Berichten

Komende zondag is er een viering in de Eusebius om 10.15 uur. Met natuurlijk aandacht voor vrede, de bijzondere plek en datum 77 jaar na de verwoesting van Arnhem.

Wilt u zeker zijn van een plek, meldt u dan aan via f.gerritsen24@upcmail.nl pas na bevestiging, weet u zeker dat u geplaatst kunt worden. We mogen maximaal 100 kerkgangers toelaten.

Elsje Pot

Tijdens mijn studie raakte ik onder de indruk van de feministische theologie. Dat leverde ook wel wat dilemma’s op, want de Hervormde Kerk zoals die toen nog heette, was nou niet bepaald een vrouwvriendelijk instituut: op veel plekken bleek men nog niet aan een vrouwelijke predikant toe te zijn, terwijl het wel mijn ambitie was om er één te worden.

Onder feministische geestverwanten werd er vaak schamper gedaan over het instituut kerk, dus toen ik mijn ambitie verwezenlijkt had, verzweeg ik op studiedagen en andere bijeenkomsten van de vrouwenbeweging meestal dat ik in dat vermaledijde instituut werkzaam was.

In de kerk daarentegen werden mijn feministische denkbeelden door sommigen weer met argwaan bekeken. En omdat mijn doen en laten als vrouw, werkzaam in een destijds nog mannenomgeving toch al onder een vergrootglas lag, waakte ik ervoor te veel olie op het vuur te gooien. Zo kon ik bij de liedkeuze op het taalgebruik letten, maar het “Onze Vader” bleef ik gewoon bidden.

Onder het gehoor bij een collega hoorde ik hem bidden: “Onze moeder, die in de hemelen zijt…”. Na afloop vroeg ik hem of hij commentaar had gehad op deze woorden. Hij keek mij verwonderd aan en kon zich niet voorstellen dat je daarop zou worden aangesproken. Ik heb daar nooit voor gekozen. Ik ben het gebed gaan aankondigen met de woorden: “Samen bidden we het gebed dat Jezus leerde…”.

 

 

Deze week staan we in het Bericht aan de thuisblijvers stil bij het ‘Onze Vader’, het gebed in Matteüs 6, 13 dat Jezus zijn leerlingen leerde te bidden toen zij hem vroegen, hoe te bidden.

Dat ‘vaderschap’ van God heeft trouwens wel een speciale kleur in Israël in Bijbelse tijden. Het herinnert aan de traditie van profeten en wijsheidsleraren die levenskennis hadden opgedaan en het volk daarin onderwezen. ‘Abba’, het Arameese woord waarmee Jezus zijn vader aanspreekt in gebeden is niet de huistiran die meent alles te kunnen bepalen.

Abba komt uit het Hebreeuwse ‘ab’ of ‘av’ en dat woord is weer ontstaan – leren de Bijbelgeleerden mij – uit het kindergebrabbel wat hele kleine kinderen uiten voordat ze taal geleerd hebben.

Misschien is dat wel een mooie gedachte: “we brabbelen maar wat richting onze God”. En zoals dat meestal bij ouders gaat: God begrijpt wel het gebrabbel van zijn kinderen.

 

namens de redactie: Arjen Hiemstra

 

Monique Maan

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik op vakantie niet zo’n trouw kerkganger ben. Maar een enkele keer komt het er toch van, en zeker in het buitenland blijkt het dan toch altijd weer een bijzondere ervaring te zijn om een dienst mee te maken op een vreemde plek, en in een vreemde taal. De liturgie zit globaal genomen op dezelfde manier in elkaar als bij ons, en melodieën klinken soms verrassend vertrouwd. Maar het meest ontroerend vind ik het samen bidden van het Onze Vader. Te weten dat die anderen in hun taal hetzelfde bidden als ik in mijn taal geeft me zo’n ongelooflijk gevoel van verbondenheid. Dan ervaar ik de kerk als gemeenschap van Gods kinderen van alle plaatsen.

In de Diaconessenkerk hebben we ooit met een Pinksterviering het Onze Vader in allerlei talen (door elkaar heen!) gebeden. Er klonk Frans, Duits Engels en Spaans. Er waren Friezen en Zeeuwen. Er was iemand die het bad in gebarentaal. Het paste wonderwel mooi bij elkaar.

