Berichten

Komende zondag is er een viering in de Eusebius om 10.15 uur. Met natuurlijk aandacht voor vrede, de bijzondere plek en datum 77 jaar na de verwoesting van Arnhem.

Wilt u zeker zijn van een plek, meldt u dan aan via f.gerritsen24@upcmail.nl pas na bevestiging, weet u zeker dat u geplaatst kunt worden. We mogen maximaal 100 kerkgangers toelaten.

Elsje Pot

“Wil er nog iemand beginnen?” Ik weet niet hoe vaak dat zinnetje nog klinkt voordat er gegeten wordt. Aan mij wordt het nog wel eens gevraagd vooral door mensen, die weten dat ik predikant ben.

Ik vraag me nu opeens af waarom er gevraagd wordt: “Wil er nog iemand beginnen?” Waarom vragen we niet gewoon of iemand wil bidden? Is dit gebruik zo ingesleten omdat het vroeger in de meeste gezinnen gebruikelijk was om voor het eten te bidden? In 1899 was maar 2,3% van de Nederlanders onkerkelijk en 1975 gaf 26% aan zich niet meer tot een kerk te rekenen.

Als ik uit eten ben of in een groter gezelschap verkeer zal ik niet voor mezelf om stilte voor gebed vragen. Voor zover ik me kan herinneren, deden mijn ouders dat ook niet als wij vroeger als gezin uit eten gingen.

Toen wij zelf kinderen hadden beperkten wij bidden voor het eten tot de avondmaaltijd, we gaven elkaar daarbij een hand en dankten voor het eten. Dit ritueel was zo vertrouwd voor onze toen nog kleine jongens dat uit hun mond op de camping in Frankrijk klonk: “We moeten nog beginnen”. En als we thuis eters hadden, moesten zij, gelovig of niet, ook aan dit ritueel meedoen. Ik kan me niet herinneren dat er ooit iemand geweigerd heeft. Blijkbaar is een gebed waar kinderen je spontaan toe uitnodigen moeilijk te weerstaan.

 

Elsje Pot

Tijdens mijn studie raakte ik onder de indruk van de feministische theologie. Dat leverde ook wel wat dilemma’s op, want de Hervormde Kerk zoals die toen nog heette, was nou niet bepaald een vrouwvriendelijk instituut: op veel plekken bleek men nog niet aan een vrouwelijke predikant toe te zijn, terwijl het wel mijn ambitie was om er één te worden.

Onder feministische geestverwanten werd er vaak schamper gedaan over het instituut kerk, dus toen ik mijn ambitie verwezenlijkt had, verzweeg ik op studiedagen en andere bijeenkomsten van de vrouwenbeweging meestal dat ik in dat vermaledijde instituut werkzaam was.

In de kerk daarentegen werden mijn feministische denkbeelden door sommigen weer met argwaan bekeken. En omdat mijn doen en laten als vrouw, werkzaam in een destijds nog mannenomgeving toch al onder een vergrootglas lag, waakte ik ervoor te veel olie op het vuur te gooien. Zo kon ik bij de liedkeuze op het taalgebruik letten, maar het “Onze Vader” bleef ik gewoon bidden.

Onder het gehoor bij een collega hoorde ik hem bidden: “Onze moeder, die in de hemelen zijt…”. Na afloop vroeg ik hem of hij commentaar had gehad op deze woorden. Hij keek mij verwonderd aan en kon zich niet voorstellen dat je daarop zou worden aangesproken. Ik heb daar nooit voor gekozen. Ik ben het gebed gaan aankondigen met de woorden: “Samen bidden we het gebed dat Jezus leerde…”.

 

 

Arjen Hiemstra

Het ‘Onze Vader’ bidden we niet alleen voor ons zelf of in de kerk aan het einde van de gebeden, maar ook aan het einde van de dienst in het crematorium of op de begraafplaats. De laatste tijd merk ik dat daar steeds minder luidop wordt meegebeden door de aanwezigen. Een ouderling doet nog wel mee, een enkel kind van de overledene ook, maar de overige aanwezigen laten dat steeds vaker achterwege. Is dat nou erg?

