Berichten

Arjen Hiemstra

Het ‘Onze Vader’ bidden we niet alleen voor ons zelf of in de kerk aan het einde van de gebeden, maar ook aan het einde van de dienst in het crematorium of op de begraafplaats. De laatste tijd merk ik dat daar steeds minder luidop wordt meegebeden door de aanwezigen. Een ouderling doet nog wel mee, een enkel kind van de overledene ook, maar de overige aanwezigen laten dat steeds vaker achterwege. Is dat nou erg?

“Ja natuurlijk is dat erg”, zult u zeggen: “dat laat zien dat mensen niets meer hebben met God nog gebod en dat is erg”. En ik zal niet ontkennen dat ook ik het jammer vind, dat mensen andere keuzes maken. Maar iemand ‘Onze Vader’ noemen, terwijl hij dat voor hen al jaren niet meer is, klinkt ook behoorlijk hypocriet. Dan kun je misschien ook maar beter je mond houden.

Erg vind ik het wel dat we in toenemend maten onze gemeenschappelijkheid verliezen. Dat we niet meer ‘Onze Vader’ kunnen zeggen, dat er geen gemeenschappelijk ritueel meer lijkt waarin we afscheid kunnen nemen van een dierbare. Dat er een cultuur verdwijnt, die misschien niet altijd geweldig was, maar die in ieder geval houvast gaf voor als je het even niet wist in je leven. Je kon nog ‘Onze Vader’ zeggen en het allemaal aan hem voorleggen.

Jammer! Het lijkt wel alsof je het nu allemaal zelf moet doen. En als je dat niet lukt, dan wordt je al snel geclassificeerd als (mentaal) ziek.

Ik houd het ‘Onze Vader’ er nog maar even in. Het geeft houvast.

 

Kees van Keulen

Ik kom uit een degelijk gereformeerd gezin. Twee keer per zondag naar de kerk. Bij iedere maaltijd tweemaal gebed en Bijbellezing. De zondagsrust werd in acht genomen; was overigens zo gek nog niet! Iedere week catechisatie, waarbij na afloop iedereen van ds. Veenhuizen een hand kreeg. Wij knepen zo hard mogelijk. Stukken van de Heidelbergse Catechismus heb ik uit het hoofd geleerd, maar daar zat inmiddels de klad in. Ook zijn er veel verzen van de oude Psalmberijming ingestampt, op de 2e Da-Costaschool. Ik zat eerst op de GJO-club Jonathan en later op de jeugdverening’ Saevis Tranquillus in Undis’. Wat een onzin heb ik in inleidingen opgeschreven!

Ik, en dat geldt ook voor mijn zusters en broers, heb er geen ‘vieze smaak’ aan overgehouden. Je wist niet beter, het gaf nauwelijks conflict, en er was genoeg mogelijk. Ik geloof niet dat ik er slechter van ben geworden, maar sta er inmiddels op afstand van. Mijn geloof bestaat niet uit antwoorden, maar uit vragen.

Bij ons thuis werd veel orgel (harmonium) gespeeld. Ik ben daar pas later, op m’n 21e mee begonnen (en de enige die ermee is doorgegaan). De enkele keer dat ik iets aan het geloof beleef, zit ik achter het orgel. Dan worden er kennelijk diepere lagen aangeboord. ‘Een voertuig van geloof’ noemde een broer het. Misschien is orgelspelen daarom belangrijk voor mij. Soms denk ik, als ik Bach hoor: ‘Ik zou er haast een gelovige van worden’. Vrucht van de wortels?

Elsje Pot

Toen mijn ouders na meer dan 40 jaar noodgedwongen hun huis en woonplaats moesten verruilen voor een andere woonplek, heb ik in de jaren daarna vaak gedacht: ze zijn ontworteld. Zelf spraken ze niet in dergelijke termen over hun door omstandigheden gedwongen verhuizing, maar voor mij voelde het zo.

