Berichten

Met het thema van deze week ‘de dorstigen laven’ kun je weer verschillende kanten op. Sommigen denken aan bier, anderen aan ‘dorst naar God’. Bij nadere beschouwing liggen die uitersten misschien toch minder ver uit elkaar dan het kan lijken.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 1 maart, door Monique Maan  

Ik weet niet wat het betekent om echt dorst te hebben. Ik leef in een land waar altijd schoon, fris water uit de kraan komt. Als in de zomer een enkele keer de waterdruk wat afneemt, of als er door werkzaamheden een uurtje geen water uit de kraan komt –het haalt het niet bij de beelden uit Afrika, of uit vluchtelingenkampen. Honderden mensen die het met één kraan moeten doen. En dan maar hopen dat die niet kapotgaat, of dat de situatie niet zo onveilig wordt dat je er niet meer naartoe kunt lopen. Het zou niet moeten voorkomen, en daarom moet elke actie die erop gericht is om mensen wereldwijd te voorzien van schoon drinkwater op onze (financiële) steun kunnen rekenen.

Dat je in je geloofsleven dorst kunt hebben, daar kan ik me alles bij voorstellen. Als het leven zo hard voor je is, als je zo in beslag genomen wordt door wat je meemaakt en overkomt, dat het levende water je ziel niet meer kan bereiken. Het doet denken aan psalm 42: ‘Zoals een hert reikhalst naar levend water, dorst ik naar God, de levende God’ (Huub Oosterhuis).

Water als beeld voor inspiratie die je ziel laat sprankelen en alles weer laat stromen. Dat onze geloofsgemeenschap een plek mag zijn waar dat water gevonden kan worden.

Monique Maan

 Begin jaren negentig heb ik een keer het bekende bedevaartsoord Lourdes bezocht. We waren in de buurt op vakantie en mijn nieuwsgierigheid won het van mijn protestantse terughoudendheid. Het verhaal van Lourdes is dat Maria daar in 1858 aan het meisje Bernadette verschenen is en dat ze Bernadette een bron heeft laten ontdekken. Sindsdien wordt aan het water van die bron geneeskrachtige kwaliteit toegedicht. En dat zorgt ervoor dat er jaarlijks duizenden mensen naar Lourdes reizen in de hoop daar genezing van hun kwalen te vinden.

Aangekomen in Lourdes wist ik niet wat ik zag! Grote parkeerterreinen vol auto’s en bussen, winkels vol met jerrycans in allerlei maten om water van Lourdes mee naar huis te kunnen nemen, en talloze souvenirs met de afbeelding van Maria en/of Bernadette.

Maar toen we eenmaal door het hek gingen en op het terrein van de grot en de kerk kwamen, was daar een totaal andere sfeer. Mensen, soms op krukken of liggend in een bed dat geduwd werd door één van de tientallen vrijwilligers (vaak jonge mensen die met liefde en aandacht daar hun werk deden!). Er werd met elkaar gelachen, gehuild, gezongen, gebeden. Mijn argwaan smolt weg als sneeuw voor de zon. En nee, ik heb geen genezingen zien gebeuren. Maar dat het mensen goed doet om daar samen te zijn (en wie weet hoeveel moeite het hen gekost heeft om er te komen!), dát heb ik wel gezien en gevoeld. Het werk van barmhartigheid dat deze week centraal staat, zag ik daar in de praktijk.

 

Deze week beginnen de ‘Berichten voor thuisblijvers’ aan een kleine serie thema’s rond de zeven ‘Werken van Barmhartigheid’. Sommige schrijvers van de bijdragen moesten een lichte tegenzin overwinnen, voordat ze aan het schrijven toekwamen: de ‘Werken van Barmhartigheid’ zijn in hun jeugd misschien ook wel heel moralistisch gebruikt. Zo van: je móet wel barmhartig zijn. En aan het eind van de middeleeuwen wordt die plicht wel heel dwingend: door het doen van werken van barmhartigheid zul je na je leven beloond worden.
De werken geven een soort van vroege catechismus van hoe je in de wereld kunt staan. Zes van de zeven werken worden door Jezus genoemd in zijn rede over de eindtijd (Matteüs 25, 34-46), één werk (het begraven van de doden) is ooit door de kerkvader Lactantius toegevoegd.
Toen in de loop van de middeleeuwen een leven in Jezus voetspoor niet alleen voor religieuze professionals (priesters, bisschoppen en monniken) ook voor leken bereikbaar werd, waren de ‘Werken van Barmhartigheid’ een soort eerste instructie aan de leken, hoe je kon leven in lijn met Gods geboden. Die instructie werd hen niet alleen in preken en betogen voorgehouden, maar ook door allerlei schilderijen en fresco’s in kerken ingeprent.