“Ja natuurlijk is dat erg”, zult u zeggen: “dat laat zien dat mensen niets meer hebben met God nog gebod en dat is erg”. En ik zal niet ontkennen dat ook ik het jammer vind, dat mensen andere keuzes maken. Maar iemand ‘Onze Vader’ noemen, terwijl hij dat voor hen al jaren niet meer is, klinkt ook behoorlijk hypocriet. Dan kun je misschien ook maar beter je mond houden.

Erg vind ik het wel dat we in toenemend maten onze gemeenschappelijkheid verliezen. Dat we niet meer ‘Onze Vader’ kunnen zeggen, dat er geen gemeenschappelijk ritueel meer lijkt waarin we afscheid kunnen nemen van een dierbare. Dat er een cultuur verdwijnt, die misschien niet altijd geweldig was, maar die in ieder geval houvast gaf voor als je het even niet wist in je leven. Je kon nog ‘Onze Vader’ zeggen en het allemaal aan hem voorleggen.

Jammer! Het lijkt wel alsof je het nu allemaal zelf moet doen. En als je dat niet lukt, dan wordt je al snel geclassificeerd als (mentaal) ziek.

Ik houd het ‘Onze Vader’ er nog maar even in. Het geeft houvast.

 

Kees van Keulen

Ik vind bidden heel moeilijk. Te vaak heb ik meegemaakt dat “wensenlijstjes” werden ingediend. Te vaak werd een stortvloed aan bedankjes naar boven gezonden, terwijl ik dacht: Wie is hier aan het werk geweest? Of, zoals ik laatst (ver van hier) meemaakte, dat een moeder dankte voor de genezing van een dochter van kanker. Dan denk ik bij mezelf: Ga dat maar vertellen aan de moeder van wie de dochter wel aan kanker is overleden. Die moeder komt in ieder geval nooit meer in de kerk. Als iets goed gaat, bedanken we, als iets niet goed gaat, …

Gelukkig is er nog het Onze Vader. Dat bid ik geregeld.

Lang geleden was ik met mijn vader in een tweede dienst, aanvang 19.00 uur, in het Vooronder van de Zuiderkerk te Utrecht. De kerkzaal was inmiddels veel te groot. Voorganger was ds. R.A. Siertsema. Hij hield naar aanleiding van een “Zondag” uit de Heidelbergse Catechismus een preek over het Onze Vader. De catechismusprediking, zoals die toen al niet meer zo vaak voorkwam, vond mijn vader belangrijk. Wat ik mij van de preek herinner, is dat ds. Siertsema aangaf dat elke bede bij ons terugkomt. “Uw naam worde geheiligd.” Wat doen wij eraan om zijn naam te heiligen? “Uw koninkrijk kome.” Wat doen wij eraan? En zo verder.

Zou bidden er gemakkelijker door worden?

Pierre Eijgenraam

Mijn eerste gemeente was van huis uit heel traditioneel, maar mijn voorgangster had er, als eerste vrouwelijke predikant, veel vernieuwingen ingevoerd. Een van die vernieuwingen was het hardop bidden van het Onze Vader door de hele gemeente. Nou was ik zelf niet anders gewend, maar voor dáár was het ‘alwêr wat nijs’… Een van degenen die daar moeite mee had, was een oude Friese boer, een wijs en vroom man in de beste zin van het woord. Toen er later conflicten ontstonden rond ‘kinderen aan het avondmaal’ was hij een van degenen die er zelf niks in zag, maar toch in staat was de verontwaardiging te relativeren en het conflict te sussen.