Mijn ouders wisten waar hun wortels lagen, hebben zich nooit hoeven afvragen: waar ben ik geboren, wie zijn mijn ouders, maar als je lichaam of je geest je in de steek laat, kun je ook ontworteld raken. Je raakt los van alles wat je dierbaar is: je zelfstandigheid, de mogelijkheden die je hebt, de wereld wordt steeds kleiner. Ik vermoed dat het voelt alsof je jezelf kwijt bent, ontworteld.

Een plant, bloem, struik of boom zonder wortels gaat dood, wortels zijn van levensbelang. Door het gemis van die wortels en alles waardoor dat gemis veroorzaakt werd, verloor het leven van mijn ouders zijn glans en dat maakte de laatste jaren van hun leven moeizaam.

Hoe ingewikkeld moet het zijn voor al die mensen, die al van jongs af aan niet te horen krijgen waar hun wortels liggen, terwijl er wel een sterk verlangen is om daar duidelijkheid over te krijgen? Wortels heb je nodig om te kunnen groeien letterlijk en figuurlijk.

Dat geldt ook voor geloof, ik denk aan de gelijkenis van de zaaier, als het zaad wortel schiet, komt het tot wasdom, op de kale rotsen zonder wortels zal het niet kunnen groeien.

Jos Hordijk

‘Ik denk niet dat ik Kees nog terugzie’, begint ze het gesprek. Ik kijk haar verrast aan en ben benieuwd hoe dit gesprek verder zal gaan. ‘Ze hebben ons zoveel wijsgemaakt vroeger, het kan toch niet dat wij elkaar nog terug vinden in de hemel?’

Ik zit op het puntje van mijn stoel, zo spannend dat een 98-jarige nog nadenkt over wat vroeger zo vanzelfsprekend voor haar was. Het zalig vaderhuis waar wij allen terug zullen zien die ons reeds zijn voorgegaan.

Een oudere kerkganger zei ooit tegen mij ‘ik weet niet wat hier na komt, maar ik zal er nooit spijt van hebben dat ik altijd zo geleefd en geloofd heb, ik heb er een mooi leven mee gehad’.

‘Waarom zou u er niet in geloven dat u Kees weer terugziet’ probeer ik nog, ‘dat is toch een mooi vooruitzicht. Er zijn mensen, die geloven dat ze na hun dood nog een hele reis maken of terugkomen zelfs en anderen geloven dat hun liefste hen groet als vlinder als vogeltje of te zien is als een sterretje’.

We wisselen gedachten uit, over vroeger en nu, waar wij op hopen en we erkennen dat we niets zeker weten, maar het is fijn om het vertrouwen uit te spreken dat het goed komt aan het eind van de tunnel. Dan horen we de voordeur. Haar dochter komt terug met de boodschappen en we drinken koffie en hebben het goed met elkaar.

 

Arjen Hiemstra

Bij ons thuis zeiden ze dat je het maar moest geloven. Dat God de aarde in zes dagen schiep, dat God van alle dieren op aarde er tenminste één paar de ark liet binnengaan, dat de toren van Babel echt gebouwd was en … Als Gereformeerde jongen wilde ik dat aanvankelijk best geloven. Toch knaagde er wat, want dat kon toch allemaal niet waar zijn?

Daarom was ik blij dat het allemaal onderzocht werd op de universiteit en dat er was ontdekt dat het in werkelijkheid toch vaak anders was gegaan. Maar dat het er in de Bijbel ook helemaal niet om ging dat de verhalen de geschiedenis beschreven. De Bijbelverhalen waren de weerslag van de ervaring die mensen met God hadden, ze brengen onder woorden waar de bijbelschrijvers in geloven. Maar die Bijbelverhalen mocht je met een historische blik best kritisch bekijken.

En dat heb ik ook veelvuldig gedaan: Bijbelteksten gelezen, verhalen ontleed en dikke commentaren ernaast gelegd. En gereconstrueerd en uitgelegd hoe het moet zijn geweest. En ik was opgelucht dat ik het niet allemaal blind hoefde te geloven. En mijn eerste preken bleven daar wel eens in steken: in een zoeken naar hoe het allemaal was gegaan.