Wanneer we in de kerk het Onze Vader bidden, kondig ik dat weleens aan als ‘het gebed dat de wereld omspant”. Het gebed als een wereldwijd web.

De schrijvers laten deze keer hun licht schijnen over ‘Het einde van de tunnel’. Of dat nu symbolisch is (corona is op z’n retour) laten we maar even in het midden, feit is dat het einde van de tunnel meestal opluchting teweegbrengt.

Tunnels blijven toch opmerkelijke fenomenen. Je gaat erin en eruit en ondertussen ben je onder de grond. Het is er donker, je hebt licht bij je of het hangt ergens in de tunnel en als de tunnel werkelijk recht is zie je aan de beide uiteinden licht binnenvallen.

Vaak zijn ze buitengewoon functioneel: voordat er tunnels waren, was het oversteken van de Alpen een levensgevaarlijke klus. Dat is het aanleggen ervan trouwens ook: regelmatig hoor je dat er ongelukken gebeuren tijdens het aanleggen daarvan. Daarom wordt de heilige Barbara van Nicomedia (waarvan gezegd wordt dat ze opgesloten zat in een kelder) bij de tunnelbouwers ook aangeroepen om de veiligheid te bevorderen tijdens de klus.

Sommige mensen zijn gefascineerd van tunnels, anderen kunnen er niets mee en zijn het liefst weer snel buiten.

De redactie

 

Kees van Keulen

De redactie had een vooruitziende blik en ging er bij het opstellen van de onderwerpenlijst – maanden geleden – vanuit, dat de corona-pandemie nu (bijna) voorbij zou zijn. Zouden we er lekker nog eens over los kunnen gaan.

Bij mij – en vast veel anderen – komt dan de vraag naar boven, wat dit voor de kerkgang betekent. Zouden de voorheen trouwe kerkgangers er inmiddels aan gewend zijn niet meer naar de kerk te gaan, het wel best vinden voor de tv te zitten en een perfect lopende dienst “mee te maken”? De uitzendingen van onze eigen kerkdiensten via Kerkomroep.nl liepen toch bepaald niet vlekkeloos! Wie zou er de afgelopen maanden achter zijn gekomen er niets aan te hebben gemist? Zouden de ouders met kinderen wegblijven, nu de kinderen niet beter weten? En dan de velen die – begrijpelijk met verdriet – afstand hebben gedaan van De Kandelaar en niet eens de kans hebben gekregen te wennen aan een nieuw huis? Wat zou de consequentie ervan zijn, dat we zolang na de dienst geen koffie hebben gedronken?

Het einde van de tunnel. Licht? Een zwart gat? Of laat het ons koud? In ieder geval ben ik ervan overtuigd, dat we er niet op hoeven te rekenen, dat God haar/zijn kerk ervoor zal behoeden geheel verloren te gaan. We moeten onszelf de vraag stellen: Kunnen we niet zonder de kerkdiensten en gaan er koste wat kost mee door, of houden we ermee op?

 

Kees van Keulen

We zitten in de Salvatorkerk. Er is een gewone dienst aan de gang. Opeens verschijnen er vingers van een mensenhand die op de witte muur, waartegen voorheen het podium stond, schrijven. De dominee, leden van de kerkenraad, kerkgangers en organist verschieten van kleur en zijn zeer verontrust. Niemand begrijpt wat er geschreven staat. De kerkenraad bepaalt dat hoogleraren van de faculteit Religie en Theologie van de Vrije Universiteit Amsterdam moeten komen om de tekst te bestuderen en uit te leggen. Een gewone dominee is niet voldoende. Als hen dat zou lukken, zouden ze goed betaald worden. Niemand is in staat het geschrevene te lezen en te verklaren. De kerkenraad is de draad helemaal kwijt en weet niet wat te doen, vreest Daniël 5. Zou het net zo’n oordeel zijn, maar dan over ons (on)geloof, ons kerkelijk leven, hoe machteloos we ons voelen bij zoveel mensen en kinderen in de knel, of hoe wij met Gods schepping omgaan? ‘Tekel – u bent gewogen en te licht bevonden’? Of … zou er staan: ‘Voortreffelijk, jullie zijn goede en betrouwbare dienaren. Omdat jullie betrouwbaar waren in het beheer van een klein bedrag, zal ik jullie over veel meer aanstellen’?

