Pierre Eijgenraam

Het was nog vóór corona, maar niet heel lang ervoor: 23 augustus 2018. Op een kade aan de Amstel staan vijf grijzende dominees naar een bootje te turen, dat nadert over de rivier. Eén van die dominees was ik.

Het was die dag veertig jaar geleden dat wij elkaar in 1978 voor het eerst ontmoetten, als aankomende studenten theologie. Allemaal een jaar of achttien, net eindexamen gedaan en voor het eerst op kamers -hoewel één van ons eerst nog een jaar in Amerika had doorgebracht.

Het was een mooie dag met prachtig weer. We maakten een boottocht over de Amsterdamse grachten en langs oude herinneringen, hoewel sommige grachten waren afgesloten. In en rond de Nieuwe kerk van Amsterdam (die van Arnhem bestond toen nog niet..) werd gevierd dat 70 jaar geleden daar de wereldraad van kerken werd opgericht. Vanwege hoog bezoek moest ook het varend verkeer daar uit de buurt blijven.

Waar blijft de tijd?  ‘Leer ons zo onze dagen tellen’, zegt Psalm 90, ‘dat wij een wijs hart bekomen’. Ouder en wijzer zijn we vast wel geworden. En wel bijzonder: nog allemaal werkzaam als dominee of godsdienstleraar.

Maar ik kan nog wel eens terugverlangen naar 40 jaar geleden, toen we nog jong en onbevangen, vol idealen en met veel vrolijkheid de studentenwereld betraden. ‘Sadder and wiser’ zeggen de Engelsen. En ik vrees dat dat ook voor ons geldt. Gelukkig is de vriendschap gebleven en zelfs het geloof, zij het wat bescheidener –maar hopelijk ook meer doorleefd- dan voorheen.

Elsje Pot

Wat zal ik kiezen bij veertig jaar: mijn leeftijd of 40 jaar geleden? Ik ben aan het rekenen, 40 jaar geleden studeerde ik nog (1981/2), ik was bezig mijn kerkelijke opleiding af te ronden. En toen ik 40 was, waar was ik toen mee bezig? Ik had twee jonge kinderen en werkte in mijn tweede gemeente. Allerlei herinneringen komen boven, waar zal ik over schrijven?

Ik kies voor 40 jaar geleden, ik woonde op kamers aan de Singel in Amsterdam, midden in het centrum, het gedeelte waar de bloemenmarkt is. Als je uit het raam keek zag je de Munttoren rechts en links het Koningsplein. Ik kon lopend naar de faculteit op de Herengracht. Het was de tijd van de krakersrellen, antikernwapendemonstraties, de tweede feministische golf en de voor mij pijnlijke ontdekking dat een baan als predikant niet vanzelfsprekend was voor een vrouw.

Tijdens mijn stage in een wijkgemeente in Amsterdam riep een preek van mij zoveel op, dat een groep gemeenteleden in de pen klom en een boze brief aan de kerkenraad stuurde met het verzoek om ervoor te zorgen dat ik nooit meer de gelegenheid tot preken zou krijgen. De hoogleraar christelijke ethiek Wessel Verdonk (helaas veel te jong gestorven), vond het een mooi leermoment en adviseerde mij om het gesprek aan te gaan. Zo geschiedde.

Ik realiseer me dat ik inmiddels hard op weg ben naar het einde van mijn carrière, die toen nog beginnen moest. Ik zal de pensioengerechtigde leeftijd bereiken voor ik 40 jaar heb kunnen volmaken.

Jos Hordijk

Veertig jaar geleden was het 1981. We zaten midden in de tweede feministische golf. Ik sloot me aan bij een werkgroep in Duiven om een vrouwencafe van de grond te tillen. In Zevenaar begon een Voscursus , vrouwen oriënteren zich op de samenleving. Een lieve dame uit de kerk, iets ouder dan ik vond het zo leuk toen ik haar vertelde over die cursus, dat ze mij aanmoedigde om er naar toe te gaan. ’Dan kom ik op je kinderen passen’ zei  ze. Ik ging er met een vriendin naar toe en de wereld ging voor me open. Het duurde niet lang of ik gaf de Voscursus zelf. Het was de tijd van de moedermavo, de weekends in vrouwenvormingscentra, praatgroepen,  feministische theologie. In het hele land waren bijeenkomsten voor vrouwen op verschillende gebieden. Ik zong bij  vrouwengroep ’t klapstuk’ liedjes over ons leven, we waren beroemd in heel Gelderland.

