Berichten

Arjen Hiemstra

Bij ons thuis zeiden ze dat je het maar moest geloven. Dat God de aarde in zes dagen schiep, dat God van alle dieren op aarde er tenminste één paar de ark liet binnengaan, dat de toren van Babel echt gebouwd was en … Als Gereformeerde jongen wilde ik dat aanvankelijk best geloven. Toch knaagde er wat, want dat kon toch allemaal niet waar zijn?

Daarom was ik blij dat het allemaal onderzocht werd op de universiteit en dat er was ontdekt dat het in werkelijkheid toch vaak anders was gegaan. Maar dat het er in de Bijbel ook helemaal niet om ging dat de verhalen de geschiedenis beschreven. De Bijbelverhalen waren de weerslag van de ervaring die mensen met God hadden, ze brengen onder woorden waar de bijbelschrijvers in geloven. Maar die Bijbelverhalen mocht je met een historische blik best kritisch bekijken.

En dat heb ik ook veelvuldig gedaan: Bijbelteksten gelezen, verhalen ontleed en dikke commentaren ernaast gelegd. En gereconstrueerd en uitgelegd hoe het moet zijn geweest. En ik was opgelucht dat ik het niet allemaal blind hoefde te geloven. En mijn eerste preken bleven daar wel eens in steken: in een zoeken naar hoe het allemaal was gegaan.

Dat was toch wel een beetje kaal: al dat spitwerk. Na verloop van tijd realiseerde ik me dat de Bijbelschrijvers altijd bij een ervaring met God waren begonnen. Waar zat die godservaring? En was die godservaring ook nu nog invoelbaar voor mij? Kon dat ook een geloofservaring voor mij worden? En die zoektocht leverde mooie gezichtspunten. Ze gaat nog steeds door.

Jos Hordijk

De coronatijd beleven wij niet als een verloren jaar. Wij zijn gepensioneerd en brengen onze dagen door met nuttige dingen doen. Voor het bijhouden van de actualiteit nemen wij ruim de tijd. Mijn partner wandelt en als ze een uur gelopen heeft belt ze mij, dan haal ik haar op aan de rand van het park en kuieren wij samen naar huis. We drinken eens wat, we eten gezellig samen, we doen wat huishoudelijk werk en ik help graag telefonisch een kleinkind met zijn huiswerk. Ik bel eens iemand en schrijf een mail of een stukje voor de thuisblijvers. Ik corrigeer een werkstuk en haal een kleinkind uit de BSO. Er is  altijd wel iets te doen.

Toch zou het minder aangenaam zijn als er geen stipjes op de horizon waren. Hoe zal het gaan met ons land, met de politieke cultuur? Hebben we er nog vertrouwen in? Wat zou het fijn zijn als de kinderen weer alle dagen naar school konden en de studenten naar hun opleiding, als ik mijn schoonmoeder weer eens een echte knuffel mocht geven. Ze zou zo graag nog eens naar de kerk gaan en wat mensen thuis ontvangen. Mogen 70 jarigen nu echt zelf afspreken voor een vaccinatie? Kunnen we deze zomer weer voorzichtig op vakantie gaan? Zal het goed komen? Daar moet ik op vertrouwen, dat wil ik. Zonder vertrouwen wordt het ‘eerst zien en dan geloven’.

 

Monique Maan

Het algemene beeld van discipel Thomas is niet zo positief. Hij staat vooral bekend als degene die er niet aan wil. Hij laat zich niet zomaar overtuigen dat Jezus inderdaad de opgestane en levende Heer is. Ze kunnen hem nog meer vertellen. Eerst zien en dan geloven.

Maar Thomas is zoveel meer dan alleen deze uitspraak. Denk bv aan een ander verhaal in het Johannesevangelie waar we hem tegenkomen: het laatste gesprek van Jezus met zijn leerlingen. Daar zegt Jezus: ‘Ik ga weg om jullie een plaats te bereiden en kom dan terug. Jullie kennen de weg waar ik heen ga.’ Thomas reageert: ‘We hebben geen idee waar u naar toe gaat, hoe zouden we dan de weg weten?’

