Berichten

Hubertien Oostdijk

In februari 1995 moest ik mijn kerkelijk examen doen, in de classis waar ik geboren ben. Een van de opdrachten was een door mij geschreven preek en liturgie verdedigen. Voor mij zat een groepje, heren dominees, die dachten dat het nodig was om het deze dame eens extra vervelend te maken.

Ik had in mijn liturgie het lied laten zingen ‘Eens komt de grote zomer’, lied 747. Het commentaar luidde dat ik dat lied niet mocht laten zingen, want het was winter! Ik heb de heren toen uitgelegd dat het misschien juist goed was om in de winter dit lied te laten zingen, als verlangen naar de zomer èn dat hier gesproken wordt over Gods Koninkrijk wat vergeleken wordt met een zomer. Zo ging het tijdens dat hele examen door, ik slaagde glansrijk maar hield er wel een winters gevoel aan over! Zeker als je de positieve verhalen van collega’s over dat examen hoorde.

Overigens was kerst 1995 -ik was ruim een half jaar dominee in Willemstad-  bitterkoud, een echte winter! Ik ging in de kerstnacht voor in de oude, koude Koepelkerk, ergens beneden voor mij, ik stond op een hoge kansel, zaten de gemeenteleden in een dikke winterse jas. Ik ging voor in een donkerblauw mantelpakje, een toga had ik toen nog niet en heb daar ongelooflijke kou geleden gedurende die dienst. Na de dienst ben ik bij vrienden weer op temperatuur gekomen! Het jaar daarop was het in de kerstnacht ook bitterkoud, het Hollands Diep was dicht gevroren, maar deze keer was ik voorbereid. Thermo onderkleding, een zwart broekpak en lang leve de koster een kruik bij mijn benen! Sindsdien is het voor mijn gevoel niet meer zo koud geweest!

 

door Arjen Hiemstra

Bij ons thuis aan de muur hing altijd een blauwe wandbord ‘Bouwen / bewaren. Mijn moeder had het gekregen bij haar afscheid als lid van de Meisjesvereniging op Gereformeerde Grondslag.

Een bijzondere gemeenschap moet dat zijn geweest. Mijn moeder leerde er vaardigheden, die ze anders nooit had

geleerd: het schrijven van betogen en het bediscussiëren van kerkelijke en maatschappelijke vragen. Ze leerde er trouwens ook mijn vader kennen: zij secretaris van de meisjesvereniging en hij secretaris van de jongensvereniging moesten wel eens wat overleggen…

Er is veel opgebouwd door dergelijke verenigingen. Veel vrouwen en mannen gingen na de lagere school op hun 14e/15e al aan het werk. Juist in de verenigingen kregen ze een soort scholing die voor hen later van belang was in hun leven.
De kerk is opgebouwd door dergelijke vrouwen en mannen. En nog steeds: we bouwen in de kerk verder op wat door hen in het verleden tot stand is gebracht. En de tijd is dan veranderd, de mensen zijn veranderd en de vragen aan de kerk en meningen in de kerk zijn heel anders dan toen. Maar wat zij tot stand hebben gebracht is niet niks! Laten we dat ook vooral bewaren.

 

door Johannes Kon, voorzitter van de Raad van Kerken Arnhem

 

Bouwen (of afbreken – is de logische twee-eenheid).

“Bouwen” doet mij vooral denken aan gebouwen; als Arnhems historicus niet zo’n vreemde gedachte toch.

In mijn vroege jeugd ging het op de zondagsschool vaak over de bouw van “de tempel in Jeruzalem”, die afgebroken zou worden en na 3 dagen heropgebouwd; toen nog niet beseffend dat dit geen gebouw maar eigenlijk het lichaam van Christus betrof, de opgestane Heer.

