Johannes Kon

Inmiddels is schrijver Jan Rot (legendarische hertaler van de Mattheus Passion) niet meer van deze tijd – netzomin als Henny Vrienten (Doe Maar / VBK) etc. Maar hun muziek blijft duren!

Ik ben ook niet meer van deze tijd – and I praise the Lord.

In 1998 werd ik geconfronteerd met “de nieuwe tijd”: ik was net 50 jaar geworden en dus geen echt nieuwetijdskind. Ik woonde voor het eerst op mezelf – voordien waren er een vastberaden moeder en partners om zich over mij te ontfermen.

De allerhoogste ambtenaar bij de gemeente Arnhem verordonneerde toen KANS: KantoorAutomatisering Nieuwe Stijl. Voortaan moest je zélf je brieven typen en collegae kregen ook een mobiele telefoon.

So far so good; ambtenaren zoals ik (gedwee en gezagsgetrouw) bogen voor het publiek: sneller en efficiënter inspelen op zijn terechte wensen. En toen: ik zie het digitale platform verharden. “Platform” betekent zoiets als: opereren op een gelijk niveau en ook samenwerken.

Toen kwamen al snel de “haai tek brothers”, slechter dan “the Blues Brothers” en nog erger dan “the Seven Sisters” (oliemaatschappijen, die de gehele wereld beheersen).

Ik heb mij altijd verzet tegen deze nieuwe wereldorde en ben absoluut geen complottheoreticus. Ik zit wel gezellig op WhatsApp (c°), maar niet op Twitter, Facebook, LinkedIn, Instagram, Telegram, TikTok – you name it. Ik gebruik geen streamingsdiensten. In draai mijn eigen platen wel.

Wat is ook niet meer van deze tijd? Ons koningshuis – ooit uit het niets ontstaan – ongelukje in 1815. Dus ik (v)lieg niet uit de bocht, als ik meld dat ik nóóit naar Griekenland vloog.

Op 27 april neem / nam ik formeel afscheid van het Koningshuis. Dat lintje krijg ik nu vast niet meer; ik kies ook voor andere postzegels en munten.

 

Johannes – voor ’n g(r)eintje vervaard

Kees van Keulen

Weet u, ik ga vrijwel elke zondag naar de kerk, ook als ik niet orgel speel. Dat is toch niet meer van deze tijd!

Heb voorkeur voor oude Psalmmelodieën. Kent u ze nog uit het oude Psalmboekje? Dorisch, Phrygisch, Mixolydisch. Dan heb je echt afgedaan.

Ben een fanatiek orgelspeler. Niet op een modern keyboard, maar op een instrument met orgelpijpen en “levende wind”. Maar helaas, de orgelcultuur is passé; er zijn er niet veel meer die orgelspelen of naar orgelmuziek luisteren.

Hedendaagse muziek? Laat de pop-muziek maar zitten. Om over festivals met gehoor-vernietigende stampmuziek niet te schrijven. Geef mij maar klassieke luistermuziek.

We hebben geen auto. Hoe meewarig wordt er gekeken als ik dat vertel! Alsof niemand ooit zonder kan.

Ik verzorg rondleidingen door een kasteel. Gaat allemaal over vroeger. En leuk dat ik dat vind!

Ben lid van een schaakvereniging. Dat is toch een sport voor oude mannen!

Een tattoo? Moet er niet aan denken.

Ten slotte, ik haak niet als vanzelfsprekend bij elke vernieuwing aan. Denk aan al die computer- en communicatiesnuisterijen. Ik realiseer me dat het vaak alleen maar betekent dat ik me er later aan overgeef dan anderen, maar “iedereen” gaat ervan uit, dat je altijd en overal …

Het verleden idealiseer ik niet, maar waarom zou ik aan elke vernieuwingsfrats meedoen? Natuurlijk zijn de sociale verbanden waarbinnen ik figureer van invloed, maar ik blijf liever bij mezelf: Ben ik een zelfstandig denker, gewoon eigenwijs, of niet meer van deze tijd?