Maar wat had hij nou tegen het hardop bidden van het ‘Onze Vader’? Het ging hem er niet om dat dat een ‘Roomse gewoonte’ was, zoals sommigen vonden. Maar, zei hij: ‘het zijn de woorden van de Heer, ik denk dat die te groot voor mij zijn’. Ik bracht daar tegenin dat Jezus die woorden zelf aan zijn leerlingen had geleerd, kennelijk met de bedoeling dat zij die ook zouden herhalen.

Pas nu vermoed ik dat hij het Onze Vader beter begreep dan ikzelf destijds. ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren’. ‘Uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op aarde’. Kun je die woorden niet alleen zeggen met de mond, maar ook met het hart? En, zoals de Friezen zeggen: ‘sizzen is neat, mar dwaen is in ding’.

Johannes Kon

In het kwartaalblad “De Verwondering” (voor hemelse wijsheid en aards geluk), uitgave van Kro – Ncrv, interviewt in nr. 3 / 2020 hoofdredacteur Annemiek Schrijver de oorlogschirurg Réginald Moreels.

Hij bidt volgens het artikel het “Onze Vader” (in de RK-versie) vaak vóór het opereren, maar denkt erbij (…) :

“Onze Vader die in de hemel(en) zijt” (maar die we graag wat meer op aarde hadden gezien); “Uw naam worde geheiligd” (maar kan een naam geheiligd worden en niet eerder een persoon ?); “Uw rijk kome” (we wachten er op); “Uw wil geschiede …” (… al ervaren ?) […]. “Vergeef ons onze schulden” (lost schuld bekennen wat op ?) […] (wij trachten meer te vergeten dan te vergeven); […]. “Verlos ons van het kwade” (neen, zet ons aan tot het goede …).

NB : door schrijver dezes (ajk) heel lichtjes geparafraseerd.

Het “Onze Vader” heb ik er in de mij ‘heilige’ Naardense Bijbel nog niet op kunnen naslaan, maar ik kan mij zo voorstellen, dat het daar anders luidt dan in de vertalingen uit het origineel bij het NBG / KBS of in de NBV.

Ik houd wel van het “Onze Vader”, maar dan nog liever in de ‘Aramese’ versie. Wanneer zou die alsnog  standaard worden in de PKN / PGA ?

En moeder Gaia i.p.v. Vader zou ook niet onredelijk en wellicht natuurlijker zijn.

Geschreven op 15 augustus : naar verluidt “Maria Hemelvaart”.

Jos Hordijk

Omdat ik in koren en kerken zing heb ik op verschillende manieren het Onze Vader leren zingen en zeggen. Regelmatig zing ik het kinderliedje ‘Onze Vader in de hemel maak alles nieuw. Geef uw naam aan deze wereld, maak alles nieuw. Breng uw koninkrijk tot leven, maak alles nieuw. Wees de hemel, wees de aarde, maak alles nieuw.

Op mijn huidige koor heb ik veel bewerkingen van het Onze Vader leren zingen. Allemaal grote stukken van Huub Oosterhuis, maar ik houd nog steeds van dit kleine liedje. Alles wat gezegd moet worden, wat belangrijk is staat erin en de melodie is licht. Ik denk dat we het ook in onze kerk wel eens gezongen hebben, dat zou best vaker kunnen.

Op een opleiding moesten we eens een prentenboek meebrengen en werd gevraagd wie iets wilde voorlezen. Ik las voor uit: De koning bouwt een huis. Het verhaal gaat over een naaktpad die zijn huis niet uit durfde te komen, ook niet toen de koning een feest gaf. De koning was verbaasd dat de naaktpad niet op zijn feest kwam opdagen en ging kijken waar hij bleef. Toen hij de naakte waarheid begreep bakte de koning een schild en werd naaktpad een schildpad die mee kon naar het feest van de koning.

De docent beoordeelde het verhaal heel positief omdat het vertrouwen in de koning de schildpad leerde de koning te vertrouwen en kinderen daardoor ontvankelijk zouden worden voor het geloof in Onze Vader.

