Jos Hordij

Elk van de zeven werken van barmhartigheid gaat over omzien naar elkaar. Een aantal jaren geleden studeerde ik op het NBI in Utrecht theologie. Dat was een fijne tijd. Tijdens het vierde jaar liep ik stage in Kruispunt, de opvang voor daklozen. Mijn stagebegeleider was Anton Metske. Wat een bijzondere pastor was hij voor Kruispunt, wat heb ik veel van hem geleerd en met hem meegemaakt tijdens mijn stage. Zo nam hij me mee naar de tippelzone waar hij de vrouwen kende en overal welkom was. Ook gingen we samen op huisbezoek, ’s morgens vroeg bij mensen die ons koffie gaven en zelf bier dronken. Onderweg op de fiets werd Anton vaak aangesproken en soms riep iemand ‘kom je effe met me bidden?’ Dan stapten we af en gingen op een bankje zitten waar Anton hardop voor ging in gebed. Hij doopte kinderen, leidde diensten bij begrafenissen, zegende huwelijken in, bezocht zieken en gevangenen en zegende de nieuwe ruimte in na een verbouwing. Iedere zaterdagmiddag was er een viering waarbij de mensen een kaarsje konden aansteken en iets uitspreken voor een dierbare. Soms knielden de mensen bij het altaartje en gingen met hart en ziel in gebed. Na de viering deelden we de maaltijd, de warmte en de gezelligheid met elkaar. Toen ik afstudeerde ging Anton mee naar Utrecht om bij het mondeling examen aanwezig te zijn. Wat een menslievende pastor was hij en wat een bijzondere stage heb ik bij hem gelopen. Een inspirerend voorbeeld van omzien naar elkaar.

 

Elsje Pot

De opdracht om een dorstig mens te drinken te geven, is niet een ‘dichtbij huis’ opdracht. Bij dorst denk ik aan woestijn, alles dor en uitgedroogd, een blakerende zon en geen water om te drinken. En ik zie aarde, waar barsten doorheen lopen, scheuren omdat de grond is uitgedroogd, delen van de wereld waar het nauwelijks meer regent en er dus ook niets meer groeit, plaatsen waar honger en dorst hand in hand gaan.

Net als hongeren heeft dorsten ook de betekenis van verlangen. Het is een ouderwets woord en het woord dorst kan ook nog verwarring stichten: ‘zij dorst naar een feestje’ kan twee dingen betekenen: zij verlangt naar een feestje of zij durfde naar een feestje.

Door de coronapandemie streden afgelopen zomer die twee betekenissen van dorsten in mij met elkaar. Enerzijds verlangde ik ernaar om weer op pad te gaan, om weer onbekommerd een museum te bezoeken, in een restaurant te gaan zitten en toch ik deed het maar zeer mondjesmaat en heel weloverwogen, niet echt onbekommerd. Het liefst at ik buiten op terrasjes en ik bezocht drie keer een expositie en van dat laatste bezoek had ik spijt. Niet omdat ik er ziek van ben geworden, maar omdat ik ‘ja’ tegen de uitnodiging had gezegd zonder er goed over na te denken.

Mijn lievelingsrestaurantje is heel klein, ik ben er al een jaar niet meer geweest: ik dorst er naar, maar ik durfde het niet, ik verlang er naar, maar ik dorst het niet.

 

Met het thema van deze week ‘de dorstigen laven’ kun je weer verschillende kanten op. Sommigen denken aan bier, anderen aan ‘dorst naar God’. Bij nadere beschouwing liggen die uitersten misschien toch minder ver uit elkaar dan het kan lijken.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 1 maart, door Monique Maan  

Ik weet niet wat het betekent om echt dorst te hebben. Ik leef in een land waar altijd schoon, fris water uit de kraan komt. Als in de zomer een enkele keer de waterdruk wat afneemt, of als er door werkzaamheden een uurtje geen water uit de kraan komt –het haalt het niet bij de beelden uit Afrika, of uit vluchtelingenkampen. Honderden mensen die het met één kraan moeten doen. En dan maar hopen dat die niet kapotgaat, of dat de situatie niet zo onveilig wordt dat je er niet meer naartoe kunt lopen. Het zou niet moeten voorkomen, en daarom moet elke actie die erop gericht is om mensen wereldwijd te voorzien van schoon drinkwater op onze (financiële) steun kunnen rekenen.