Arjen Hiemstra

Er zijn in de wereld veel dingen die niet van deze tijd zijn. Ze zijn namelijk oud en hebben vaak een lange geschiedenis. Sommige dingen vinden veel mensen aantrekkelijk. Kerkgebouwen bijvoorbeeld. Zo lopen grote groepen mensen lopen de kathedraal van Chartres binnen. Ze worden getroffen door het beeldhouwwerk van de kathedraal, de oude gebrandschilderde ramen en het labyrint dat op de vloer is aangebracht.

Ander cultureel erfgoed is minder aantrekkelijk. Er zijn nog steeds mensen die net als ik zich verdiepen in teksten van Augustinus. Boeiend vind ik het, hoe hij schrijft in een periode meer dan 1500 jaar geleden. En soms zegt hij nog steeds waardevolle dingen over Bijbelteksten. Toch lezen steeds minder mensen zijn geschriften, het Augustijns Instituut in Utrecht, dat vele teksten van Augustinus heeft vertaald wordt aan het eind van dit jaar gesloten.

Ik denk wel eens: of iets wat niet van deze tijd is nog van waarde wordt bevonden is afhankelijk van de vraag of wij ons er in willen verdiepen of niet. Want je moet wel wat hobbels nemen om iets werkelijk te begrijpen: je moet er tijd voor nemen, je moet informatie vinden over de tijd van ontstaan, je moet goed kijken en lezen. Misschien moet je dingen wel meerdere keren overdenken. Maar het begint toch altijd met wíllen begrijpen.

Maar dan kunnen dingen die niet meer van deze tijd zijn, toch nog steeds de inspiratiebronnen aan ons laten zien. Bronnen die de makers ooit aanzetten hun cultureel erfgoed vorm te geven.

 

Pierre Eijgenraam

Toen ik theologie ging studeren zei één van onze docenten –Ik geloof dat het de hoogleraar kerkgeschiedenis was: ‘Denk maar niet dat je in dit vak nog iets nieuws kunt verzinnen. Alles wat de moeite van het bedenken waard is, is al eens eerder bedacht. En wat nog niet eerder bedacht was, is hoogstwaarschijnlijk de moeite van het bedenken niet waard’. Gelukkig voegde hij er aan toe: ‘..maar de kunst is om op het juiste moment het juiste weer opnieuw te bedenken’.

Ik woonde destijds op een klein kamertje bij een hospita. De wanden en het plafond waren helemaal wit. Dat vond ik rustgevend en lekker licht. Maar mijn medestudenten vonden het belachelijk ouderwets. Kleur en fleur was de mode. Toen ik na een paar jaar verhuisde naar een grotere kamer kalkte ik de muren –letterlijk- groen en geel. Eindelijk modern! Helaas had ik niet opgemerkt dat inmiddels wit de mode was….

Prediker zegt: ‘Wat geweest is dat zal er zijn, en wat gedaan is zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon’. Met het ouder worden begin ik me steeds vaker ouderwets te voelen. Ik erger me aan het vele Engels in onze taal en ik gebruik mijn mobiele telefoon zo weinig mogelijk. En zeg nou zelf: dominee zijn, kerk en geloof, dat is toch ook niet meer van deze tijd?

Toch blijf ik er maar bij. Je weet nooit of het nog weer eens in de mode komt. En dan loop ik voorop!

Jos Hordijk

Als kind speelde ik na schooltijd altijd buiten met de buurtkinderen. Als ik geroepen werd moest ik binnen komen om te eten en te slapen. Iedere zondag liep ik met mijn vader naar de kerk in zondagse kleren en op zondagse schoenen. Als de preek begon kreeg ik een pepermuntje. Niet alles mocht op zondag, er waren beperkingen op het gebied van ons verplaatsen en kopen. Lezen was toegestaan en buiten spelen ook en we aten ‘zondags’ eten, dat was extra lekker.

Op bijzondere feestdagen gingen wij naar De Brink, om vaderlandse liedjes te zingen zoals: ‘O, schitterende kleuren van Nederlands vlag’ en ‘Wilt heden nu treden voor God onze Here’. En ‘waar de blanke top der duinen’. Het Wilhelmus zongen we ongetwijfeld ook. Natuurlijk nam ik de door mijn vader gemaakte kleppers mee naar De Brink.  Ik genoot van het muziekkorps en het samen zingen en klepperen.