 

Deze week staan we in het Bericht aan de thuisblijvers stil bij het ‘Onze Vader’, het gebed in Matteüs 6, 13 dat Jezus zijn leerlingen leerde te bidden toen zij hem vroegen, hoe te bidden.

Dat ‘vaderschap’ van God heeft trouwens wel een speciale kleur in Israël in Bijbelse tijden. Het herinnert aan de traditie van profeten en wijsheidsleraren die levenskennis hadden opgedaan en het volk daarin onderwezen. ‘Abba’, het Arameese woord waarmee Jezus zijn vader aanspreekt in gebeden is niet de huistiran die meent alles te kunnen bepalen.

Abba komt uit het Hebreeuwse ‘ab’ of ‘av’ en dat woord is weer ontstaan – leren de Bijbelgeleerden mij – uit het kindergebrabbel wat hele kleine kinderen uiten voordat ze taal geleerd hebben.

Misschien is dat wel een mooie gedachte: “we brabbelen maar wat richting onze God”. En zoals dat meestal bij ouders gaat: God begrijpt wel het gebrabbel van zijn kinderen.

 

namens de redactie: Arjen Hiemstra

 

Monique Maan

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik op vakantie niet zo’n trouw kerkganger ben. Maar een enkele keer komt het er toch van, en zeker in het buitenland blijkt het dan toch altijd weer een bijzondere ervaring te zijn om een dienst mee te maken op een vreemde plek, en in een vreemde taal. De liturgie zit globaal genomen op dezelfde manier in elkaar als bij ons, en melodieën klinken soms verrassend vertrouwd. Maar het meest ontroerend vind ik het samen bidden van het Onze Vader. Te weten dat die anderen in hun taal hetzelfde bidden als ik in mijn taal geeft me zo’n ongelooflijk gevoel van verbondenheid. Dan ervaar ik de kerk als gemeenschap van Gods kinderen van alle plaatsen.

In de Diaconessenkerk hebben we ooit met een Pinksterviering het Onze Vader in allerlei talen (door elkaar heen!) gebeden. Er klonk Frans, Duits Engels en Spaans. Er waren Friezen en Zeeuwen. Er was iemand die het bad in gebarentaal. Het paste wonderwel mooi bij elkaar.

Wanneer we in de kerk het Onze Vader bidden, kondig ik dat weleens aan als ‘het gebed dat de wereld omspant”. Het gebed als een wereldwijd web.

Pierre Eijgenraam

Kent u de ‘Groene Bedstee’ in landgoed Mariëndaal, tussen Arnhem en Oosterbeek? Dat is de mooiste tunnel die ik ken. Aangelegd rond 1860, een paar honderd meter lang, bestaande uit zorgvuldig opgebonden en gesnoeide haagbeuken die samen een lange groene tunnel vormen. De bedstee was een geliefde plek voor adellijke dames, waar ze onbespied en beschermd tegen zonneschijn een uurtje in de buitenlucht konden vertoeven.

Zelf heb ik ook zo’n groene bedstee, in het Rozendaalse bos. Elke week ga ik daar een paar keer wandelen, ’s morgens rond een uur of acht. Je vindt er een wirwar aan ‘groene tunnels’: zandwegen en paden onder de bomen, waarover je elke dag een andere route kunt kiezen.

Mijn wandeling begint meestal hijgend en puffend, want het is er behoorlijk heuvelachtig. Eenmaal warmgelopen begint het piekeren: ik denk na over mijzelf, over vrouw en kinderen, het programma voor de dag, over gedoe in de kerkenraad of in de gemeente, over de preek of mijn nieuwe column voor de thuisblijvers. Na een half uur of drie kwartier daalt er wat rust in mij. Mijn hoofd begint ‘schoon’ te worden. Ik kijk om me heen en geniet van de rust en de schoonheid in het bos; het wandelen wordt bijna een soort van bidden of mediteren.

Na een goed uur bereik ik dan weer de parkeerplaats, aan het einde van mijn groene tunnel. De dag kan niet meer stuk, ik ben er klaar voor!