Berichten

Pierre Eijgenraam

In de zomer van vorig jaar, na de eerste lockdown, mochten er weer 75 mensen op zondag naar De Kandelaar komen. Meestal bleef het bij ongeveer veertig, totdat er na de dienst weer koffie werd geschonken. Opeens zat de kerk weer ‘vol’. ‘Kennelijk is de koffie belangrijker dan de preek’, mopperden wij als predikanten. Het deed mij denken aan een kloosterbezoek van jaren geleden. Er was daar geen programma voor de gasten, behalve de dagelijkse gebedsdiensten en de maaltijden. Het koffie-uurtje liep vaak lang uit en was aanleiding voor mooie gesprekken. ‘Koffie, dat is toch eigenlijk het achtste sacrament van de kerk’, riep één van de gasten –pater jezuïet- op een dag. ‘Ja, of het derde’ zei ik –want de protestantse kerk erkent alleen avondmaal en doop als echte sacramenten. Daar hebben we nog lang over doorgepraat.

Koffie is veel meer dan alleen een kopje bruin warm water. Het schept gemeenschap en het biedt (een bakje) troost. Onder het genot van een kopje koffie wisselen we ervaringen uit, bekrachtigen we ons gevoel van bij elkaar-horen, komen we op adem en verzamelen we moed om verder te gaan. Het gaat niet om de smaak. ‘Het smaakt zo smerig en toch verlang je er steeds weer naar’ zei een medestudent eens over de koffie in de kantine van de VU. De Geest vindt altijd wel wegen!

Elke dinsdag tussen 12.00 en 14.00 uur is er gelegenheid om tot rust te komen in de Koepelkerk en om 12.30 uur is er een korte middagpauze-viering als onderdeel van de Open Kerk met muziek, stilte en bezinnende woorden en het branden van een kaarsje.
Dit is een gemeenschappelijk initiatief van de Koepelkerk en de Protestantse Gemeente Arnhem.
Koepelkerk, Jansplein 60
elke dinsdag van 12.00 – 14.00 uur

Pierre Eijgenraam

 Het was kort voor Kerst, dat ik in een verpleeghuis bij het sterfbed zat van een trouw gemeentelid. Zijn vrouw en kinderen zaten om hem heen en zongen liederen van Johannes de Heer:

‘Heerlijk klonk het lied der Eng’len,

in het veld van Ephrata:

ere zij God in de hoge,

looft de Heer, Halleluja!

Vrede zal op aarde dagen,

God heeft in de mens behagen;

zalig, die naar vrede vragen,

Jezus geeft die, hoort Zijn stem!’.

De oude heer G. leek het niet te horen, hij dommelde telkens weer weg, totdat er in de verte een carillon begon te spelen. Hij schrok wakker, met lichtjes in zijn ogen en hij sprak vol verwachting: ‘Ben ik er al?’

Veel mensen zullen dit een grappig verhaal vinden, maar voor mij was het ontroerend om erbij te zijn. En nog altijd kan ik het ‘heerlijk lied der englen’ niet horen zonder tranen in mijn ogen te krijgen.

‘Zalig wie in Christus sterven’, zegt een ander lied en bij dit sterfbed heb ik dat gezien. Ooit hoop ik ook met dezelfde overgaven en hetzelfde vertrouwen dit leven te mogen verlaten –al mag het nog best een poosje duren.

Ik weet niet of mijn dierbaren over een jaar of dertig de liederen van Johannes de Heer nog zullen kennen. Maar ze mogen ook ‘alles wordt nieuw voor me zingen’. En daarna hoop ik het te zien.

Elsje Pot

Opnieuw beginnen of nog liever: met iets nieuws beginnen, ik houd er wel van. Maar dat is wel iets anders dan ‘alles wordt nieuw’. Voor dat laatste denk ik toch echt meer aan wat ons eventueel na dit leven te wachten staat. Ik kan me niet voorstellen dat in dit leven alles nieuw wordt voor mij. Hoeveel er ook kan veranderen: verhuizen, pensioen, verlies, ander werk, geboorte, je brengt toch altijd ook je oude zelf mee en ik vermoed dat het oude zelf er pas niet meer is na dit leven.