Deze weken volgen wij niet de volgorde van de ‘Werken van Barmhartigheid’ zoals ze uit Matteüs 25 zijn af te leiden, maar de thema’s zoals ze deze weken aan de orde komen vanuit ‘Kerk in Actie’. We beginnen deze week met het thema ‘De zieken bezoeken’.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie.

 

Maandag 22 februari 2021 – Elsje Pot

Vaak voel ik schroom om bij een zieke op bezoek te gaan, zeker bij ernstig zieken of stervenden, die omringd worden door familieleden. Altijd vraag ik me af: wil de zieke (en de familie) eigenlijk wel dat ik kom? Ik stel me dan voor dat ik zelf ziek zou zijn en wie ik dan aan mijn bed zou willen zien. Ik heb niet de indruk dat een dominee in dat rijtje voorkomt.

Slechts één keer liet een zieke mij door zijn lichaamstaal weten dat hij mij niet wilde zien. Aanvankelijk spraken hij en zijn vrouw met mij aan de eettafel. Toen hij zieker werd, kwam er een bed in de kamer. Als ik de kamer binnenkwam, ging hij demonstratief met zijn gezicht naar de muur liggen. Dit tot grote frustratie van zijn echtgenote.

Ondanks zijn afwijzing bleef ik komen. Ik snapte hem wel: hij wilde niet weten dat hij stervende was, dat had hij de arts laten weten. Er mocht niet over gesproken worden. Zijn keus om er het zwijgen toe te doen, hield zijn vrouw en kinderen in gijzeling. En dan kwam die eigenwijze dominee en die probeerde hem dan toch aan de praat te krijgen.

Op een keer riep de familie mij halsoverkop naar het ziekenhuis, het ging heel slecht. Toen bleek ook het onmogelijke van die ‘afspraak’. Zijn vrouw doorbrak het zwijgen liefdevol: “Ik hoor de engeltjes al voor je zingen”.

Hubertien Oostdijk

Over wie Valentijn precies is zijn de meningen verdeeld, er komen een aantal heiligen in aanmerking. Zeer waarschijnlijk is hij de marteldood gestorven op 14 februari.

Over deze heilige wordt gezegd ‘dat hij terecht door mensen wordt vereerd, maar dat zijn daden slechts bij God bekend zijn’.

Uiteraard weet de commercie een dergelijke dag handig uit te buiten!

Maar liefde is een belangrijk onderwerp, niet alleen de liefde tussen geliefden, maar wat mij betreft een dag waarop we extra lief voor elkaar zijn en waarin we stil staan bij de liefde die God voor ons mensen heeft.

In deze tijd merk je dat de lontjes korter worden, de lockdown duurt voort, het licht aan het eind van de tunnel is nog zwak en we weten niet wanneer we weer een beetje terug kunnen naar een wat vrijere samenleving, daardoor zie je een toename van agressiviteit. Laten we 14 februari in het bijzonder en alle dagen van het jaar eerst eens tot 10 tellen voordat we beginnen te mopperen, te schelden, met de middelvinger omhoog wijzen etc. Dat zou heel wat ellende kunnen besparen!

Laten we elkaar niet meteen veroordelen, maar met respect behandelen, ieder mens is namelijk in de ogen van God een geliefd mensenkind! Ieder mens is de moeite waard, kostbaar in Gods ogen en onze opdracht is daarom om elkaar als kostbaar en waardevol te beschouwen. Niet alleen op 14 februari dus, maar alle dagen!

Ik wens u en ons allen een liefdevol vervolg van 2021 toe!

Pierre Eijgenraam

Mijn geliefde oma overleed op 26 februari 1986. Haar overlijden maakte een grote indruk op mij omdat ik erbij was op het moment dat ze haar laatste adem uitblies (of misschien eigenlijk: niet meer uitblies).

Op dezelfde dag werd ook de Elfstedentocht gereden. Het was een merkwaardig contrast: de uitgelaten stemming in de woonkamer van het verpleeghuis waar iedereen bij de TV zat te juichen, en het kamertje daar vlak naast, waar we met een paar familieleden bij oma zaten te waken.

Drie dagen later zag de wereld er volkomen anders uit. Het was opeens lente geworden. Het zonnetje scheen, het was lekker weer! De krokussen wisten niet hoe snel ze in bloei moesten komen, de vogels zongen weer en de weilanden stonden in bloei.

