Jos Hordijk

Mijn vriendin en haar man nodigden ons uit om naar Portugal te komen, ik was  dolblij. Het was mijn eerste buitenlandse vakantie, die smaakte naar meer. Een jaar later reisden we  naar de Peloponnesos en het jaar daarop werd het Lesbos. Vele eilanden volgden, maar Lesbos  heeft ons hart gestolen. Een mooier stadje dan het monumentale Molivos op Lesbos vind je niet zomaar. Na die eerste keer  bezochten we Lesbos vaker. Op een dag zagen we zwemvesten en rubberbootjes op een verlaten strandje liggen en het jaar daarop sjokten er mensen langs de weg die op het schoolplein moesten wachten tot ze naar de hoofdstad gebracht werden. Alle ellende was te volgen in de media. Er zijn zelfs exposities van foto’s gemaakt in kamp Moria, in 3 verschillende Nederlandse musea te zien. Mensen die moeten vluchten, daar wen je nooit aan. Voor de eilandbewoners is het ook erg. Hun olijfbomen werden vernield, de takken eraf getrokken om vuurtjes te stoken, de olijven te vroeg gegeten. Toen de toeristen weg  bleven verloren zij hun tweede bron van inkomsten.

Aan ons wordt vaak gevraagd of we de vluchtelingen gezien hebben. ‘Waar bedoel je’ stel ik dan als wedervraag  ‘op Lesbos?’  Vluchtelingen zie je in Arnhem in Rozet, op het terras, in de bus en in het park.  Op Lesbos zie je ze niet. Duizenden mensen worden op 80 km rijden van de toeristenplaatsjes  in tentenkampen nabij de hoofdstad vastgehouden.  Het Noorden van het eiland is verlaten. Daar komen de laatste jaren nauwelijks toeristen meer.

 

Kees van Keulen

Velen denken dat organisten alles uit de losse pols kunnen spelen, dat voor een dienst niet intensief geoefend hoeft te worden. Vroeger kwam het voor, dat de organist(e) bij het begin van een dienst ‘het orgelbriefje’ kreeg en maar moest zien wat zij of hij ervan bakte. ‘Dat kan je toch!’ werd wel gezegd. Respectloos! Je zegt toch ook niet tegen een de predikant(e) pas als zij/hij de trap van de preekstoel beklimt, over welke tekst zij/hij moet preken! Gelukkig is er veel ten goede gekeerd. Op de donderdagen voorafgaande aan de zondagse dienst is gewoonlijk de liturgie bekend.

Voor de solisten geldt iets dergelijks. Een enkeling is erin geoefend van blad te zingen, maar er zijn er maar weinig die dat kunnen. Kortom, voorbereiding!

Voor de cantorij hetzelfde laken en pak. De cantrix wil zich kunnen voorbereiden. Als de cantorij vervolgens twee repetities op haar bijdragen aan een dienst wil oefenen, kunt u uitrekenen hoe lang van tevoren bekend moet zijn welke bijdrage wordt verwacht.

Gelukkig werken we zowel voor de organisten als cantorij met een jaarrooster, en zitten we (predikant(e), cantrix, organist) vaak al een paar weken ervoor om de tafel om de dienst voor te bereiden.

Niks uit de losse pols! Een kerkdienst, de gemeente verdient beter en u wilt niet weten hoeveel voorbereiding daaraan vastzit. En voor het geval u het verschil niet hoort, misschien hebt u er begrip voor, dat de musicus zich in een dienst ook lekker en ontspannen wil kunnen voelen!

 

Arjen Hiemstra

Het is eng om bij het fietsen het stuur los te laten en met je heupen de fiets te sturen. Het is trouwens ook bij wet verboden. Het is ook eng om allerlei dingen te doen (een preek te houden, een orgel te bespelen – de collega-schrijvers schreven er al over) zonder een gedegen voorbereiding. Uit de losse pols leven en je laten verrassen door wat komt vinden we steeds moeilijker. We willen graag alle risico’s uitsluiten. En als er een keer iets fout gaat, dan moet er een schuldige worden aangewezen, dan is het niet zomaar pech.