Toch zou het best wel leuk zijn als in dit leven alles nieuw zou kunnen worden. Ik denk aan een wereld waarin mensen als zusters en broeders met elkaar samenleven. Een wereld waarop alle mensen de aarde koesteren, beschermen en bewaren, zodat de generaties na ons er ook nog plezier aan beleven. Een samenleving waarin de kleur van je huid of genderidentiteit geen reden meer is om mensen buiten te sluiten of te discrimineren, een wereld waarin niet alles zo ongelijk verdeeld is en waarin niemand bang hoeft te zijn.

Ik vrees dat het een droom blijft, maar ik hoop dat er desondanks steeds weer mensen zijn die iets van die droom waarmaken, dat er plekken zijn waar dat kan, plekken waar de droom van ‘alles wordt nieuw’ levend gehouden wordt. En het zou mooi zijn als ook de kerk, de geloofsgemeenschap zo’n plek zou willen en kunnen zijn.

Pierre Eijgenraam

Mijn echtgenote gaat er prat op dat ze Montessorionderwijs heeft genoten en ‘dus’ niets weet van topografie. ‘Arnhem, waar is dat eigenlijk?’ vroeg ze bij onze eerste kennismaking. Pas toen ze snapte dat het ‘vlakbij Ede’ ligt (waar haar oma woonde), kon ze zich er iets bij voorstellen….

De eerste helft van mijn Arnhemse jaren werkte ik in en rond de Opstandingskerk in Arnhem-Noord; die nieuwe naam krijg ik nog niet uit mijn strot… Het is er prachtig: de parken, het bijna ongeschonden negentiende-eeuwse Sonsbeek­kwartier en de bijzondere architectuur van de Geitenkamp. Het spannendst vond ik aanvankelijk de heuvels. Ik probeerde de steilste hellingen te vinden en daar fietste ik dan zo hard mogelijk tegenop. Later leerde ik juist hoe je die steilste hellingen kunt vermijden om ervoor te zorgen dat je niet volkomen bezweet op je afspraak arriveert.

In 2007 maakte ik de overstap naar Arnhem-Zuid. ‘Dat je na zoveel jaren iets anders wilt’, zei een gemeentelid tegen mij, ‘dat snap ik wel. Maar Arnhem-Zuid????’

Voor sommige Arnhemmers bestaat ‘Zuid’ eigenlijk niet. ‘Ze zien het als de lintbebouwing langs de weg naar Nijmegen’, placht mijn voorganger te zeggen. Toch kent ook Arnhem-Zuid verrassend mooie plekjes. Park Immerloo, de uiterwaarden, het oude dorp Elden, Meinerswijk en de Stadsblokken (God verhoede dat ze het daar gaan volbouwen of opleuken)… Allemaal de moeite waard om te ontdekken!

Maar het boeiendst aan Arnhem zijn de mensen; in Noord en in Zuid! Daar raak je nooit op uitgekeken…

In deze dagen staan we op verschillende plaatsen en tijden in Arnhem stil bij de luchtlandingen en de aansluitende oorlogshandelingen in september 1944. We herdenken met name hoe er hard werd gevochten om de brug over de Rijn over de Rijn te bezetten en in handen te houden. En we herdenken ook hoe, toen dat mislukte, het door de geallieerden veroverde terrein ten koste van vele mensenlevens uiteindelijk toch uit handen gegeven moest worden.

Deze week is daarom het thema ‘Arnhem’ gekozen. Die toen zo zwaar beschadigde stad, staat volop in het middelpunt. In sommige bijdragen wordt verwezen naar deze oorlogsperiode.

‘Arnhem’ roept niet alleen herinneringen op aan vroeger, bepaalde plekken spreken tot de verbeelding door wonen en/of werken, belevenissen.

 

Met vriendelijke groet, Arjen Hiemstra

 

Maandag 20 september, door Monique Maan

Mijn oma (de moeder van mijn vader) werd in 1898 in Arnhem geboren, aan de Bronbeeklaan. Rond 1918 leerde ze mijn opa kennen. Hij kwam uit Schiedam, maar was als soldaat in Arnhem en volgens de familieoverlevering hebben ze elkaar in de kerk leren kennen. Ze trouwden in 1919 en verhuisden naar Sommelsdijk, op Goeree Overflakkee, waar ze samen een slagerij begonnen.

