Berichten

Pierre Eijgenraam

Mijn geliefde oma overleed op 26 februari 1986. Haar overlijden maakte een grote indruk op mij omdat ik erbij was op het moment dat ze haar laatste adem uitblies (of misschien eigenlijk: niet meer uitblies).

Op dezelfde dag werd ook de Elfstedentocht gereden. Het was een merkwaardig contrast: de uitgelaten stemming in de woonkamer van het verpleeghuis waar iedereen bij de TV zat te juichen, en het kamertje daar vlak naast, waar we met een paar familieleden bij oma zaten te waken.

Drie dagen later zag de wereld er volkomen anders uit. Het was opeens lente geworden. Het zonnetje scheen, het was lekker weer! De krokussen wisten niet hoe snel ze in bloei moesten komen, de vogels zongen weer en de weilanden stonden in bloei.

Zelden heb ik me meer verwonderd over de veerkracht van de natuur. Waar waren al die bloemen en vogels geweest tijdens de strenge winter? Hoe hadden ze overleefd?

En ik dacht: het leven gaat verder. Ook zonder oma. Maar ik mis haar nog altijd.

 

 

Monique Maan

Mijn kinderen komen uit Colombia. In het gebied waar zij vandaan komen is het eigenlijk altijd, het hele jaar door, zo’n 23 graden. De variatie in het weer zit daar niet in temperatuur, maar in regen die wel of niet valt.

Hun eerste winter in Nederland was dan ook een schokkende ervaring. Het begon al in de herfst: blaadjes werden bruin en vielen van de bomen, bloemen gingen dood, de tuin werd kaal. Er kwam een soort paniek over onze oudste twee (toen 6 en 5 jaar): wat gebeurt hier, gaat alles dood? Dit hadden ze nog nooit meegemaakt in hun leven!

Wij probeerden hen gerust te stellen: na de winter komt het voorjaar en dan gaat alles weer groeien en bloeien. Maar ze geloofden dat echt niet zomaar…

Ik herinner me nog steeds hun grote opwinding toen ze in januari / februari, midden in de winter nog, een eerste sneeuwklokje in de tuin ontdekten. Het was waar! Alles leefde nog en er kwam weer van alles op gang in de natuur!

We zitten op dit moment ook midden in de winter. Letterlijk, maar voor veel mensen ook figuurlijk: zoveel is somber en koud, kaal en doods. En je kunt soms bijna niet geloven dat het ooit weer beter wordt, dat we er weer op uit mogen gaan, elkaar kunnen ontmoeten, iets drinken op een terras, een uitstapje plannen en niet meer voortdurend opletten of je je mondkapje wel bij je hebt.  Maar die tijd komt, heus. Na iedere winter wordt het voorjaar.

Johannes Kon

(De) WINTER…

Ik lees nooit boeken van iemand met deze achternaam. Waarschijnlijk mis ik veel. Ben wel een favoriet van bijv. Thomas Verbogt, maar niet van zijn obstinate herfstgevoel. Ik lees liever iets van onze Arnhemmer Koos van Zomeren. Bijna al zijn boeken heb ik in huis – te leen.

Ik begrijp heel goed, dat onze  Schepper ons 4 seizoenen  heeft gegeven, maar ik hoef niet per se van alle vier een fan te zijn.

Tussen 1955 en 1960 fietste ik iedere dag van Steenbergen naar Dinteloord en v.v. (7 km) om naar de lagere school te gaan in korte broek: lange broeken waren ‘not done’, hoewel onze vader bij de HKI, Enka, AKU (nu AKZO) werkte. In 1960 kreeg ik voor het eerst een “lange” broek wegens de bootreis van Amsterdam naar Rotterdam (buitenom) – een prijs gewonnen bij de NCRV – nog steeds lid van naast VPRO en Hum. Omroep en Max.

 

Elsje Pot

Zwerfafval, ook in het bos kom ik het tegen, steeds meer, of verbeeld ik het me? Maandagmorgen is mijn sportochtend. In de winter wordt het lopen in plaats van tennissen. Deze keer scheen er een vrolijk zonnetje, maar het was wel koud, de vijver bevroren en ijskristallen op de weg.

Mijn wandelmaatje en tennisvriendin bleef plotseling staan en zei “moet je kijken”. Mijn oog viel op een reepje wit tussen de bladeren: daar had je het al, een weggeworpen zakdoek. “Dit is echt heel bijzonder” vervolgde ze. Ik keek nog eens naar de plek waar zij stond, maar het bijzondere ontging me. “IJshaar”, zei ze. IJshaar? En ik keek opnieuw naar dat reepje wit, nu ik beter keek, zag ik iets wat je als haar of draadjes zou kunnen omschrijven.

IJshaar of sneeuwbaard is een zeldzaam natuurverschijnsel, waarbij een haarachtige, wollige ijsstructuur ontstaat op dood en nat kernhout, de luchttemperatuur moet dan even onder het vriespunt liggen en door de schimmels in het hout komt water vrij, dat door kleine openingen in het hout naar buiten wordt geperst en daar bevriest.

Het gebeurt wel eens vaker dat de natuur mij een cadeautje aanreikt, dat ik iets zie wat ik nog niet kende of nog niet eerder gezien heb en daar word ik vrolijk van en als het net onder het vriespunt is, moet ik niet te snel denken dat iemand een zakdoekje heeft laten slingeren.

Hubertien Oostdijk

In februari 1995 moest ik mijn kerkelijk examen doen, in de classis waar ik geboren ben. Een van de opdrachten was een door mij geschreven preek en liturgie verdedigen. Voor mij zat een groepje, heren dominees, die dachten dat het nodig was om het deze dame eens extra vervelend te maken.

Ik had in mijn liturgie het lied laten zingen ‘Eens komt de grote zomer’, lied 747. Het commentaar luidde dat ik dat lied niet mocht laten zingen, want het was winter! Ik heb de heren toen uitgelegd dat het misschien juist goed was om in de winter dit lied te laten zingen, als verlangen naar de zomer èn dat hier gesproken wordt over Gods Koninkrijk wat vergeleken wordt met een zomer. Zo ging het tijdens dat hele examen door, ik slaagde glansrijk maar hield er wel een winters gevoel aan over! Zeker als je de positieve verhalen van collega’s over dat examen hoorde.

Overigens was kerst 1995 -ik was ruim een half jaar dominee in Willemstad-  bitterkoud, een echte winter! Ik ging in de kerstnacht voor in de oude, koude Koepelkerk, ergens beneden voor mij, ik stond op een hoge kansel, zaten de gemeenteleden in een dikke winterse jas. Ik ging voor in een donkerblauw mantelpakje, een toga had ik toen nog niet en heb daar ongelooflijke kou geleden gedurende die dienst. Na de dienst ben ik bij vrienden weer op temperatuur gekomen! Het jaar daarop was het in de kerstnacht ook bitterkoud, het Hollands Diep was dicht gevroren, maar deze keer was ik voorbereid. Thermo onderkleding, een zwart broekpak en lang leve de koster een kruik bij mijn benen! Sindsdien is het voor mijn gevoel niet meer zo koud geweest!