Thomas is degene die doorvraagt waar de anderen het wellicht niet durven. Hij vraagt door, en niet uit twijfel of ongeloof, maar omdat hij zo graag mee wil doen en betrokken wil zijn!

Als Thomas in Johannes 20 uitspreekt hoe graag Hij Jezus zou willen zien en aanraken om te kunnen geloven dat Hij er echt is, dan is dat naar mijn idee door datzelfde verlangen ingegeven. Het verlangen dat zo graag wil dat het wáár is! Ik pleit dan ook voor een nieuwe naam voor Thomas: niet meer de ongelovige, maar de verlangende.

 

PS Opvallend trouwens dat Thomas het 1x over zien heeft, en 2x over voelen.  Aanraken is voor hen kennelijk van grotere waarde dan zien. Hoe herkenbaar in deze coronatijd waarin we dat aanraken zo missen!

 

Pierre Eijgenraam

‘Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is dat ook meestal zo’, las ik op Marktplaats.nl. Natuurlijk geef ik iedereen gelijk die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen: ‘Eerst zien en dan geloven!’. Er is al meer dan genoeg zwendel en bedrog in de wereld. Niet alleen in de handel overigens, ook in de religie.

Wat dat betreft, verdient apostel Thomas eerherstel. In plaats van ‘de ongelovige Thomas’ kunnen we hem ook ‘de verstandige Thomas’ noemen, die niet gevoelig is voor religieuze kwakzalverij.

Toch wil ik niet vergeten dat Jezus heeft gezegd: ‘zalig zij die niet zien en toch geloven!’  Het leven wordt wel erg plat als we alleen maar geloven in wat we zien, in wat we kunnen bewijzen en wat we kunnen narekenen. Ik houd een zwak voor de mensen die een droom durven najagen, voor mensen die niet kiezen voor het grootste geld of de meeste zekerheid, maar die hun hart durven te volgen.

‘Wie het mogelijke wil bereiken moet streven naar het onmogelijke’ zegt een bekende management-wijsheid. Maar dat bedoel ik niet, want dat is alleen een omweggetje om toch het maximale resultaat te bereiken.

De middeleeuwse dominicaan Meester Eckhart (1260-1328) schreef over het leven ‘zonder waarom’. In liefde, kunst, geloof en in het leven zelf gaat het niet om het nut of de winst die je daaruit kunt halen. Het hoeft niet bewezen te worden. De Heer is waarlijk opgestaan!

Kees van Keulen

Psalm 151

  1. Heer, onze Heer, waar bent U?

Hoe moet ik in U geloven als ik U niet zie?

 

  1. Waar was U toen uw volk werd uitgemoord?

Hoorde U uw kinderen, toen ze in doodsnood tot U riepen?

 

  1. Kon U het aanzien of was U ver weg?

Huilde U, verdroeg U het of was U ergens anders?

 

  1. Kon U niet ingrijpen,

voorkomen dat uw volk werd vergast, tot as verbrand?

 

  1. Waar was U toen een moeder haar kind verloor,

het op de zoektocht naar een veilige haven niet tegen verdrinking kon beschermen?

 

  1. Zag U wat er gebeurde toen een kind aan een ziekte overleed,

zijn ouders hun kind voor altijd moesten missen?

 

  1. Ze zeggen dat U liefde bent,

ons altijd met uw zorg omringt.

 

  1. Er wordt gezongen: “Ga met God en Hij zal met je zijn”.

U zou alle dagen bij ons zijn.

 

  1. Hoe moet ik dat geloven?

Had uw volk U verlaten, zocht het geen omgang met U, of had U uw volk verlaten?

 

  1. Hoe kan ik op U vertrouwen?

Heb ik U verlaten, of hebt U mij verlaten?

 

  1. Ik heb ’s nachts tot U geroepen,

honderd keer gebeden dat ik mocht voelen dat U er bent, bij mij bent.

 

  1. Grote stilte omringde mij,

niets van een suizende koelte was daar.

 

  1. Heer, onze Heer, waar bent U?

Hoe moet ik op U vertrouwen als ik U niet zie?