Eind 2000 verhuisden Peter en ik met onze kinderen vanuit Harmelen naar Arnhem. En toen pas realiseerde ik me wat een enorme overgang die verhuizing van Arnhem naar Sommelsdijk voor mijn oma geweest moet zijn! Als jonge vrouw uit de stad zit je ineens als slagersvrouw in een klein dorp op een eiland (dat toen ook nog echt een eiland was!), er was geen telefoon, en door de zaak en de kinderen die al snel geboren werden was er nauwelijks gelegenheid om nog eens voor familiebezoek richting Arnhem te gaan. Wat heeft ze meegekregen van de slag om Arnhem? Hoeveel zorgen heeft ze zich gemaakt om haar dierbaren hier?

Mijn oma was al overleden toen wij in Arnhem kwamen wonen, maar wat had ik het graag nog eens met haar over al die dingen gehad.

 

Jos Hordijk

Mijn lagere schooltijd, een wereld van verschil met nu. Wij zaten met te veel kinderen in de klas, twee aan twee in een schoolbank en we werden gedrild. De lesstof werd erin gestampt. Als we naar de wc moesten staken we twee vingers op en wachtten tot de meester of juf toestemming gaf om te gaan. We begonnen en sloten de dag af met gebed. Maandagmorgen psalmversje opzeggen. Daar denk ik positief aan terug omdat ik al die melodieën voor het leven opgeslagen heb en zingen altijd fijn heb gevonden. Iets creatiefs was er niet bij, inspraak kregen we niet, werden we gezien? Dat kwam een generatie later.

In de jaren 70 zaten de kinderen in groepjes aan stoeltjes en tafeltjes. Er waren goed verzorgde methodes. Er was handwerken voor de meisjes en knutselen voor de jongens, niet zo feministisch, maar toch. Er waren tien minuten gesprekken. School was in die jaren leuker en beter voor kinderen. Ze kregen aandacht en leerden spelenderwijs.

En nu in 2021 Corona, kinderen achter hun laptop thuis, als ze geluk hadden hielden hun ouders toezicht op hun schoolwerk en als ouders dat niet konden ging het vaak mis. Sommige kinderen verdwenen uit beeld, niet alle ouders wisten dat er noodopvang was. De klassen zijn weer groot.  Er is een leraren tekort en werkdruk. Passend onderwijs blijkt niet zo’n succes.

Zo kent elke generatie zijn eigen goede of slechte schoolperiodes.

Ik lig er niet wakker van, maar maak me soms wel zorgen. God weet komt het goed.

‘De scholen zijn weer begonnen!’ Borden met deze feestelijke (?) mededeling zijn op dit moment overal in de stad te zien. Ze zijn vooral bedoeld als waarschuwing aan het passerend verkeer om extra goed op te letten. Niet alleen op al die kleine kindertjes die voor het eerst op de fiets of lopend naar school gaan, maar ook op brugklassers met veel te grote tassen en pubers die zich meestal in kuddes verplaatsen.

Met vriendelijke groet, Pierre Eijgenraam

 

Elsje Pot:

Het leukste van de middelbare school vond ik vroeger het begin van het nieuwe schooljaar. Voor de vakantie was afgelopen ging ik naar V&D en zocht een schoolagenda uit. Het werd elke keer een Ryam schoolagenda, toen nog rijkelijk geïllustreerd met cartoons, spreuken en foto’s van popsterren. Ik besteedde veel aandacht aan het invullen van alle rubrieken in die agenda’s: lesroosters, vakanties, cijferlijsten en natuurlijk ook het huiswerk. Aan het eind van het school jaar zag die agenda er niet meer uit: vol gekriebeld met hartjes, tekeningetjes en al het andere wat in het leven van een middelbare scholier belangrijk is.

Er moest ook kaftpapier komen, etiketten, schrijfpapier, soms een nieuwe multomap, tabbladen en een geodriehoek. Al met al moest daar de nodige zorg aan besteed worden, want je moest een heel schooljaar tegen zo’n agenda en dat kaftpapier en die multomap aankijken. Gummetje, potloden, pennen, puntenslijper en in de eerste klas een passer en een etui, het maakte het begin van het nieuwe schooljaar toch elke keer weer heel feestelijk.