Ik ben eind oktober 1947 gedoopt in de (gereformeerde) “Westerkerk” aan het Stationsplein; gesloopt t.b.v. de dadendrang van de gemeente Arnhem om er iets anders, nog mooiers neer te zetten. Gaat u daar nu kijken en oordeel daarna pas.

Mijn moeder zaliger (°1917) ging ooit naar de “Oosterkerk” aan de Rietgrachtstraat. Wie zou daar ter plekke nu nog iets van een religieuze nalatenschap / erfenis aantreffen?

Soms bekruipt mij het gevoel, dat ik beter niet in kerkgebouwen moet komen, want dan loopt het maar slecht af. Denk aan de Verrijzeniskerk óp Alteveer. Heb ik ooit zien bouwen en ook weer zien slopen. Hier past ongetwijfeld een mooie quote van Jezus Christus bij, maar ik zal mij daaraan nu niet bezondigen.

Maar lezer, wees gerustgesteld! De Salvatorkerk, waarin ik vanaf 1974 kerkte onder het welwillende gezag van Ds. H. Weiland staat er nog en is mooier dan ooit tevoren.

Gebouwen vergaan maar hopelijk blijft onze christelijke gemeenschap bestaan; ooit waren wij – 2 of 3 in Zijn naam bijeen – van de tenten. En die pakt helemaal niemand ons af.

door Elsje Pot

Als kind heb ik veel met lego gespeeld. Op een kleine simpele ondergrond heb ik heel vaak huizen gebouwd. Destijds werd lego nog niet in kant en klare oogverblindende constructies aangeleverd. Ik kreeg de steentjes in kleine doosjes: eentje met raampjes, een ander met dakjes, blokjes in verschillende afmetingen en verschillende kleuren.

Puzzelen en bouwen vind ik leuk: het is een uitdaging om met wat er is iets moois te creëren. Dat komt mij ook in mijn werk goed van pas: met dat wat er is, dat wat zich voordoet aan de slag gaan en proberen er iets moois, iets zinvols van te maken. Dat slaagt de ene keer beter dan de andere keer, maar een geloofsgemeenschap biedt wat dat betreft voortdurend nieuwe uitdagingen.

Ik bespeur in de kerk wel een toegenomen verlangen naar die oogverblindende constructie: een geloofsgemeenschap waar alles op rolletjes loopt, waar genoeg vrijwilligers zijn, waar iedereen enthousiast meedoet, waar je het bouwplan alleen maar nauwgezet hoeft te volgen om tot het gewenste resultaat te komen. En ik geef toe: ook ik denk wel eens bij mezelf “Dat wil ik ook”. En tegelijk dringt dan de vraag zich op: en dan?

Ik vind die kleine doos lego zonder vastomlijnd bouwplan wel een hoopvol beeld voor de kerk van nu: met dat wat er is, losse blokjes in verschillende kleuren en maten, kun je ook een huis bouwen. Het fundament blijft hetzelfde maar daarop kan telkens weer een ander huis gebouwd worden, aangepast aan de omstandigheden.

Door Monique Maan

Eén van de meest ontroerende teksten uit de liturgie vind ik de tekst die regelmatig als bemoediging klinkt aan het begin van een kerkdienst:

‘Onze hulp in de naam van de Heer ….. die niet loslaat het werk van zijn handen’.

Het werk van je handen – ik denk daarbij aan een kunstenaar die kijkt naar wat naar wat er uit zijn of haar handen is voortgekomen (‘en zag dat het goed was’).

Ook als het werk klaar is, blijft de band tussen schepper en geschapene bestaan. Wat je hart heeft, laat je niet los – en dat laat jij niet los. Zelfs als het een eigen leven laat leiden, blijft er de verbondenheid van het begin. Wat voor kunstenaars en hun werk geldt, geldt voor ouders/verzorgers en kinderen, en – zo zegt die zin uit de liturgie – geldt voor God en mensen.