Dat je in je geloofsleven dorst kunt hebben, daar kan ik me alles bij voorstellen. Als het leven zo hard voor je is, als je zo in beslag genomen wordt door wat je meemaakt en overkomt, dat het levende water je ziel niet meer kan bereiken. Het doet denken aan psalm 42: ‘Zoals een hert reikhalst naar levend water, dorst ik naar God, de levende God’ (Huub Oosterhuis).

Water als beeld voor inspiratie die je ziel laat sprankelen en alles weer laat stromen. Dat onze geloofsgemeenschap een plek mag zijn waar dat water gevonden kan worden.

Monique Maan

 Begin jaren negentig heb ik een keer het bekende bedevaartsoord Lourdes bezocht. We waren in de buurt op vakantie en mijn nieuwsgierigheid won het van mijn protestantse terughoudendheid. Het verhaal van Lourdes is dat Maria daar in 1858 aan het meisje Bernadette verschenen is en dat ze Bernadette een bron heeft laten ontdekken. Sindsdien wordt aan het water van die bron geneeskrachtige kwaliteit toegedicht. En dat zorgt ervoor dat er jaarlijks duizenden mensen naar Lourdes reizen in de hoop daar genezing van hun kwalen te vinden.

Aangekomen in Lourdes wist ik niet wat ik zag! Grote parkeerterreinen vol auto’s en bussen, winkels vol met jerrycans in allerlei maten om water van Lourdes mee naar huis te kunnen nemen, en talloze souvenirs met de afbeelding van Maria en/of Bernadette.

Maar toen we eenmaal door het hek gingen en op het terrein van de grot en de kerk kwamen, was daar een totaal andere sfeer. Mensen, soms op krukken of liggend in een bed dat geduwd werd door één van de tientallen vrijwilligers (vaak jonge mensen die met liefde en aandacht daar hun werk deden!). Er werd met elkaar gelachen, gehuild, gezongen, gebeden. Mijn argwaan smolt weg als sneeuw voor de zon. En nee, ik heb geen genezingen zien gebeuren. Maar dat het mensen goed doet om daar samen te zijn (en wie weet hoeveel moeite het hen gekost heeft om er te komen!), dát heb ik wel gezien en gevoeld. Het werk van barmhartigheid dat deze week centraal staat, zag ik daar in de praktijk.

 

Kees van Keulen

 De zieken bezoeken. Mijn vrouw en ik waren op bezoek bij een gemeentelid. Hij was ernstig ziek, had terminale kanker. Wij realiseerden ons dat het ons laatste bezoek aan hem zou zijn. Kort daarvoor lag hij nog in het ziekenhuis, gelijktijdig met mijn vrouw. Hij kwam toen op bezoek bij haar, “zocht” haar, toonde belangstelling, gaf warmte. Samen hebben ze gejankt. Toen we voor de laatste keer bij hem op bezoek waren, bood zijn vrouw ons koffie aan. Nu drinken wij nooit koffie, maar hadden op dat moment het hart niet in ons lijf iets anders te vragen en hebben twee bakken koffie gedronken. We hebben de hele nacht “tegen het plafond” aan gelegen. Wat een “energie” zo’n bezoek niet kan geven!

Hij is inmiddels overleden, maar we missen hem nog steeds.

 

Pierre Eijgenraam

In 1984 ben ik een half jaar op studiestage geweest in Nicaragua. Vanuit de Samen-op-Wegkerken was er een samenwerking met de baptistenkerken in het land en daar profiteerden wij van. In de hoofdstad Managua bevond zich het ‘seminarie’ van de kerk. Naast de eigenlijke school waren daar ook slaapzalen en appartementen voor studenten en medewerkers. Veel studenten verbleven daar de hele week en gingen in het weekeind naar huis of uit preken.