Op Koninginnedag gingen we ’s morgens naar school om spelletjes te doen en ’s middags kreeg ik geld om een balletje te kopen met een elastiekje eraan. We dronken thuis een glaasje ranja en waren de hele dag buiten of naar de bazaar in de Vredeskerk waar we mochten grabbelen in de grabbelton, blikjes omgooien met een balletje, geblinddoekt een parcours afleggen en andere spelletjes. Wij kinderen ondernamen van alles met elkaar. Geen ouders die ons volgden op hun smartphones. Onze ouders hadden rust op Koninginnedag.  Wat waren wij vrij en zelfstandig als kinderen van onze tijd. Niet meer van deze tijd?

Monique Maan

Twee jaar geleden begonnen we met de wekelijkse ‘Berichten voor de thuisblijvers’, als manier om in contact te blijven met elkaar toen we door corona noodgedwongen thuis zaten. Na verloop van tijd werden die wekelijke berichten vervangen door maandelijkse teksten ‘Vanaf de zijlijn’. En nu zetten we er een punt achter. Definitief? Wie zal het zeggen. Misschien duiken op enig moment mét de mondkapjes ook de Berichten wel weer op….

Maar voor nu is het mooi geweest. Er is een tijd om te beginnen en een tijd om te stoppen, zou Prediker zeggen. En het schrijven van deze stukjes is nu ‘niet meer van deze tijd’.

Ik heb mijn stukjes altijd met plezier geschreven. De ene keer ging het makkelijker dan de andere keer. Maar het verraste mij zelf hoe er over elk onderwerp wel een associatie op papier te krijgen is. Via mijn stukjes heeft u kennis kunnen maken met familieleden, met hobby’s, met zwakke plekken, ergernissen, idealen en dromen.

Nu is het weer tijd voor andere dingen. De nieuwe wijkgemeente Noord krijgt steeds meer vorm, we zijn blij met steeds meer mensen op zondagmorgen, en de tijd zal leren in hoeverre corona ons kerkzijn echt veranderd heeft. We merken dat de belangstelling voor doordeweekse activiteiten achterblijft. Ligt dat aan de grootte van de wijkgemeente? Of zijn we eraan gewend om meer thuis te zijn? Is meedoen met een gespreksgroep of inloopochtend niet meer van deze tijd? We gaan het zien. Hoe dan ook: in de ruimte van wat stopt, kan iets nieuws gaan groeien. Ik ben er klaar voor.

Arjen Hiemstra

In de afgelopen twee jaar zijn er heel wat stukjes voorbijgekomen van mij. Sommige stukjes leverden reacties op van lezers: herkenning, soms verbazing, een enkele keer een kritische kanttekening. Er waren stukjes bij die goed waren geschreven, maar er zijn ook vast stukjes geweest waar ik achteraf niet gelukkig mee was. Snel vergeten, dergelijke bijdragen, elke nieuwe bijdrage is een kans op wél iets goeds.
In die periode hebt u als lezer mij ook een beetje leren kennen uit mijn bijdragen. U hebt de geschiedenissen gehoord van een opmerkelijke beppe en een wereld bereizende pake, u hoorde tijdens een Bericht voor Thuisblijvers alweer lang geleden van mijn wijsheden over Oosterse kerkvaders en verder vernam u welke schatten ik tijdens mijn leven verzameld heb en waar ik maar moeilijk afstand van kan nemen.
Het zou mooi zijn, als u in de afgelopen twee jaar ook iets van mildheid had geproefd in mijn bijdragen. Ik probeer mijn oordeel over anderen nog wat uit te stellen en ook niet steeds zo te hard te oordelen over mijzelf. Die mildheid zat wel in die stukjes van mij, denk ik. Het maakt het leven zoveel makkelijker als je niet steeds oordeelt, ook niet steeds oordeelt over jezelf.
En ja, het heeft wel een tijdje gekost om zo ver te komen. En soms kriebelt het nog wel een beetje, het ongeduld. Maar volgens mij lukt het steeds beter, om met mildheid naar mensen en problemen te kijken.

Elsje Pot

Als ik niet weet wat ik met het thema voor ‘vanaf de zijlijn’ moet beginnen, zoek ik het in het woordenboek op, of ik snuffel in liedteksten en af en toe kijk ik of het woord in de bijbel voorkomt. En gelukkig, ik tref het, in de NBV21 staat het 3 keer, maar in alle andere vertalingen staat het woordje ‘mildheid’ alleen in 2 Korinthiërs 10 vers 1. Dat maakt de keus overzichtelijk.