De diepste en meest essentiële laag die ik in deze zin hoor doorklinken, is ‘we zijn nooit alleen’. Vaak ervaar ik dat ook zo, en op de momenten dat ik het niet of minder ervaar, helpt me het om het dan tegen mezelf te blijven zeggen. Als basis waar ik me niet vanaf wil laten brengen, als hoop die staande blijft tegen alles in en die zich voeden laat met verhalen uit de bijbel en in ontmoetingen met mensen. Hoop die ons uitnodigt om met vertrouwen in het leven te staan én om niet los te laten het werk van ónze handen, het werk ons toevertrouwd door de Eeuwige.

Mijn gebed

Een lied van Joop Stokkermans/met tekst van Gerrit den Braber, gezongen door D.C. Lewis (pseudoniem voor Ruud Eggenhuizen, overleden 28 april 2000 in Arnhem) muzikaal begeleid door Feike Asma.

te beluisteren via

https://youtu.be/uo2Ht-7k-04

Arjen Hiemstra

Kerkgebouwen zijn speciaal. Of je nu Protestant, Rooms-Katholieke of van wat voor kerkgenootschap ook afkomstig bent (en misschien zelfs wel als je niet tot een kerkgenootschap hoort), je kijkt met bijzondere ogen naar een kerkgebouw.

Natuurlijk, er zijn verschillen. Dat merkte ik nog eens toen Roemeens-orthodoxe Parochie van Arnhem gebruik ging maken van de Protestantse Kerk in Westervoort: toen ik het bestuur rondleidde in de kerk en wij bij het koorgedeelte en liturgische centrum kwam vroeg één van de bestuursleden zich af of zij dat wel mocht betreden. De Roemeense priester kon haar al snel geruststellen: het was een protestants kerkgebouw, dan is het liturgisch centrum niet heilig en mogen er ook leken komen.

Volgens de Protestantse theologie is het kerkgebouw niet heilig. Sommige Protestantse kerkgebouwen wekken ook niet de indruk dat ze heilig zijn: ooit leidde ik een dienst in een sportzaal (en de kantine was de consistorie). En sommige kerkgebouwen worden ook voor totaal andere activiteiten gebruikt: in een andere kerk werd de kerkzaal in de avonden gebruikt als feestzaal voor bruiloften en partijen.

Toch is ook voor Protestanten de kerkzaal speciaal. Dat merk je wel als je een kerkgebouw sluit: dat is pijnlijk. Waar het in zit, dat een kerkgebouw speciaal is? Ik denk in dat het vooral zit in het doel van die plek: dat het een plek is waar ontmoeting plaatsvindt tussen mensen en de Eeuwige. Een ontmoeting in de stilte, in de liederen en woorden die er klinken. In de overgangsmomenten die er plaatsvinden in het leven van de mensen (doop, verbintenis en afscheid).

Ik hoop maar dat zulke plekken blijven bestaan. Het zijn weldadige plekken, ik denk ook voor iedereen.

Pierre Eijgenraam

Twintig jaar geleden had ik de kans om met een groepsreis naar Chartres, te gaan, in Noord-Frankrijk. Uiteraard was de beroemde kathedraal het hoofddoel van onze reis. Elke dag had een thema: het beeldhouwwerk in de portalen, de glas-in-loodramen,deoeroudecrypte. Enelkeavondwasereenlezing.Drie herinneringen zijn me in het bijzonder bijgebleven en inspireren mij tot op de dag van vandaag.

-De avond waarop we na sluitingstijd –alleen met onze groep- Taizéliederen zongen in een donkere kerk. Wat een akoestiek! Maar vooral: een bijna mystieke ervaring!

-De grote ramen aan de westzijde van de kerk, waarop de profeten Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël als reuzen zijn afgebeeld, met de vier evangelisten als dwergen op hun schouders. Bij alles wat we doen, kunnen, weten en geloven, staan we op de schouders van het voorgeslacht!