Dat was toch wel een beetje kaal: al dat spitwerk. Na verloop van tijd realiseerde ik me dat de Bijbelschrijvers altijd bij een ervaring met God waren begonnen. Waar zat die godservaring? En was die godservaring ook nu nog invoelbaar voor mij? Kon dat ook een geloofservaring voor mij worden? En die zoektocht leverde mooie gezichtspunten. Ze gaat nog steeds door.

Jos Hordijk

De coronatijd beleven wij niet als een verloren jaar. Wij zijn gepensioneerd en brengen onze dagen door met nuttige dingen doen. Voor het bijhouden van de actualiteit nemen wij ruim de tijd. Mijn partner wandelt en als ze een uur gelopen heeft belt ze mij, dan haal ik haar op aan de rand van het park en kuieren wij samen naar huis. We drinken eens wat, we eten gezellig samen, we doen wat huishoudelijk werk en ik help graag telefonisch een kleinkind met zijn huiswerk. Ik bel eens iemand en schrijf een mail of een stukje voor de thuisblijvers. Ik corrigeer een werkstuk en haal een kleinkind uit de BSO. Er is  altijd wel iets te doen.

Toch zou het minder aangenaam zijn als er geen stipjes op de horizon waren. Hoe zal het gaan met ons land, met de politieke cultuur? Hebben we er nog vertrouwen in? Wat zou het fijn zijn als de kinderen weer alle dagen naar school konden en de studenten naar hun opleiding, als ik mijn schoonmoeder weer eens een echte knuffel mocht geven. Ze zou zo graag nog eens naar de kerk gaan en wat mensen thuis ontvangen. Mogen 70 jarigen nu echt zelf afspreken voor een vaccinatie? Kunnen we deze zomer weer voorzichtig op vakantie gaan? Zal het goed komen? Daar moet ik op vertrouwen, dat wil ik. Zonder vertrouwen wordt het ‘eerst zien en dan geloven’.

 

Monique Maan

Het algemene beeld van discipel Thomas is niet zo positief. Hij staat vooral bekend als degene die er niet aan wil. Hij laat zich niet zomaar overtuigen dat Jezus inderdaad de opgestane en levende Heer is. Ze kunnen hem nog meer vertellen. Eerst zien en dan geloven.

Maar Thomas is zoveel meer dan alleen deze uitspraak. Denk bv aan een ander verhaal in het Johannesevangelie waar we hem tegenkomen: het laatste gesprek van Jezus met zijn leerlingen. Daar zegt Jezus: ‘Ik ga weg om jullie een plaats te bereiden en kom dan terug. Jullie kennen de weg waar ik heen ga.’ Thomas reageert: ‘We hebben geen idee waar u naar toe gaat, hoe zouden we dan de weg weten?’

Thomas is degene die doorvraagt waar de anderen het wellicht niet durven. Hij vraagt door, en niet uit twijfel of ongeloof, maar omdat hij zo graag mee wil doen en betrokken wil zijn!

Als Thomas in Johannes 20 uitspreekt hoe graag Hij Jezus zou willen zien en aanraken om te kunnen geloven dat Hij er echt is, dan is dat naar mijn idee door datzelfde verlangen ingegeven. Het verlangen dat zo graag wil dat het wáár is! Ik pleit dan ook voor een nieuwe naam voor Thomas: niet meer de ongelovige, maar de verlangende.

 

PS Opvallend trouwens dat Thomas het 1x over zien heeft, en 2x over voelen.  Aanraken is voor hen kennelijk van grotere waarde dan zien. Hoe herkenbaar in deze coronatijd waarin we dat aanraken zo missen!

 

Johannes Kon

Deze uitdrukking zal ongetwijfeld gerelateerd zijn aan het verhaal van Thomas, de leerling van Jezus, die twijfelde aan de “opgestane” Heer, en die zich vervolgens een intimiteit mocht veroorloven met een fysiek ! lichaam (aanraken van de aan het kruis toegebrachte wonden), dat Maria van Magdala, de ontdekster van de ‘tuinman’ in de Hof van Gethsemane, nog werd onthouden (“Omarm Mij niet !”).