Hoe zou dat toch komen dat we zo angstig zijn geworden voor het onbekende, het niet geplande, dat we alle risico’s proberen uit te sluiten?

Is dat misschien omdat we tegenwoordig niet zo snel ons leven in handen leggen van de Eeuwige en dat we er niet tegen kunnen dat we maar moeten zien wat het leven met ons voor heeft?

In de afgelopen anderhalf jaar is gebleken dat ondanks alle kennis er soms veel onduidelijk blijft. “In crises als deze moet je met 50 procent van de kennis 100 procent van de besluiten nemen, en de gevolgen daarvan dragen” zei een politicus, en later voegde hij er aan toe dat die 50 procent kennis nog te hoog ingeschat was.

Misschien om te overdenken in de komende tijd: we weten niet alles in ons leven. En we moeten er maar op vertrouwen dat het goed komt. Dat is leven uit de losse pols…

Pierre Eijgenraam

Mijn instrument, de trombone, werd uitgevonden in de vijftiende eeuw, vermoedelijk in Neurenberg. Vergelijkbare instrumenten (trompetten, hoorns, bazuinen) bestonden weliswaar al eeuwenlang, maar hadden het nadeel dat je er maar een beperkt aantal tonen op kon spelen. Ze dienden vooral bij de jacht of in het leger. Het nieuwe van de trombone was de uitschuifbare buis. Daardoor werd het mogelijk er ook toonladders en melodieën op te spelen. Signaal-instrument werd muziekinstrument; de trombone werd populair in kerken en paleizen, in feestzalen en op straat.

Sinds mijn 12e levensjaar probeer ik trombone te spelen, al blijft mijn enthousiasme helaas groter dan mijn bekwaamheid. Groeiend zelfinzicht deed mij besluiten weer les te nemen. Zo ontdekte ik het belang van de ‘losse pols’.

Want: hoe schuif je snel genoeg? Een halve toonsafstand op de notenbalk kan een armlengte zijn op het instrument. In een plechtig gezang lukt dat nog wel, in een vlotte ritmische passage is het welhaast onmogelijk. Ik ontdekte dat je je snelheid aanmerkelijk kunt verhogen door een losse pols te gebruiken als hefboom op je armbeweging. Dat is uiteraard makkelijker gezegd dan gedaan, maar oefening baart kunst..

De moraal van dit verhaal: de losse pols, de soepele aanpak kan het verschil maken tussen slagveld en symfonie (=’samen¬klank’). En zie vooral ook 1 Korinthe 13: 1 ‘..had ik de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cymbaal’.

Elsje Pot

Ik ben niet echt iemand die graag vanuit de losse pols werkt. Eigenlijk alles wat ik doe, bereid ik goed voor, daarna kan ik mijn tot in detail voorbereidde programma best wel makkelijk loslaten of omgooien, maar ik heb een gedegen voorbereiding nodig om het vervolgens te kunnen loslaten.

Dat geldt niet alleen voor mijn werk, betaald en vrijwillig, maar ook voor het indelen van mijn agenda, ik houd het graag overzichtelijk. Als er te veel in die agenda staat, dan blijft er weinig ruimte om uit de losse pols te leven, terwijl ik het geen probleem vind om last minute iemand te eten te krijgen of spontaan tijd te maken voor een gesprek.

Recepten volg ik altijd heel nauwgezet. Ik ben pas kortgeleden begonnen, daar iets minder rigide in te zijn. Dat is tegenwoordig ook makkelijker dan vroeger, als je nu een bepaald ingrediënt niet in huis hebt, kun je op internet opzoeken waardoor je het kunt vervangen. Ook kun je recepten vinden door ingrediënten te noemen, die je in huis hebt. En inmiddels durf ik ook op mijn eigen vindingrijkheid te vertrouwen bij het combineren van ingrediënten. Een heel enkele keer pakt het iets minder goed uit dan ik voorzien had, maar ach, een kniesoor die daar moeilijk over doet.

