Berichten

Dinsdag 27 april, door Elsje Pot

Op de lagere school begon Koninginnedag, het was ruim voor Willem Alexander de troon besteeg, bij het gemeentehuis in Eelde. Daar zongen wij:

‘Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden bennen groot,

zijn daden bennen groot, hij heeft gewonnen de zilveren vloot’

en:

‘In een blauw geruite kiel draaide hij aan ’t grote wiel de ganse dag,

maar Michieltjes jongenshart leed ondragelijke smart’,

en waarschijnlijk ook het Wilhelmus, maar dat kan ik me eigenlijk niet herinneren.

Daarna fietsten we naar de sportvelden waar allerlei spelletjes gedaan moesten worden: zaklopen herinner ik mij en dat het warm was en dat het een heel gedoe was om al die spelletjes te doen. Ik won nooit, ik was niet snel en sportief. En je werd alleen al moe van de afstanden, die je tussen de verschillende activiteiten moest afleggen. Ik vond er niks aan.

Met mijn moeder keek ik naar het defilé bij paleis Soestdijk en later naar de bezoeken van koningin Beatrix in plaatsen in het land. De laatste jaren is er een beetje de klad in gekomen. De nationale sport om alle oude troep op een kleedje te leggen op koningsdag, mag ik dat niet erg koninklijk vinden?

Dit jaar overweeg ik (volgens mij voor het eerst) oranjegebakjes te kopen. Nu alle rituelen ons uit handen geslagen zijn door de pandemie, krijg ik steeds meer behoefte om speciale momenten te markeren, 27 april met een koninklijk taartje.