Het thema van deze week is ontleend aan de geschiedenis van Jezus en Thomas. Thomas gelooft pas dat Jezus is opgestaan als hij zijn vingers in de wonden van Jezus hand en zijn eigen hand in de wond in de zij van Jezus kan leggen (Johannes 20, 24-29) Daarop zegt Jezus: “Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven”.

Bij Thomas gaat het over het geloven in de opstanding van Jezus. Dat wil hij eerst nog wel eens zien.

Deze week gaan de berichten voor thuisblijvers over ‘Eerst zien, dan geloven’.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 19 april – Elsje Pot

Niet alles in het leven laat zich afdwingen: liefde en geluk bijvoorbeeld en ook geloven hoort daarbij. Je kunt mensen vertellen over geloof, wat het voor jou betekent, je kunt Bijbelverhalen vertellen, je kunt ze uitleggen, maar daarmee breng je een ander niet automatisch tot geloof.

Ooit vertelde een gemeentelid mij hoe hij kort daarvoor aan zee was geweest, overspoeld werd door de golven en dacht te gaan verdrinken. Met tranen in de ogen vervolgde hij zijn verhaal, niet omdat hij bijna dood was gegaan, maar ontroerd omdat hij had ervaren dat het niet erg was om te sterven, het was prachtig mooi geweest. Die bijna-dood ervaring gaf hem een vaster fundament onder zijn geloof, dan al die jaren waarin hij preken en Bijbelverhalen had gehoord.

Is dit een voorbeeld van ‘eerst zien en dan geloven’? Wat was er nu werkelijk te zien geweest? Objectief waarneembaar is zo’n bijna-dood ervaring niet. Geloven heeft met vertrouwen te maken en iets van God ervaren kan dat geloof versterken. Daarvoor hoef je echt niet een bijna-dood ervaring te hebben: ook een kracht, een licht, een stem, verwondering, nieuwsgierigheid, troost of rust kunnen dat bewerken. De gemeenschappelijke deler in de verhalen die ik hierover hoorde en zoals ik het zelf ervaren heb, is: het kan je zomaar overvallen.

Soms zeggen gelovige mensen: ‘als ik er maar meer van zou merken…’. Wat zou dat toevoegen? Of betekent zo’n uitspraak eigenlijk: ‘ik wil het eerst zien, dan kan ik pas geloven…’?

‘Kleren maken de man’, zegt het spreekwoord, en voor vrouwen is dat vast niet veel anders. Trek een net pak aan en je voelt je opeens héél belangrijk, doe je sportkleren aan en je bent twee keer zo fit als een half uurtje daarvoor. En wie vindt het niet fijn om op een feestje ook ècht feestelijk voor de dag te komen?…

Maar wat nu als je geen kleren hebt, of niet de juiste? Tijdens mijn stage in Nicaragua heb ik me er vaak over verwonderd dat de mensen er (bijna) allemaal zo netjes uit zagen. Hoe kan dat in één van de armste landen van de wereld? Het antwoord ontdekte ik in de tijd daarna: juist wie arm is, laat dat liever niet zien. Je doet je uiterste best om er –voor jezelf en voor anderen- zo goed mogelijk uit te zien. 

‘De naakten kleden’… Dat heeft dus iets te maken met menselijke waardigheid en met het beschermen daarvan. Soms in letterlijke zin: er zijn kledingbanken waar mensen voor een sollicitatiegesprek nette kleren kunnen uitkiezen. Maar evenzeer in figuurlijke zin door mensen niet te vernederen of belachelijk te maken. Je medemensen altijd met respect behandelen; misschien is alleen dat al een manier om ‘de naakten te kleden’…

 Nog iets heel anders: Mijmerend over dit thema kwam mij ook het sprookje in gedachten van de keizer zonder kleren. Politici op campagne beloven ons van alles en doen zich gewichtig voor. Maar bij sommigen is het ‘veel geblaat en weinig wol’; de mooie praatjes hebben niet bij allen veel om het lijf. Aan ons allen de uitdaging om daar doorheen te kijken en deze week in het stemhokje (of per post) de juiste keuze te maken!

