Berichten

Arjen Hiemstra

De eerste zieke die ik beroepsmatig heb bezocht was een jongen van 26 en hij was stervende. Over enkele dagen zou ik bevestigd worden als dominee in mijn eerste gemeente, en de kerkenraadsleden van mijn nieuwe gemeente vonden dat ik “als ik het wilde”, maar beter even op bezoek kon gaan, “dan had ik hem en zijn vriendin in ieder geval nog gesproken”.

Als een berg zag ik er tegenop, om op bezoek te gaan. Wat moest je nou zeggen? “Maar ik wilde dominee worden” bedacht ik bij mij zelf “en dan hoorde dit bij mijn werk”. Dus ik ben toch gegaan.

Gesproken heb ik hem nauwelijks, hij was te ziek. Zijn vriendin was er bij, maar ze was ook niet zo spraakzaam en dat kon ik me voorstellen. En eigenlijk was dat zo stil bij elkaar zitten ook best goed.

Na een half uur wilde ik weer gaan. Maar ik bedacht me dat het misschien wel goed was om een psalm te lezen en een gebed uit te spreken. Dat hebben we gedaan. In een boekje over bidden had ik gelezen dat het goed kon zijn in het gebed terug te laten komen waar het in het gesprek over was gegaan. Ik heb de ernstig zieke genoemd en zijn vriendin en familie die om hem heen stonden. En we zijn stil geweest, “want het was toch wel vreselijk dat je zo jong ging sterven”.

Blijkbaar had ik iets goed gedaan, want zijn vriendin bedankte mij uitgebreid bij de buitendeur. En op weg naar huis bedacht ik me: het was toch niet zo erg, een zieke bezoeken.

Monique Maan

 Begin jaren negentig heb ik een keer het bekende bedevaartsoord Lourdes bezocht. We waren in de buurt op vakantie en mijn nieuwsgierigheid won het van mijn protestantse terughoudendheid. Het verhaal van Lourdes is dat Maria daar in 1858 aan het meisje Bernadette verschenen is en dat ze Bernadette een bron heeft laten ontdekken. Sindsdien wordt aan het water van die bron geneeskrachtige kwaliteit toegedicht. En dat zorgt ervoor dat er jaarlijks duizenden mensen naar Lourdes reizen in de hoop daar genezing van hun kwalen te vinden.

Aangekomen in Lourdes wist ik niet wat ik zag! Grote parkeerterreinen vol auto’s en bussen, winkels vol met jerrycans in allerlei maten om water van Lourdes mee naar huis te kunnen nemen, en talloze souvenirs met de afbeelding van Maria en/of Bernadette.

Maar toen we eenmaal door het hek gingen en op het terrein van de grot en de kerk kwamen, was daar een totaal andere sfeer. Mensen, soms op krukken of liggend in een bed dat geduwd werd door één van de tientallen vrijwilligers (vaak jonge mensen die met liefde en aandacht daar hun werk deden!). Er werd met elkaar gelachen, gehuild, gezongen, gebeden. Mijn argwaan smolt weg als sneeuw voor de zon. En nee, ik heb geen genezingen zien gebeuren. Maar dat het mensen goed doet om daar samen te zijn (en wie weet hoeveel moeite het hen gekost heeft om er te komen!), dát heb ik wel gezien en gevoeld. Het werk van barmhartigheid dat deze week centraal staat, zag ik daar in de praktijk.

 

Kees van Keulen

 De zieken bezoeken. Mijn vrouw en ik waren op bezoek bij een gemeentelid. Hij was ernstig ziek, had terminale kanker. Wij realiseerden ons dat het ons laatste bezoek aan hem zou zijn. Kort daarvoor lag hij nog in het ziekenhuis, gelijktijdig met mijn vrouw. Hij kwam toen op bezoek bij haar, “zocht” haar, toonde belangstelling, gaf warmte. Samen hebben ze gejankt. Toen we voor de laatste keer bij hem op bezoek waren, bood zijn vrouw ons koffie aan. Nu drinken wij nooit koffie, maar hadden op dat moment het hart niet in ons lijf iets anders te vragen en hebben twee bakken koffie gedronken. We hebben de hele nacht “tegen het plafond” aan gelegen. Wat een “energie” zo’n bezoek niet kan geven!

Hij is inmiddels overleden, maar we missen hem nog steeds.

 

Pierre Eijgenraam

In 1984 ben ik een half jaar op studiestage geweest in Nicaragua. Vanuit de Samen-op-Wegkerken was er een samenwerking met de baptistenkerken in het land en daar profiteerden wij van. In de hoofdstad Managua bevond zich het ‘seminarie’ van de kerk. Naast de eigenlijke school waren daar ook slaapzalen en appartementen voor studenten en medewerkers. Veel studenten verbleven daar de hele week en gingen in het weekeind naar huis of uit preken.

En zoals dat gaat, wanneer je voor het eerst in een tropisch land bent: na een paar dagen werd ik ziek. Een beetje koorts, veel diarree en een algeheel gevoel van malaise. De dokter gaf mij wat pillen en stelde mij gerust: na een paar dagen zou het wel over zijn.

Een uur later stonden wel zes medestudenten plotseling naast mijn bed. Ze hadden gehoord dat ik ziek was en kwamen mij bezoeken. Na een kort gesprekje begonnen ze luidkeels te bidden, de een na de ander, en dat allemaal in het Spaans. Ik deed mijn uiterste best om alles te verstaan, maar inwendig hoopte ik vooral dat ze me maar gauw met rust zouden laten.