In diezelfde periode zong ik ook bij een christelijk koor in Zevenaar: Door eendracht sterk. Daar leerde ik een bondslied, van welke bond is mij onbekend: Eén in geest en streven, één in lied en leven, één in daad en woord. Eén in ’t rijk der klanken. Eén om God te danken. Eén bij lof akkoord. Eén zij ons doel. Waar ’t reinst gevoel. Eendracht wekt en kracht in ’t streven. Moge God dat geven.

Het hoorde allemaal bij elkaar, het religieuze en het feministische spoor. We wilden vooruit, zonder met het badwater het kind weg te gooien, zingen hielp ons bij onze bewustwording.

 

Arjen Hiemstra

Zo’n veertig jaar geleden begon ik mijn weg als dominee. Eerst de nodige jaren die ik als ‘voorbereidende beschietingen’ zou willen karakteriseren. VWO 5 en 6, een verkeerd gekozen studie verpleegkunde, toen Universitair Godgeleerdheid en “Aanvullende studie met het oog op het predikantschap in de Gereformeerde Kerken in Nederland”. Het was allemaal niet zo doelgericht als het klinkt en het kostte veel tijd. Maar was ik toen dominee?

Ik weet het niet.

In mijn eerste gemeente heb ik veel geleerd. In mijn tweede en derde was het niet anders. En ook nu heb ik het gevoel dat ik nog steeds dingen moet leren – geduld bijvoorbeeld in deze coronatijd – omdat de tijd en de plek steeds weer anders zijn.

De middeleeuwse mystica Julianne van Norwich zegt over die weg van leren mooie dingen. Ze schrijft: “En ik kon zien dat wij noodgedwongen in verlangen en bezinning verkeren, tot de tijd waarop wij zo diep in god binnengeleid worden, dat we onze eigen ziel echt kennen”.

Niet alleen veel kennis over de Bijbel, de Theologie en de kerk heb ik opgedaan in de verschillende gemeenten. Het nodige heb ik er geleerd over de wereld en de mensen. Maar ook de eigen ziel heb ik wel zo’n beetje leren kennen.

Er was verlangen. Er was bezinning. Die veertig jaar mag je zelfs noemen een binnengeleid worden in god.

 

Monique Maan

Het is alweer even geleden dat ik 40 werd (ik ben nu 57). Maar ik herinner me nog goed dat ik er niet veel aan vond. Onze oudste kinderen waren beginnende pubers en ze begonnen die levensfase met het nodige gedoe. In mijn werk zat ik ook een beetje op een dood punt. Het studentenpastoraat waar ik met veel plezier werkte, had te maken met grote bezuinigingen en veranderingen. Ik vroeg me af of en hoe ik daar nog lang met plezier zou kunnen werken. Uiteindelijk kwam een paar jaar later de vacature in de Diaconessenkerk op mijn weg en tot op de dag van vandaag heb ik geen spijt van de overstap van studentenpastoraat terug de kerk in. Met de pubers is het ook goed gekomen, maar de leeftijd van 40 jaar is voor mij altijd omgegeven gebleven door een wat onbestemd gevoel.

Maar bij 40 denk ik ook aan 40 jaar geleden! In 1982 deed ik eindexamen en ging ik studeren. Dat betekende in mijn geval ook het huis uit en op kamers. Ik vond het geweldig en heb zeer genoten van de jaren die daarna volgden. Ik ontdekte de wereld en mezelf. Ik kreeg zicht op mijn toekomstdromen en het leven lag voor me.

Twee heel verschillende associaties bij het getal 40 dus, en dan heb ik het nog niet eens gehad over de betekenis van het getal 40 in de Bijbel. Maar daar schrijft vast een collega wel over.

Kees van Keulen

Ik heb meer dan 40 jaar bij de toenmalige PTT gewerkt, waarvan het grootste deel bij Tante Pos. Na een opleiding op het PTT-opleidingscentrum Voorlinden te Wassenaar (thans een museum voor moderne en hedendaagse kunst) was mijn eerste klus het opheffen van de sortering voor de postbezorging ’s middags. Er waren toen nog twee bestellingen per dag. Deze sortering vond in treinen plaats. Twee postwagons, waarin dit gebeurde, staan nu in het Spoorwegmuseum te Utrecht. Na omzwervingen via Den Haag, Arnhem, Den Haag, Amsterdam, Utrecht, Houten en Duiven sloot ik mijn postale loopbaan af als manager van het sorteercentrum in Het Broek, hier in Arnhem.