 

Johannes Kon

Toen ik nog volleybalde in de gymlessen op de middelbare school, was een losse pols wel handig. Mijn rechtshandige ondershandse opslagen waren befaamd op het ‘Mollerlyceum’ in Bergen op Zoom (1960-1966) (toen was ‘Zoom nog gewoon; tegenwoordig een affront tegen onderling menselijk communiceren).

Ik was wat minder goed in ‘blokken’: springen en twee handen in de lucht om de tegenstander te imponeren. Ik was en ben klein van gestalte (genen waarschijnlijk).

Uit de losse pols een betoog houden voor een kleiner gezelschap of een grotere menigte ging me allengs beter af. Ik heb me dat moeten aanleren. Aanvankelijk bibberend op het spreekgestoelte (1978) in de gemeenteraad en de preekstoel in enige kerken hier ter stede hebben die ervaringen me als spreker/pseudo voorganger gevormd.

Toen ik ooit ca 5000 demonstranten voor een betere CAO voor gemeente-ambtenaren mocht toespreken, ging me dat wonderwel redelijk af -boven de materie staande. Vanuit het hart!

 

Mijn polsdruk is 78; mijn hartslag 138/82 – tot nader order dan.

 

Jos Hordijk

Uit de losse pols doet me denken aan brieven schrijven. Ik heb mijn leven lang een verschrikkelijk slecht handschrift gehad. Op de lagere school kreeg ik voor schrijven nooit meer dan een 5. Eerst leerden we aan elkaar schrijven, onleesbaar bij mij, pas toen ik de letters los van elkaar ging schrijven werd mijn handschrift leesbaar, best netjes eigenlijk. Het schrijven van tekst met de hand ben ik nooit leuk gaan vinden. De typmachine was een uitvinding en toen deze werd ingehaald door de computer was ik de koning te rijk. Vooral corrigeren en veranderen was vanaf dat moment een fluitje van een cent. Voor die tijd gebruikten we stuf als we met potlood hadden gewerkt. Toen ik weg was uit Rotterdam leerde ik dat stuf in de rest van het land gum genoemd wordt. Bij de typemachine gebruikten we type out. Tijdens mijn laatste studie typte ik al en werden de werkstukken in een grote envelop met de PTT verzonden. Die dichtgeplakte envelop maakte ik nog aardig wat keertjes open om er iets in te veranderen, want hoe veel ik ook van schrijven houd en hoe vlot het ook geschreven lijkt, het gaat niet uit de losse pols, de beste ideeën komen pas als het product af is en het kan eigenlijk altijd nog wel beter. Mensen vertellen me graag hoeveel ze van handgeschreven brieven houden. Die hoeven ze van mij niet te verwachten. Maar wie ik blij kan maken  met een mail, schrijf ik met liefde en plezier.

‘Uit de losse pols’, dat is het thema voor deze week.

Sommige schrijvers zweren bij de gedegen aanpak en de goede voorbereiding. Anderen willen juist moeite doen om daar een beetje uit los te komen of twijfelen daarover.

 

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 19 juli, door Monique Maan

Ik ben iemand van goede voorbereiding. Ik begin op maandag met de dienst van komende zondag en doorgaans is die op donderdagmiddag zo’n beetje helemaal klaar. Ook met deze stukjes voor de thuisblijvers begin ik vaak op vrijdag, terwijl het pas op woensdag ingeleverd hoeft te worden.  Ik vind het een prettig idee om dan nog tijd te hebben voor eventuele veranderingen, maar ook te weten dat er in ieder geval iets op papier staat.

In mijn begintijd als predikant had ik af en toe de nachtmerrie dat ik in de kerk stond zonder preek, of met een preek over een tekst die die zondag niet aan de orde was (alsof er iemand zou zijn die daar iets van zou zeggen …).