En zoals dat gaat, wanneer je voor het eerst in een tropisch land bent: na een paar dagen werd ik ziek. Een beetje koorts, veel diarree en een algeheel gevoel van malaise. De dokter gaf mij wat pillen en stelde mij gerust: na een paar dagen zou het wel over zijn.

Een uur later stonden wel zes medestudenten plotseling naast mijn bed. Ze hadden gehoord dat ik ziek was en kwamen mij bezoeken. Na een kort gesprekje begonnen ze luidkeels te bidden, de een na de ander, en dat allemaal in het Spaans. Ik deed mijn uiterste best om alles te verstaan, maar inwendig hoopte ik vooral dat ze me maar gauw met rust zouden laten.

Ziekenbezoek is niet altijd een weldaad. Het is heel goed kijken en luisteren: is het niet te vermoeiend voor de patiënt? Zou een indringend gesprek heilzaam zijn of is dit niet het moment? Moet ik langer blijven of nu weggaan? Bidden of niet?

Maar misschien gaat het maar nauwelijks om wat je zegt of je doet. Dat je er bent is vaak al genoeg.

Johannes Kon

Als de “lichamelijke” barmhartige werken verricht zijn (Daniël 7: 13 en 14 en Jesaja  etc.), resteren de 3 “geestelijke” deugden of worden die er juist door geïnspireerd?

*****

Nooit lag ik zelf (!) in een ziekenhuis (behalve in 1 nacht in Oostende in 1971 na een heetwaterincident in een tent op de camping aldaar op 15 augustus – Maria Hemelvaart -; ik kon ondanks de prima ‘traumatoloog’ t.p. nadien nog maar moeizaam lopen).

Ik bezocht ‘in mijn achtertuin” zhs Rijnstate nog wel eens : er lag wel eens iemand die ik kende, maar de meeste aandacht ging naar moeder en vader (resp. – tia – voorafgaand aan “de Braamberg”, want halfzijdig verlamd; resp. de 5-voudige bypass hartoperatie in zhs Nieuwegein en de revalidatie in Insula Dei).

Ze mochten nog tot eind 2014 resp. medio 2018 thuis blijven wonen op ’t Cranevelt – dankzij de thuis- en deels (mijn) mantelzorg.

En natuurlijk mijn partner Cora, die in 2011 in zhs “Tergooi” in Blaricum lag wegens een niet nader te noemen ziekte bij (ge)louter(de) vrouwen.

Het spijt mij oprecht, dat ik velen niet echt de aandacht gaf, die zij toch wel verdienden. Ik houd voor mijzelf een lijstje bij : “jij was er en ik zag je niet”.

Deze week beginnen de ‘Berichten voor thuisblijvers’ aan een kleine serie thema’s rond de zeven ‘Werken van Barmhartigheid’. Sommige schrijvers van de bijdragen moesten een lichte tegenzin overwinnen, voordat ze aan het schrijven toekwamen: de ‘Werken van Barmhartigheid’ zijn in hun jeugd misschien ook wel heel moralistisch gebruikt. Zo van: je móet wel barmhartig zijn. En aan het eind van de middeleeuwen wordt die plicht wel heel dwingend: door het doen van werken van barmhartigheid zul je na je leven beloond worden.
De werken geven een soort van vroege catechismus van hoe je in de wereld kunt staan. Zes van de zeven werken worden door Jezus genoemd in zijn rede over de eindtijd (Matteüs 25, 34-46), één werk (het begraven van de doden) is ooit door de kerkvader Lactantius toegevoegd.
Toen in de loop van de middeleeuwen een leven in Jezus voetspoor niet alleen voor religieuze professionals (priesters, bisschoppen en monniken) ook voor leken bereikbaar werd, waren de ‘Werken van Barmhartigheid’ een soort eerste instructie aan de leken, hoe je kon leven in lijn met Gods geboden. Die instructie werd hen niet alleen in preken en betogen voorgehouden, maar ook door allerlei schilderijen en fresco’s in kerken ingeprent.

Deze weken volgen wij niet de volgorde van de ‘Werken van Barmhartigheid’ zoals ze uit Matteüs 25 zijn af te leiden, maar de thema’s zoals ze deze weken aan de orde komen vanuit ‘Kerk in Actie’. We beginnen deze week met het thema ‘De zieken bezoeken’.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie.