-De vroege ochtend waarop we met onze groep door het labyrint liepen, dat vlak achter de hoofdingang op de vloer is afgebeeld. Als je het labyrint binnengaat,

word je alle kanten opgestuurd: links, rechts, naar binnen, naar buiten, totdat je uiteindelijk toch nog onverwacht het centrum, de kern bereikt. Vanuit die kern mag je je dan verder in de gewijde ruimte begeven.

De kerk als een plek om zingend uiting te geven aan je geloof. De kerk als een plek waar je leert beseffen dat wij staan op de schouders van het voorgeslacht. De kerk als een plek om tot de kern te komen. Het hoeft niet persé een gotische kathedraal te zijn. Al helpt het wel…

Spiritualiteit van een kerkgebouw: door Jan Wabeke

Wanneer je op vakantie een kerkgebouw binnengaat is dat doorgaans een bijzondere ervaring. Je ervaart een andere temperatuur, een ander licht, andere kleuren, geuren en klanken. Even lijkt de drukte van de stad ver weg en waan je je in een andere wereld, een andere tijd soms ook. Herinneringen komen op en je voelt je één met verleden en toekomst. Met je eigen geschiedenis, maar ook die van de mensen, die dit gebouw kerk hebben gemaakt en gekoesterd, en met de mensen, die hier hun bijzondere momenten hebben beleefd. Het hoeft niet persé een heel oud gebouw te zijn, want ook een modern gebouw als de Gedächtniskirche in Berlijn kan sterke gevoelens oproepen. Je hoeft beslist niet gelovig te zijn om een bezoek aan een kerkgebouw te beleven als een spirituele ervaring. Je hoeft er ook niet te veel van te weten.

Nu veel kerkgebouwen leeg komen te staan of te groot worden voor de eredienst speelt de vraag hoe we het gebouw kunnen aanpassen aan een nieuwe functie. Hierbij wordt met veel zaken rekening te houden. Echter de spirituele beleving, die het kerkgebouw in zich draagt, wordt weinig genoemd. Terwijl dit misschien wel de belangrijkste waarde is.

Jan Wabeke is werkzaam als stedebouwkundige

door Monique Maan

Ik schrijf deze tekst de dag nadat we de laatste dienst in de Diaconessenkerk hadden. Een week eerder vierden we de laatste dienst in de Bethlehemkerk en in juni nam de Siongemeenschap afscheid van het KKC. Ingrijpende momenten voor gemeenteleden in Arnhem-Noord. En Zuid wacht over enkele weken het afscheid van de Kandelaar.

Natuurlijk, het is maar een gebouw en het gaat in het gemeentezijn ook niet om ‘hout en steen’ (lied 971), maar toch…. In dat hout en steen ben je misschien wel gedoopt, getrouwd, heb je je eigen kinderen laten dopen, heb je afscheid genomen van geliefden. Dus dat mensen niet gemakkelijk de kerkdeur voor de laatste keer achter zich dicht trekken, is zo begrijpelijk.

In de laatste dienst in de Diaconessenkerk lazen we Genesis 1, naar aanleiding van de wandkleden die in de kerkzaal hangen. We sloten zo 61 jaar gebruik van het gebouw af met het verhaal over het begin van Gods verhaal met mensen. In de synagoge wordt op Simchat Tora (de laatste dag van het Loofhuttenfeest, dat dit jaar valt van 2 tot 9 oktober) de jaarlijkse cyclus door de Torah afgesloten. Het slot van Deuteronomium wordt gelezen, maar om te benadrukken dat Gods

verhaal niet ophoudt, wordt in diezelfde dienst óók het begin van Genesis gelezen. Einde en nieuw begin in één beweging.

Zo hopen we ook als wijkgemeente op weg te gaan. We sluiten een tijdperk af. Met veel herinneringen, met dankbaarheid en weemoed. Maar het Verhaal gaat verder. En wij mogen ons mee laten nemen in dat nieuwe begin