Eén keer is het me echt overkomen. Ik was gevraagd bij een doopviering in een RK-kerk. Moeder was katholiek, vader protestant, het kindje zou door de pastoor gedoopt worden, en of ik een kort preekje wilde houden. Ik doe mijn map open en zie dat er niets in zit… mijn tekst lag nog thuis bij de printer.

Uit de losse pols heb ik mijn verhaal gehouden en natuurlijk ging dat ook prima. Als je een verhaal geschreven hebt, zit het vaak ook al goed in je hoofd. Niemand heeft iets gemerkt (denk ik), en na het gevoel van paniek vond ik het eigenlijk ook wel goed om een keer zo voor het blok gezet te worden. En te merken dat het dan ook gewoon goed kan gaan.

Die vreselijke sport, Monique Maan

Toen ik vier jaar was, ging ik op gym. Daarna volgde zwemmen, en nog weer later hockey. Tijdens mijn studententijd kwam er zaalvoetbal bij. Intussen is het door omstandigheden weer afgezakt naar wandelen, fietsen en baantjes zwemmen. Het stelt allemaal niet veel voor, maar een beetje sportief bezig zijn is toch wel fijn.

‘Die vreselijke sport’ is dus niet echt een thema dat ik bedacht zou hebben. Maar misschien heeft de bedenker de grote toernooien in gedachten die deze zomer het nieuws beheersen. Het EK-voetbal (al hield dat al snel op voor ‘ons’), Wimbledon, Tour de France, Olympische Spelen – er zijn dagen dat er maar met moeite iets anders op tv te vinden is.

Ik vind dat niet erg. Ik kan erg genieten van een goede wedstrijd, van een team dat mooi samenspeelt, of van sporters die na jarenlange voorbereiding de prestatie van hun leven neerzetten. Natuurlijk, de commercie mag wel wat minder, en rellen en sport horen al helemaal niet bij elkaar. Maar veruit de meerderheid van de sporters is toch op een goede manier met hun sport bezig, en daar kijk ik graag naar!

Hebben sport en geloof met elkaar te maken? Volgens Paulus kun je ze wel vergelijken. In 1 Korintiërs 9: 24-25 gebruikt hij de sportwedstrijd als metafoor voor het leven met God en je inzetten daarvoor. Zoals de atleet alles geeft om de vergankelijke erekrans te behalen, zo gaat de gelovige voor de onvergankelijke erekrans.  Sport kan niet zonder toewijding, en geloof evenmin.

Die vreselijke sport, Johannes Kon

Op de lagere school, de Christelijk Nationale School met den Bijbel in Dinteloord  van 1922 -inmiddels fysiek van de aardbodem verdwenen- deden wij niet aan gymnastiek of iets de(r)gelijks.

In 1960 startte ik met korfbal in Steenbergen; heb het bijna 6 jaar volgehouden (mijn favoriete sport) bij KC KIK (Krèk in ’t Korfske). Ik werd er ‘senior’. De  competitie speelde zich af in West Brabant (ik leerde er vroegtijdig bier drinken) en op Hemelvaartsdag en 2e Pinksterdag – ook in Zeeland. Ben nooit naar Oost-Arnhem gegaan.

Hockey / basketbal / volleybal op de middelbare school: ik was er relatief goed in. Een eigen hockeystick was verplicht onderdeel van je pakket.

Maar kom mij niet aan met voetbal, olympische spelen etc.! Voor de Tour de France heb ik nog een zwak i.v.m. die prachtige helikopterbeelden van steden en landschappen (Frankrijk is sedert jaren her mijn favoriete vakantieland).

In mijn gemeenteraadsperiode (1978 – 1986) heb ik de gemeentelijke subsidie aan ‘Vites’ regelmatig ter discussie gesteld en met succes. ‘Voetbal is kapitalisme’ memoreerde ik toen al. De geschiedenis geeft mij gelijk – helaas.

Johannes – van het oeverloos wandelen in Gods natuur.