‘Ik, Paulus, die me volgens zeggen zo bedeesd gedraag wanneer ik bij u ben en alleen uit de verte flink doe tegen u, ik doe een beroep op u in naam van de zachtmoedigheid en mildheid van Christus.’

En vervolgens gaat Paulus verder door te zeggen dat hij hoopt dat strenger optreden niet nodig zal zijn. En dan volgt er een stukje retoriek dat begint met de opmerking “we vechten niet met aardse middelen”. Het is verbazingwekkend (of niet?) dat daarna de woorden: wapens, strijd, krijgsgevangene, bolwerken, verschansing, neerhalen, onderwerpen, paraat staan en straffen, je om de oren vliegen. Voor iemand die een beroep doet op de mildheid van Christus, lijkt me het een nogal militant taalgebruik.

Het is trouwens de vraag of Jezus werkelijk zo mild was. Als de wrakende God van het eerste testament het in een gesprek verloor van de liefdevolle Jezus van het tweede, legde ik mijn gesprekspartners uitspraken voor uit beide testamenten. Zij moesten aangeven uit welk deel van de bijbel de teksten kwamen, dat bleek nog niet zo eenvoudig.

Kees van Keulen

Meestal, als ik de onderwerpen krijg waarover we gaan schrijven, weet ik snel wat ik ‘op papier’ ga zetten. Ik begin dan te schrijven en maak aan één stuk het verhaaltje af. Natuurlijk verander ik daar nog wel wat aan, vooral door het schrappen van overbodige woorden en zinnen, maar in de kern blijft het onveranderd.

Dit keer ging het anders. Ik wist niet waarover ik het moest hebben. Ik had het er al eerder over gehad, dat ik scherp uit de hoek kan komen, dat ik mijn oordeel soms te vlug klaar heb, dat ik er ook wel brokken mee heb gemaakt, en dat mijn vader me vroeger al op zwart-wit-denken aansprak, maar om het daar nu weer over te hebben!
Toen ik dat nog eens op me liet inwerken, bekroop me de gedachte, dat ik misschien ook moet leren niet altijd zo kritisch, zo hard naar mezelf toe te zijn. Toen ik bij een psychotherapeute liep, zei ze dat ze niet eerder een cliënt had die zo negatief over zichzelf dacht. Wellicht zou ik meer van mezelf moeten gaan houden, milder voor mezelf moeten zijn. Wie weet, wordt dan, zoals een broer het zei, mildheid wel mijn kracht.

Jos Hordijk

Tijd is aan verandering onderhevig, , mijn gevoelens en mijn blik op vroeger ook. Wat was ik opstandig als kind en wat kijk ik nu met liefdevolle blik terug .

Als het vroor verschenen er bloemen op de ramen van de slaapkamer waar mijn zus en ik een tweepersoonsbed deelden en wat af vochten. Aan tafel moesten wij (6) kinderen zwijgend ons bord leeg eten. Deur dicht, riepen mijn ouders, want anders zou de warmte van de kolenkachel, later een oliekachel, ontsnappen naar de koude gang. De rest van het huis was gewoon koud. We werden gedrild om te spreken met 2 woorden, ja mama, nee papa. De meester op school deelde wel eens een tik uit, die zou ik dan wel verdiend hebben.

Op maandag, wasdag stond mijn moeder buiten in de kou in twee teilen te wassen te spoelen en te wringen. Ze zong daarbij het hoogste lied. Als ik uit school kwam hoorde ik haar van verre al zingen, psalmen en gezangen. Toen mijn moeder na een korte ziekte stierf werd daar niet met ons over gesproken, niet thuis en niet op school, het woord rouw kenden wij niet.

Toen ik zelf kinderen kreeg begon ik over het leven van mijn ouders na te denken en voelde ik zoveel compassie en liefde. Wat deden ze het goed, onder die omstandigheden. Het zingen moet mijn moeder geholpen hebben. Ik zing ook graag en kijk met mildheid naar het leven van mijn ouders, vooral naar dat van mijn moeder die maar 51 jaar is geworden.