 

Maandag 22 februari 2021 – Elsje Pot

Vaak voel ik schroom om bij een zieke op bezoek te gaan, zeker bij ernstig zieken of stervenden, die omringd worden door familieleden. Altijd vraag ik me af: wil de zieke (en de familie) eigenlijk wel dat ik kom? Ik stel me dan voor dat ik zelf ziek zou zijn en wie ik dan aan mijn bed zou willen zien. Ik heb niet de indruk dat een dominee in dat rijtje voorkomt.

Slechts één keer liet een zieke mij door zijn lichaamstaal weten dat hij mij niet wilde zien. Aanvankelijk spraken hij en zijn vrouw met mij aan de eettafel. Toen hij zieker werd, kwam er een bed in de kamer. Als ik de kamer binnenkwam, ging hij demonstratief met zijn gezicht naar de muur liggen. Dit tot grote frustratie van zijn echtgenote.

Ondanks zijn afwijzing bleef ik komen. Ik snapte hem wel: hij wilde niet weten dat hij stervende was, dat had hij de arts laten weten. Er mocht niet over gesproken worden. Zijn keus om er het zwijgen toe te doen, hield zijn vrouw en kinderen in gijzeling. En dan kwam die eigenwijze dominee en die probeerde hem dan toch aan de praat te krijgen.

Op een keer riep de familie mij halsoverkop naar het ziekenhuis, het ging heel slecht. Toen bleek ook het onmogelijke van die ‘afspraak’. Zijn vrouw doorbrak het zwijgen liefdevol: “Ik hoor de engeltjes al voor je zingen”.

Efrem de Syriër (306-373)

Het vasten is zuiver
en past bij wie zich zuivert
om God te (kunnen) zien.
Want de troebele die door iets wordt vertroebeld
kan die Heldere niet aanschouwen.
Wie een helder oog bezit,
hij (alleen) kan Hem zien,
voor zover het gegeven is om te zien.
Laten wij, in plaats van de wijnen te zuiveren,
de geest zuiveren,
opdat wij de Heldere kunnen zien
die door vasten de Boze overwon, die alles troebel maakt.

Arjen Hiemstra

De eerste keer dat ik met vasten te maken kreeg was toen ik een weekend verbleef met mijn medescholieren in een Cisterciënzerklooster in Tegelen. Vanuit het hoge noorden waren we met onze godsdienstleraar op de middelbare school naar het klooster gegaan om kennis te maken met het leven van de monniken. En ik moet zeggen: het is me alleszins meegevallen.

Toen we aan het warme middagmaal zaten, verontschuldigde de gastenbroeder zich voor de eenvoudige maaltijd. Maar ja, het was vastentijd, dan aten de broeders altijd heel eenvoudig, en die soberheid gold dan ook voor de gasten.
Ik zag een grote gedekte tafel met wit tafellaken en gesteven servetten. Ik zag grote schalen met zuurkoolstamppot, zelf ingemaakte augurkjes en zilveruitjes, ja en vegetarische worsten. En toen ik even later in de stilte van de gastenrefter mijn eerste hap nam proefde ik heerlijke gestampte aardappels met zuurkool. Op hetzelfde moment reed de gastenbroeder een karretje met drankjes naar binnen. ‘Wat we maar wilden drinken bij het eten, een biertje of toch iets fris of misschien een glas wijn?’

Soberheid hoort bij Cisterciënzer monniken. Soberheid hoort bij de vastentijd. Maar soberheid betekent niet dat niks meer mag. Het betekent vooral dat je met zorg en aandacht omgaat met je leven. Dat je aandachtig bent in wat je eet en in wat je niet eet. Eens iets weglaat, vlees, alcohol of autorijden. En dat je dat wát

je eet dat met aandacht tot je neemt. In stilte bijvoorbeeld. Dat je goed proeft wat je eet. Dat je beseft dat je het allemaal maar ontvangt. En dat je beseft met wie je samen bent om te eten.
Daarom houd ik ook zo van Cisterciënzer monniken.