Kunt u helpen? Weet u misschien wat er geschreven zou kunnen zijn? Ik vind deze vragen lastig; kan ze natuurlijk niet stellen zonder ze gelijktijdig aan mezelf voor te leggen. Of hebt u gewoon niks met dit soort vragen?

 

Hubertien Oostdijk

In februari 1995 moest ik mijn kerkelijk examen doen, in de classis waar ik geboren ben. Een van de opdrachten was een door mij geschreven preek en liturgie verdedigen. Voor mij zat een groepje, heren dominees, die dachten dat het nodig was om het deze dame eens extra vervelend te maken.

Ik had in mijn liturgie het lied laten zingen ‘Eens komt de grote zomer’, lied 747. Het commentaar luidde dat ik dat lied niet mocht laten zingen, want het was winter! Ik heb de heren toen uitgelegd dat het misschien juist goed was om in de winter dit lied te laten zingen, als verlangen naar de zomer èn dat hier gesproken wordt over Gods Koninkrijk wat vergeleken wordt met een zomer. Zo ging het tijdens dat hele examen door, ik slaagde glansrijk maar hield er wel een winters gevoel aan over! Zeker als je de positieve verhalen van collega’s over dat examen hoorde.

Overigens was kerst 1995 -ik was ruim een half jaar dominee in Willemstad-  bitterkoud, een echte winter! Ik ging in de kerstnacht voor in de oude, koude Koepelkerk, ergens beneden voor mij, ik stond op een hoge kansel, zaten de gemeenteleden in een dikke winterse jas. Ik ging voor in een donkerblauw mantelpakje, een toga had ik toen nog niet en heb daar ongelooflijke kou geleden gedurende die dienst. Na de dienst ben ik bij vrienden weer op temperatuur gekomen! Het jaar daarop was het in de kerstnacht ook bitterkoud, het Hollands Diep was dicht gevroren, maar deze keer was ik voorbereid. Thermo onderkleding, een zwart broekpak en lang leve de koster een kruik bij mijn benen! Sindsdien is het voor mijn gevoel niet meer zo koud geweest!

 

door Arjen Hiemstra

Bij ons thuis aan de muur hing altijd een blauwe wandbord ‘Bouwen / bewaren. Mijn moeder had het gekregen bij haar afscheid als lid van de Meisjesvereniging op Gereformeerde Grondslag.

Een bijzondere gemeenschap moet dat zijn geweest. Mijn moeder leerde er vaardigheden, die ze anders nooit had

geleerd: het schrijven van betogen en het bediscussiëren van kerkelijke en maatschappelijke vragen. Ze leerde er trouwens ook mijn vader kennen: zij secretaris van de meisjesvereniging en hij secretaris van de jongensvereniging moesten wel eens wat overleggen…

Er is veel opgebouwd door dergelijke verenigingen. Veel vrouwen en mannen gingen na de lagere school op hun 14e/15e al aan het werk. Juist in de verenigingen kregen ze een soort scholing die voor hen later van belang was in hun leven.
De kerk is opgebouwd door dergelijke vrouwen en mannen. En nog steeds: we bouwen in de kerk verder op wat door hen in het verleden tot stand is gebracht. En de tijd is dan veranderd, de mensen zijn veranderd en de vragen aan de kerk en meningen in de kerk zijn heel anders dan toen. Maar wat zij tot stand hebben gebracht is niet niks! Laten we dat ook vooral bewaren.

 

door Johannes Kon, voorzitter van de Raad van Kerken Arnhem

 

Bouwen (of afbreken – is de logische twee-eenheid).

“Bouwen” doet mij vooral denken aan gebouwen; als Arnhems historicus niet zo’n vreemde gedachte toch.

In mijn vroege jeugd ging het op de zondagsschool vaak over de bouw van “de tempel in Jeruzalem”, die afgebroken zou worden en na 3 dagen heropgebouwd; toen nog niet beseffend dat dit geen gebouw maar eigenlijk het lichaam van Christus betrof, de opgestane Heer.

Ik ben eind oktober 1947 gedoopt in de (gereformeerde) “Westerkerk” aan het Stationsplein; gesloopt t.b.v. de dadendrang van de gemeente Arnhem om er iets anders, nog mooiers neer te zetten. Gaat u daar nu kijken en oordeel daarna pas.