De eerste klus was het ophalen van de schoolboeken en het lesrooster en dan begon het boekenkaften. Daarna kwam de regelmaat van het naar school gaan en huiswerk maken. Eigenlijk was het leukste van school de gezelligheid, het stiekem kletsen en giebelen onder de les met m’n vriendin en de pauzes. In de afgelopen anderhalf jaar heeft dikwijls juist die vanzelfsprekende ongecompliceerde gezelligheid ontbroken, ik gun alle scholieren een schooljaar zonder zorgen over bijkomende beperkingen.

Arjen Hiemstra

“Christelijk onderwijs is onderwijs dat mensen kansen geeft”, zei een leraar godsdienst mij ooit in een ver, ver verleden. Daar bedoelde hij mee dat dit onderwijs mensen kans geeft een weg in te slaan, die je misschien op grond van je afkomst niet zou verwachten. Dubbeltjes werden toen ook al vaak geen kwartjes. Toen mijn ouders de hoofdonderwijzer lieten weten dat mijn broer naar het VWO zou gaan – en dat heb ik geloof ik al eens verteld – werden zij door de hoofdonderwijzer meewarig aangekeken. Dat had hij op grond van de afkomst van mijn ouders niet verwacht.

Je kunt je afvragen of kansen geven  nu hét kenmerk van christelijk onderwijs is en of dat onderwijs nu wel mogelijk is – daar wil ik het vandaag niet over hebben. Maar toen ik nadacht over inclusief samenleven, kwam die uitspraak van de godsdienstleraar bij mij boven. Ik zou de uitspraak willen toepassen op inclusief samenleven: “Inclusief samenleven is samenleven dat mensen kansen geeft” En die kansen brengen mensen op een weg die je op grond van hun afkomst misschien niet zou verwachten.

Natuurlijk, er zijn veel mensen die uit omstandigheden komen die geen garantie bieden voor een goede toekomst: discriminatie, emotionele verwaarlozing thuis, leefsituaties die veel mensen liever anders zien, geweld in velerlei vorm. Die omstandigheden kunnen wij niet allemaal verbeteren. Maar we kunnen mensen wel kansen bieden, vertrouwen geven, ruimte scheppen om opnieuw te beginnen. Dat lijkt mij een mooie taak voor ons mensen. Of we ons nu christelijk noemen of niet.

Jos Hordijk

De  Salvatorkerk , waar is die ook alweer?  Even kijken? Voor een uitje grijpen wij ieder idee aan.  En zo stappen we op een mooie zonnige woensdagochtend op de fiets richting Zuid. Was het nu voor of achter die Shell pomp? Achterlangs en rechtsaf rijden we zo het inclusieve leven in. Een straatmuzikant bezingt mijn rode pet en spoort mijn ‘vriendin’ aan lekker achter mij aan te fietsen en dan een visje te kopen. Het krioelt van de mensen, bedekt, onbedekt, lange broeken, korte rokken en alles daar tussen in. We kijken elkaar aan en genieten. We wanen ons in Den Haag waar we net weer een maand naar toe zijn geweest. Grote stad aan zee, lekker op de tandem fietsen door de Schilderswijk. Op zondag naar de RK kerk. De eerste keer dat wij daar waren hoorden we belletjes en kwamen er drie heren van kleur op. Een mis met drie heren.

Terug naar de markt in Malburgen. ‘Dat gaan we vaker doen’ zeggen we tegen elkaar nadat we een visje gekocht hebben. Het was één van de leuke ontdekkingen in dit bijzondere Coronajaar. We vonden de ingang van de Salvatorkerk ook. Hier vergaderde ik vroeger vaak met de werkgroep van de Thomasviering onder de bezielende leiding van Han Hoekstra. Ik moet ineens denken aan de Martinuskerk. Een multiculturele plek.  Salvatorkerk, markt, herinneringen, inclusief samenleven.

Wij zochten de kerk, we vonden de markt met volop inclusief leven. Hoe zou dat er  in de Salvator- of in de Nieuwe kerk uit zien?