 

Met een hartelijke groet van de redactie,

 Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra

 

Maandag 15 maart, door Arjen Hiemstra 

De naakten kleden: ik heb er niet zo’n beeld bij wat we nu precies moeten doen. Ja, eens hoorde ik het verhaal van hoe de zoon van een dominee (het was niet mijn zoon) na zijn werkvakantie uit Costa Rica terugkwam en alleen nog zijn korte broek en een shirtje en sandalen aanhad. De rest had hij bij de arme kinderen gelaten. Hij is later een beroemde televisiepresentator geworden.

En natuurlijk ken ik ook het verhaal van de heilige Sint Maarten die als soldaat op zijn paard de helft van zijn mantel schonk aan een arme bedelaar die hij tegenkwam bij de poort van de stad Amiens. De omstanders lachten hem vervolgens wel uit, maar in de nacht verscheen hem in zijn slaap Christus, die bekleed was met het stuk mantel dat hij had afgestaan.

De naakten kleden: ik heb eens een dementerende mevrouw in het verpleeghuis waar ik werkte proberen duidelijk te maken dat ze kleren moest aantrekken en niet bloot over de gang moest lopen omdat andere bewoners dat vervelend vonden. Dat had ik beter niet kunnen doen, want toen werd ze kwaad op mij.

Het werk van barmhartigheid over de naakten kleden lijkt in ieder geval te betekenen dat je er veel voor over moet hebben. En dat je je geen zorgen moet maken over je eigen decorum. Want het kan zijn dat jaren later nog verteld wordt hoe raar dat is, dat je uitgelachen of boos benaderd wordt op het moment dat je er iets mee doet. Maar misschien geldt dát ook wel voor alle Werken van Barmhartigheid.

Het thema is deze week: ‘De vreemdelingen onderdak bieden’.

Misschien is het wel een spannend thema in de wereld van vandaag, de vreemdelingen onderdak bieden. Er is heel wat (politiek) gedoe over welke vreemdelingen wel zich mogen vestigen en voor welke vreemdelingen dat niet geldt. En groepen in onze samenleving staan op dat punt lijnrecht tegenover elkaar. Want velen zijn op drift geraakt en onze mogelijkheden zijn beperkt. Wat kan wel en wat kan niet?

In de Bijbel is de houding ten opzichte van vreemdelingen altijd een beetje dubbel: aan de ene kant wordt er de nadruk gelegd dat de Israëlieten zorgvuldig met de vreemdeling omgaan – en altijd weer komt om de hoek kijken dat ze zelf ook vreemdelingen zijn geweest. Aan de andere kant moeten de vreemdelingen zich gedragen naar de wetten van Mozes. En dan lees je in de voorschriften van de Thora dat het streng verboden is dat vreemdelingen meedoen aan de Pesachmaaltijd.

De schrijvers van deze berichten aan thuisblijvers hebben zich weer over dit thema gebogen en vanuit hun eigen ervaringen een bijdrage op papier gezet. Een breed palet aan gedachten komt in deze Berichten tot ons. Sommige berichten leiden tot verwondering en verbazing. In andere bijdragen worden er kritische vragen gesteld. En tenslotte blijkt vluchten en tot vreemdeling worden soms dichterbij dan je denkt.

Veel leesplezier!

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 8 maart – Elsje Pot

Mijn allereerste preek ging over vreemdelingen (en bijwoners). Mij is bijgebleven dat wij op aarde allemaal vreemdelingen en bijwoners zijn, we hebben de aarde, de grond, het land te leen. Alleen gedragen wij er ons meestal niet naar.

Is er een verschil tussen je vreemdeling voelen en vreemdeling zijn? Je kunt jezelf in een gezelschap, waar je niet echt uit de toon valt, toch een vreemdeling voelen. En ik voelde me in Marokko, waar ik wel uit de toon viel, niet thuis. Het is al meer dan 30 jaar geleden, maar het contrast tussen de omstandigheden waaronder de Marokkanen leefden en de manier van leven, die ik gewend was, maakte dat ik me daar volstrekt misplaatst voelde.