Zelden heb ik me meer verwonderd over de veerkracht van de natuur. Waar waren al die bloemen en vogels geweest tijdens de strenge winter? Hoe hadden ze overleefd?

En ik dacht: het leven gaat verder. Ook zonder oma. Maar ik mis haar nog altijd.

 

 

Hubertien Oostdijk

In februari 1995 moest ik mijn kerkelijk examen doen, in de classis waar ik geboren ben. Een van de opdrachten was een door mij geschreven preek en liturgie verdedigen. Voor mij zat een groepje, heren dominees, die dachten dat het nodig was om het deze dame eens extra vervelend te maken.

Ik had in mijn liturgie het lied laten zingen ‘Eens komt de grote zomer’, lied 747. Het commentaar luidde dat ik dat lied niet mocht laten zingen, want het was winter! Ik heb de heren toen uitgelegd dat het misschien juist goed was om in de winter dit lied te laten zingen, als verlangen naar de zomer èn dat hier gesproken wordt over Gods Koninkrijk wat vergeleken wordt met een zomer. Zo ging het tijdens dat hele examen door, ik slaagde glansrijk maar hield er wel een winters gevoel aan over! Zeker als je de positieve verhalen van collega’s over dat examen hoorde.

Overigens was kerst 1995 -ik was ruim een half jaar dominee in Willemstad-  bitterkoud, een echte winter! Ik ging in de kerstnacht voor in de oude, koude Koepelkerk, ergens beneden voor mij, ik stond op een hoge kansel, zaten de gemeenteleden in een dikke winterse jas. Ik ging voor in een donkerblauw mantelpakje, een toga had ik toen nog niet en heb daar ongelooflijke kou geleden gedurende die dienst. Na de dienst ben ik bij vrienden weer op temperatuur gekomen! Het jaar daarop was het in de kerstnacht ook bitterkoud, het Hollands Diep was dicht gevroren, maar deze keer was ik voorbereid. Thermo onderkleding, een zwart broekpak en lang leve de koster een kruik bij mijn benen! Sindsdien is het voor mijn gevoel niet meer zo koud geweest!

 

Monique Maan

Ik las jaren geleden een boek van Hannemieke Stamperius, met de titel ‘Moeders Kindje’.

Stamperius is bij velen wellicht beter bekend als Hannes Meinkema. Onder dat pseudoniem heeft ze veel verhalenbundels en romans geschreven. Maar ‘Moeders Kindje’ schreef ze onder haar eigen naam, omdat het een boek is over haar eigen, grote verlangen om moeder te worden en haar weg naar het moederschap.

Ze ontmoet op die weg nogal wat weerstand: Waarom wil je als alleenstaande vrouw zo graag een kind? Hebben ouders die met z’n tweeën zijn niet veel meer recht op een (adoptie)kind dan jij? Je hebt toch een mooie carrière, waarom wil je dit dan ook nog? Enz. enz. Het zijn confrontaties die haar het gevoel geven dat ze volgens sommigen geen recht heeft op een kind en dus maar moet stoppen om er zo naar te verlangen.

En dan schrijft ze in haar boek: ‘De gedachte dat je niet kunt verlangen naar wat je niet kent, ontkent het wezen van het verlangen zelf.’ Je hebt als mens geen recht op een kind, maar je hebt wel recht op het verlángen naar een kind. En dat recht mag niemand je afnemen.

Het is een zin die me altijd is bijgebleven is. Je kunt als mens inderdaad zo verlangen naar wat je niet hebt en niet kent (een kind, of een partner, of een leven zonder ziekte of beperking). Dat niet kennen, en dus in feitelijke zin niet weten wat je mist, maakt dat verlangen niet kleiner.

En elk verlangen heeft recht van bestaan.

 

Al meer dan honderd jaar geleden, in 1908, werd voor het eerst een ‘week van gebed voor de eenheid’ gehouden, op initiatief van de Amerikaanse geestelijke Paul J.Wattson. Geleidelijk aan sloten steeds meer kerken en christenen zich aan bij dit initiatief, ook in Arnhem. Sinds een aantal jaren doet een zeer brede waaier van christelijke gemeenschappen mee: katholiek en protestant, vrijzinnig en orthodox, van hoog liturgisch tot ‘laat de Geest maar waaien’. Van 17 tot en met 24 januari zijn er in Arnhem elke dag één of meer vieringen in zeer uiteenlopende kerken. Voor alle informatie: www.weekvangebedarnhem.nl Via deze site kunt u ook alle vieringen ‘live’ meebeleven, in beeld en geluid. En zoals de organisatie meldt: ‘kerkshoppen wordt aangemoedigd!’.