Ziekenbezoek is niet altijd een weldaad. Het is heel goed kijken en luisteren: is het niet te vermoeiend voor de patiënt? Zou een indringend gesprek heilzaam zijn of is dit niet het moment? Moet ik langer blijven of nu weggaan? Bidden of niet?

Maar misschien gaat het maar nauwelijks om wat je zegt of je doet. Dat je er bent is vaak al genoeg.

Johannes Kon

Als de “lichamelijke” barmhartige werken verricht zijn (Daniël 7: 13 en 14 en Jesaja  etc.), resteren de 3 “geestelijke” deugden of worden die er juist door geïnspireerd?

*****

Nooit lag ik zelf (!) in een ziekenhuis (behalve in 1 nacht in Oostende in 1971 na een heetwaterincident in een tent op de camping aldaar op 15 augustus – Maria Hemelvaart -; ik kon ondanks de prima ‘traumatoloog’ t.p. nadien nog maar moeizaam lopen).

Ik bezocht ‘in mijn achtertuin” zhs Rijnstate nog wel eens : er lag wel eens iemand die ik kende, maar de meeste aandacht ging naar moeder en vader (resp. – tia – voorafgaand aan “de Braamberg”, want halfzijdig verlamd; resp. de 5-voudige bypass hartoperatie in zhs Nieuwegein en de revalidatie in Insula Dei).

Ze mochten nog tot eind 2014 resp. medio 2018 thuis blijven wonen op ’t Cranevelt – dankzij de thuis- en deels (mijn) mantelzorg.

En natuurlijk mijn partner Cora, die in 2011 in zhs “Tergooi” in Blaricum lag wegens een niet nader te noemen ziekte bij (ge)louter(de) vrouwen.

Het spijt mij oprecht, dat ik velen niet echt de aandacht gaf, die zij toch wel verdienden. Ik houd voor mijzelf een lijstje bij : “jij was er en ik zag je niet”.

Deze week beginnen de ‘Berichten voor thuisblijvers’ aan een kleine serie thema’s rond de zeven ‘Werken van Barmhartigheid’. Sommige schrijvers van de bijdragen moesten een lichte tegenzin overwinnen, voordat ze aan het schrijven toekwamen: de ‘Werken van Barmhartigheid’ zijn in hun jeugd misschien ook wel heel moralistisch gebruikt. Zo van: je móet wel barmhartig zijn. En aan het eind van de middeleeuwen wordt die plicht wel heel dwingend: door het doen van werken van barmhartigheid zul je na je leven beloond worden.
De werken geven een soort van vroege catechismus van hoe je in de wereld kunt staan. Zes van de zeven werken worden door Jezus genoemd in zijn rede over de eindtijd (Matteüs 25, 34-46), één werk (het begraven van de doden) is ooit door de kerkvader Lactantius toegevoegd.
Toen in de loop van de middeleeuwen een leven in Jezus voetspoor niet alleen voor religieuze professionals (priesters, bisschoppen en monniken) ook voor leken bereikbaar werd, waren de ‘Werken van Barmhartigheid’ een soort eerste instructie aan de leken, hoe je kon leven in lijn met Gods geboden. Die instructie werd hen niet alleen in preken en betogen voorgehouden, maar ook door allerlei schilderijen en fresco’s in kerken ingeprent.

Deze weken volgen wij niet de volgorde van de ‘Werken van Barmhartigheid’ zoals ze uit Matteüs 25 zijn af te leiden, maar de thema’s zoals ze deze weken aan de orde komen vanuit ‘Kerk in Actie’. We beginnen deze week met het thema ‘De zieken bezoeken’.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie.

 

Maandag 22 februari 2021 – Elsje Pot

Vaak voel ik schroom om bij een zieke op bezoek te gaan, zeker bij ernstig zieken of stervenden, die omringd worden door familieleden. Altijd vraag ik me af: wil de zieke (en de familie) eigenlijk wel dat ik kom? Ik stel me dan voor dat ik zelf ziek zou zijn en wie ik dan aan mijn bed zou willen zien. Ik heb niet de indruk dat een dominee in dat rijtje voorkomt.

Slechts één keer liet een zieke mij door zijn lichaamstaal weten dat hij mij niet wilde zien. Aanvankelijk spraken hij en zijn vrouw met mij aan de eettafel. Toen hij zieker werd, kwam er een bed in de kamer. Als ik de kamer binnenkwam, ging hij demonstratief met zijn gezicht naar de muur liggen. Dit tot grote frustratie van zijn echtgenote.

Ondanks zijn afwijzing bleef ik komen. Ik snapte hem wel: hij wilde niet weten dat hij stervende was, dat had hij de arts laten weten. Er mocht niet over gesproken worden. Zijn keus om er het zwijgen toe te doen, hield zijn vrouw en kinderen in gijzeling. En dan kwam die eigenwijze dominee en die probeerde hem dan toch aan de praat te krijgen.

Op een keer riep de familie mij halsoverkop naar het ziekenhuis, het ging heel slecht. Toen bleek ook het onmogelijke van die ‘afspraak’. Zijn vrouw doorbrak het zwijgen liefdevol: “Ik hoor de engeltjes al voor je zingen”.