Nog langer geleden studeerde ik in Amsterdam en woonde in Amsterdam oost. Een buurt met mensen uit alle windstreken werd 3 jaar ‘mijn thuis’. Erg tof om ’s avonds in het donker alleen de deur uit te gaan, vond ik het niet. Om mijn angst te trotseren leerde ik mezelf aan om voorbijgangers te groeten en ik zal nooit de verbaasde, teruggroetende en vaak ook blije gezichten vergeten als ik “goedenavond” zei. Het maakte mij beschaamd, omdat ik mij realiseerde, dat de passanten gewend waren om niet gezien te worden.

Een vreemdeling word je in de ogen van een ander, ik kan me voorstellen dat het dan ook zo gaat voelen. Het is steeds opnieuw een uitdaging om alles wat anders is dan ik gewend ben niet als vreemd weg te zetten.

Met het thema van deze week ‘de dorstigen laven’ kun je weer verschillende kanten op. Sommigen denken aan bier, anderen aan ‘dorst naar God’. Bij nadere beschouwing liggen die uitersten misschien toch minder ver uit elkaar dan het kan lijken.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 1 maart, door Monique Maan  

Ik weet niet wat het betekent om echt dorst te hebben. Ik leef in een land waar altijd schoon, fris water uit de kraan komt. Als in de zomer een enkele keer de waterdruk wat afneemt, of als er door werkzaamheden een uurtje geen water uit de kraan komt –het haalt het niet bij de beelden uit Afrika, of uit vluchtelingenkampen. Honderden mensen die het met één kraan moeten doen. En dan maar hopen dat die niet kapotgaat, of dat de situatie niet zo onveilig wordt dat je er niet meer naartoe kunt lopen. Het zou niet moeten voorkomen, en daarom moet elke actie die erop gericht is om mensen wereldwijd te voorzien van schoon drinkwater op onze (financiële) steun kunnen rekenen.

Dat je in je geloofsleven dorst kunt hebben, daar kan ik me alles bij voorstellen. Als het leven zo hard voor je is, als je zo in beslag genomen wordt door wat je meemaakt en overkomt, dat het levende water je ziel niet meer kan bereiken. Het doet denken aan psalm 42: ‘Zoals een hert reikhalst naar levend water, dorst ik naar God, de levende God’ (Huub Oosterhuis).

Water als beeld voor inspiratie die je ziel laat sprankelen en alles weer laat stromen. Dat onze geloofsgemeenschap een plek mag zijn waar dat water gevonden kan worden.

Monique Maan

 Begin jaren negentig heb ik een keer het bekende bedevaartsoord Lourdes bezocht. We waren in de buurt op vakantie en mijn nieuwsgierigheid won het van mijn protestantse terughoudendheid. Het verhaal van Lourdes is dat Maria daar in 1858 aan het meisje Bernadette verschenen is en dat ze Bernadette een bron heeft laten ontdekken. Sindsdien wordt aan het water van die bron geneeskrachtige kwaliteit toegedicht. En dat zorgt ervoor dat er jaarlijks duizenden mensen naar Lourdes reizen in de hoop daar genezing van hun kwalen te vinden.

Aangekomen in Lourdes wist ik niet wat ik zag! Grote parkeerterreinen vol auto’s en bussen, winkels vol met jerrycans in allerlei maten om water van Lourdes mee naar huis te kunnen nemen, en talloze souvenirs met de afbeelding van Maria en/of Bernadette.

Maar toen we eenmaal door het hek gingen en op het terrein van de grot en de kerk kwamen, was daar een totaal andere sfeer. Mensen, soms op krukken of liggend in een bed dat geduwd werd door één van de tientallen vrijwilligers (vaak jonge mensen die met liefde en aandacht daar hun werk deden!). Er werd met elkaar gelachen, gehuild, gezongen, gebeden. Mijn argwaan smolt weg als sneeuw voor de zon. En nee, ik heb geen genezingen zien gebeuren. Maar dat het mensen goed doet om daar samen te zijn (en wie weet hoeveel moeite het hen gekost heeft om er te komen!), dát heb ik wel gezien en gevoeld. Het werk van barmhartigheid dat deze week centraal staat, zag ik daar in de praktijk.