Overigens werden beiden overtuigd van de daadwerkelijke = geestelijke opstanding van Jezus.

Bij de “Ongelovige Thomas” denk ik natuurlijk ook aan het gelijknamige bier (10%) van brij Jopen in Haarlem in een kerkgebouw, dat (met leven) een brouwerij werd.

“Eerst geloven en dan zien” lijkt een soort Cruyffiaanse uitdrukking, maar is voor mij logischer en begrijpelijker. Wie “gelooft” (in wat of wie dan ook), kan veel meer (in)zien en doorzien.

Pierre Eijgenraam

‘Als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan is dat ook meestal zo’, las ik op Marktplaats.nl. Natuurlijk geef ik iedereen gelijk die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen: ‘Eerst zien en dan geloven!’. Er is al meer dan genoeg zwendel en bedrog in de wereld. Niet alleen in de handel overigens, ook in de religie.

Wat dat betreft, verdient apostel Thomas eerherstel. In plaats van ‘de ongelovige Thomas’ kunnen we hem ook ‘de verstandige Thomas’ noemen, die niet gevoelig is voor religieuze kwakzalverij.

Toch wil ik niet vergeten dat Jezus heeft gezegd: ‘zalig zij die niet zien en toch geloven!’  Het leven wordt wel erg plat als we alleen maar geloven in wat we zien, in wat we kunnen bewijzen en wat we kunnen narekenen. Ik houd een zwak voor de mensen die een droom durven najagen, voor mensen die niet kiezen voor het grootste geld of de meeste zekerheid, maar die hun hart durven te volgen.

‘Wie het mogelijke wil bereiken moet streven naar het onmogelijke’ zegt een bekende management-wijsheid. Maar dat bedoel ik niet, want dat is alleen een omweggetje om toch het maximale resultaat te bereiken.

De middeleeuwse dominicaan Meester Eckhart (1260-1328) schreef over het leven ‘zonder waarom’. In liefde, kunst, geloof en in het leven zelf gaat het niet om het nut of de winst die je daaruit kunt halen. Het hoeft niet bewezen te worden. De Heer is waarlijk opgestaan!

Kees van Keulen

Psalm 151

  1. Heer, onze Heer, waar bent U?

Hoe moet ik in U geloven als ik U niet zie?

 

  1. Waar was U toen uw volk werd uitgemoord?

Hoorde U uw kinderen, toen ze in doodsnood tot U riepen?

 

  1. Kon U het aanzien of was U ver weg?

Huilde U, verdroeg U het of was U ergens anders?

 

  1. Kon U niet ingrijpen,

voorkomen dat uw volk werd vergast, tot as verbrand?

 

  1. Waar was U toen een moeder haar kind verloor,

het op de zoektocht naar een veilige haven niet tegen verdrinking kon beschermen?

 

  1. Zag U wat er gebeurde toen een kind aan een ziekte overleed,

zijn ouders hun kind voor altijd moesten missen?

 

  1. Ze zeggen dat U liefde bent,

ons altijd met uw zorg omringt.

 

  1. Er wordt gezongen: “Ga met God en Hij zal met je zijn”.

U zou alle dagen bij ons zijn.

 

  1. Hoe moet ik dat geloven?

Had uw volk U verlaten, zocht het geen omgang met U, of had U uw volk verlaten?

 

  1. Hoe kan ik op U vertrouwen?

Heb ik U verlaten, of hebt U mij verlaten?

 

  1. Ik heb ’s nachts tot U geroepen,

honderd keer gebeden dat ik mocht voelen dat U er bent, bij mij bent.

 

  1. Grote stilte omringde mij,

niets van een suizende koelte was daar.

 

  1. Heer, onze Heer, waar bent U?

Hoe moet ik op U vertrouwen als ik U niet zie?