Ook de berichten aan de thuisblijvers hebben deze week ‘bidden’ als thema.

Overigens gaat het in de bijdragen niet alleen over de week van gebed, maar ook over bidden in bredere zin.

 

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 18 januari, door Elsje Pot

 Als beginnend predikant moest ik erg wennen aan de verwachting van gemeenteleden. Ik had geleerd dat luisteren belangrijk was en dat bidden niet als een vroom toetje in elk gesprek moest opduiken. Na een aantal maanden werd ik door één van mijn ouderlingen aangesproken. Hij had eens geïnformeerd wat de gemeenteleden van de nieuwe dominee vonden: “Ze zegt zo weinig” en “Ze bidt niet”.

Ik leerde mezelf aan om, als ik niet het gevoel kreeg dat een gebed verwacht werd, te vragen of mensen samen bidden op prijs stelden. Op een ochtend besprak ik samen met een kersverse weduwe en haar kinderen de uitvaart van haar echtgenoot. De weduwe was tamelijk doof en het gesprek verliep daardoor moeizaam; de band met de kerk was in de loop van de jaren verwaterd. Tegen het einde van het bezoek vroeg ik of de familie een gebed op prijs zou stellen. Het antwoord was “Ja”.

Ik vouwde mijn handen en sloot mijn ogen en vroeg me ondertussen koortsachtig af hoe hard ik moest schreeuwen om de oren van de weduwe te kunnen bereiken. Terwijl ik daar nog over nadacht, begon de weduwe hardop te bidden. Ik weet niet meer wat zij bad, maar ik weet nog goed hoe ontroerend het was: voor mij, omdat ik me voor niets zorgen had gemaakt, maar zeker ook voor haar kinderen. Hun moeder, die net weduwe was geworden en waarmee het zo moeilijk communiceren was, bad uitgerekend nu het gebed dat zij kenden uit hun jeugd.

 

Arjen Hiemstra

Goede voornemens zijn al oud, in een artikel op www.nu.nl staat dat de Babyloniërs er in het jaar 4000 voor Christus al aan deden. Ze deden dan beloften aan hun goden aan het begin van het jaar om geleende objecten terug te brengen en hun schulden af te betalen.

Daar leest u trouwens nog meer dingen die u nog niet wist over goede voornemens die mensen maken aan het begin van het nieuwe jaar.

Ik hou niet zo van goede voornemens per 1 januari van een nieuw jaar. Volgens mij is het beste advies als je ooit in je leven iets wilt veranderen: begin er onmiddellijk mee en wacht er niet mee tot de magische datum van het nieuwe jaar. En doe kleine stapjes, las ik ergens, ga niet onmiddellijk heel anders leven.

Dat het jaar 2021, met of zonder goede voornemens, ons in ieder geval veel heil en zegen mogen brengen!

 

 

Elsje Pot

Door een goed voornemen wil je, denk ik, een betere versie van jezelf creëren. Ik ben heel slecht in het uitvoeren van goede voornemens. Nu verbind ik dat niet speciaal met een nieuw jaar, ik neem me op diverse momenten in het jaar van alles voor en meestal lukt het niet. Dus die betere versie van mezelf komt er niet.

Is dat erg? Ik heb besloten van niet. Het is heel frustrerend om goede voornemens te hebben gehad en telkens te moeten constateren dat het niet gelukt is. Ik probeer tevreden te zijn met die niet perfecte versie van mezelf. Daar lijd ik niet onder.

Eén van die herhaaldelijk mislukte voornemens is: de dag beginnen met iets ter overdenking. Collega’s schijnen de dag dikwijls zo te beginnen, dat schijnt het werk ten goede te komen. Ik heb inmiddels verschillende dagboeken in de kast staan en geen van alle een jaar lang op die manier gebruikt.

Op mijn bureau ligt het bijbel-leesrooster 2021, dat is er als goed voornemen op terecht gekomen. Ik heb er even ingekeken. Bij elke dag staat, soms in één woord een soort samenvatting van het te lezen gedeelte. Als ik nu eens probeer om op de dagen dat ik aan mijn bureau zit na te denken over dat ene woord of die paar woorden? Dan sla ik het bijbel-gedeelte over en maak ik het mezelf niet te moeilijk, ik ben benieuwd hoe lang ik dat volhoud.