loont’ zei men, want bijna iedereen werkte er voor het ministerie van justitie. Onder dominees was het grapje dat het zaliger was in Veenhuizen te ‘staan’ dan er te moeten ‘zitten’. Dorp en gevangenis waren nauw met elkaar verweven. Dat gold ook voor de kerk. De dorps­kerk was tevens gevangeniskerk.

Op Hemelvaartsdag vroeg een justitiemedewerker of ik in de dienst zou willen bidden voor gedetineerde A. Het was zijn trouwdag, maar hij had geen verlof gekregen om naar huis te gaan. Naar de kerk mocht hij wel. Tijdens de dienst heb ik dhr. A. –al kende ik hem niet persoonlijk- gefeliciteerd en een mooi gebed voor hem uitgesproken. Ik merkte wel dat er op dat moment wat hilariteit ontstond in het rijtje gedetineerden. Pas achteraf hoorde ik wat er aan de hand was.

Vlak voor de dienst was dhr. A. naar het toilet gegaan, en van daaruit via de zijdeur naar buiten. Daar had, naast de kerk, zijn vrouw staan wachten met de auto. Na een gezellig dagje toeren leverde ze hem weer netjes af bij de gevangenispoort. Voor straf werd hij twee weken onder verzwaard regime gebracht, maar in het dorp vond men het een prachtige grap. Ook boeven hebben recht op barmhartigheid!

 

Kees van Keulen

In het kader van deze Berichten schreef ik een stukje over de Kerstrondgang in de Blue-Band-bajes, die de Diaconie jaarlijks organiseert. Een uitstekende actie! Maar dat Bericht voor de Thuisblijvers was wel erg gemakkelijk geschreven. Gevangenen komen in onze kringen toch niet voor! Hoewel, er bestaat van de Van Keulens een familiefoto van een paar generaties terug, waarbij er één vanaf is geknipt. Hij had zich kennelijk ernstig misdragen. “Gelukkig” stond hij aan de zijkant.

Maar nu even verder. Gevangenen in de bajes bezoeken, het zal niet meevallen dat te organiseren, maar wie gevangen zit in zijn eigen gedachtewereld? Wie zich niet los kan maken van kwaad dat hem/haar is aangedaan? Wie ooit blauwe plekken heeft opgelopen, die maar niet willen genezen, en waar je maar op hoeft te drukken om een litanie aan te moeten horen? Wie last heeft van hypochondrie en het over niets anders dan over zijn/haar ziektes kan hebben? Het zijn niet de simpelste gesprekken. En natuurlijk, ik bedoel daarmee ook het gesprek met mezelf. Waaraan zit ik vastgeketend? Als ik dat gesprek eerlijk voer, zou dat ook niet bevrijdend kunnen werken!