Mijn moeder zaliger (°1917) ging ooit naar de “Oosterkerk” aan de Rietgrachtstraat. Wie zou daar ter plekke nu nog iets van een religieuze nalatenschap / erfenis aantreffen?

Soms bekruipt mij het gevoel, dat ik beter niet in kerkgebouwen moet komen, want dan loopt het maar slecht af. Denk aan de Verrijzeniskerk óp Alteveer. Heb ik ooit zien bouwen en ook weer zien slopen. Hier past ongetwijfeld een mooie quote van Jezus Christus bij, maar ik zal mij daaraan nu niet bezondigen.

Maar lezer, wees gerustgesteld! De Salvatorkerk, waarin ik vanaf 1974 kerkte onder het welwillende gezag van Ds. H. Weiland staat er nog en is mooier dan ooit tevoren.

Gebouwen vergaan maar hopelijk blijft onze christelijke gemeenschap bestaan; ooit waren wij – 2 of 3 in Zijn naam bijeen – van de tenten. En die pakt helemaal niemand ons af.

door Elsje Pot

Als kind heb ik veel met lego gespeeld. Op een kleine simpele ondergrond heb ik heel vaak huizen gebouwd. Destijds werd lego nog niet in kant en klare oogverblindende constructies aangeleverd. Ik kreeg de steentjes in kleine doosjes: eentje met raampjes, een ander met dakjes, blokjes in verschillende afmetingen en verschillende kleuren.

Puzzelen en bouwen vind ik leuk: het is een uitdaging om met wat er is iets moois te creëren. Dat komt mij ook in mijn werk goed van pas: met dat wat er is, dat wat zich voordoet aan de slag gaan en proberen er iets moois, iets zinvols van te maken. Dat slaagt de ene keer beter dan de andere keer, maar een geloofsgemeenschap biedt wat dat betreft voortdurend nieuwe uitdagingen.

Ik bespeur in de kerk wel een toegenomen verlangen naar die oogverblindende constructie: een geloofsgemeenschap waar alles op rolletjes loopt, waar genoeg vrijwilligers zijn, waar iedereen enthousiast meedoet, waar je het bouwplan alleen maar nauwgezet hoeft te volgen om tot het gewenste resultaat te komen. En ik geef toe: ook ik denk wel eens bij mezelf “Dat wil ik ook”. En tegelijk dringt dan de vraag zich op: en dan?

Ik vind die kleine doos lego zonder vastomlijnd bouwplan wel een hoopvol beeld voor de kerk van nu: met dat wat er is, losse blokjes in verschillende kleuren en maten, kun je ook een huis bouwen. Het fundament blijft hetzelfde maar daarop kan telkens weer een ander huis gebouwd worden, aangepast aan de omstandigheden.

Door Monique Maan

Eén van de meest ontroerende teksten uit de liturgie vind ik de tekst die regelmatig als bemoediging klinkt aan het begin van een kerkdienst:

‘Onze hulp in de naam van de Heer ….. die niet loslaat het werk van zijn handen’.

Het werk van je handen – ik denk daarbij aan een kunstenaar die kijkt naar wat naar wat er uit zijn of haar handen is voortgekomen (‘en zag dat het goed was’).

Ook als het werk klaar is, blijft de band tussen schepper en geschapene bestaan. Wat je hart heeft, laat je niet los – en dat laat jij niet los. Zelfs als het een eigen leven laat leiden, blijft er de verbondenheid van het begin. Wat voor kunstenaars en hun werk geldt, geldt voor ouders/verzorgers en kinderen, en – zo zegt die zin uit de liturgie – geldt voor God en mensen.

De diepste en meest essentiële laag die ik in deze zin hoor doorklinken, is ‘we zijn nooit alleen’. Vaak ervaar ik dat ook zo, en op de momenten dat ik het niet of minder ervaar, helpt me het om het dan tegen mezelf te blijven zeggen. Als basis waar ik me niet vanaf wil laten brengen, als hoop die staande blijft tegen alles in en die zich voeden laat met verhalen uit de bijbel en in ontmoetingen met mensen. Hoop die ons uitnodigt om met vertrouwen in het leven te staan én om niet los te laten het werk van ónze handen, het werk ons toevertrouwd door de Eeuwige.