Toen ik in oktober 1970 in dienst trad, werd al verteld dat de hoeveelheid postzendingen, die toen nog groeide, aanzienlijk zou teruglopen. Het was een goed lopend bedrijf, “top of the world”, waar ik trots op was, dat voor mijn gevoel “van mij” was, waar een postbode nog een normaal gezinsinkomen kon verdienen. Maar welke idioot gaat zo’n bedrijf (in 1989) privatiseren? Waarom moest en zou er concurrentie komen, met dagelijks meer bezorgers (met “pulpbanen”) aan de deur? Waarom moest het bedrijf (in 1994) de aandelenbeurs op? Ik weet het, de top ging het alleen om geld, macht, aanzien, maar het gevoel dat het bedrijf “van mij” was, was ik kwijt. Het werd eigendom van de aandeelhouders. Was ik voorheen trots op de maatschappelijke functie, die het bedrijf had, het werd een vies woord, waarover we het niet meer mochten hebben. Het bedrijf is kapot gemaakt. Daar was geen 40 jaar voor nodig.

Lang leve de privatisering! Lang leve het grote geld!

 

Alweer een nieuw jaar! En ook van de zijlijn de beste wensen voor dit jaar: natuurlijk veel gezondheid, dat uw plannen mogen slagen en veel geluk. Maar ook met wat minder corona, wat meer kerk en veel inspiratie!

De komende reeks ‘Vanaf de Zijlijn’ heeft als thema: ‘Veertig’.

Het thema blijkt vooral uit te nodigen tot terugblikken. ‘Veertig’ is ook een symbolisch getal. Het volk Israël trok veertig jaren door de woestijn. Jezus was 40 dagen in de woestijn toen hij op de proef gesteld werd en 40 dagen is de voorbereidingstijd voor het Pasen wordt. 

 

Op een voor elke kerkganger zichtbare plek in de Parkstraatkerk zie ik een stuk hout op een sokkel staan. Ik vraag me af wat het moet voorstellen. Misschien vraagt u zich ook af waar u naar kijkt, ik verklap het maar meteen: een engel. Het beeld is gemaakt door Wolfram Doerffel uit Leipzig.

Voor de volledige afbeelding ga naar https://www.facebook.com/PGArnhem/photos/a.549565618396369/5030034053682814

Het stuk hout is een deel van een boomstam, aan de achterzijde zie ik de donkere laag van de bast, daar tegenaan zit een lichtere laag en daarvoor richting de kern van de stam wordt het hout weer donkerder.

De engel zie ik in het lichtere gedeelte, de punten van de vleugels steken uit naar boven, ze komen samen waar het hoofd begint en ik ontwaar nog een schouder en arm. De kleding van de engel, een lang gewaad, loopt in plooien naar beneden en volgt daarbij de natuurlijk nerven van het hout. De engel gaat deels schuil achter de donkere kern van het stuk stam. En naarmate mijn blik verder naar onderen gaat, valt de engel steeds meer samen met het blok hout. Onderaan is het hout rafelig, zowel de bast en kern als het gewaad van de engel.

In de Bijbelverhalen rond kerst spelen engelen een prominente rol. En ook op schilderijen, kerstversieringen en kaarten is de engel duidelijk aanwezig. Om de engel in dit houtsnijwerk te zien, moest ik eerst horen waar ik naar keek, ik zag het niet meteen. Sterker: ik had het stuk al verschillende keren zien staan, maar ik kreeg niet spontaan een associatie met een engel.

Nu ik het zie, roept deze vormgeving ook van alles op over de aanwezigheid van engelen. Ik vind het eigenlijk wel veelzeggend dat de engel hier min of meer opgaat in de omgeving. Het beeld ademt voor mij een mysterieuze sfeer: engelen, ze zijn er wel, maar niet duidelijk zichtbaar. En ik vraag me af: worden we door de Bijbelverhalen rond kerst niet op het verkeerde been gezet? Zijn het engelenkoor en Gabriël in de verhalen niet te nadrukkelijk aanwezig in de beeldvorming? Is het niet zo, als het om engelen gaat, dat we moeten zeggen: ‘zien soms even’?

Arjen Hiemstra:

Er zijn veel beroepen die ik vroeger wilde kiezen. Kok wilde ik worden, accordeonist, later medisch analist, nog weer later arts; en toen mijn cijfers op het VWO tegenvielen verpleegkundige. Soms heb ik ook wel eens gedacht dat ik tuinman of boer had willen zijn. Maar het is dominee geworden.

Veel van deze potentiële beroepen zijn verbonden met mijn familie. De kok van ons gezin was mijn moeder. De muziek speelde een grote rol in haar familie: er waren voorouders die hun hele ziel en zaligheid over hadden voor het muziek­korps. Het verhaal gaat dat één van mijn grootouders zoveel tijd aan de plaatselijke fanfare besteedde, dat hij zijn bakkerszaak verwaarloosde en zijn gezin in armoede leefde.

De medische wereld had aantrekkingskracht vanwege de sterke verhalen van mijn vader, die in zijn diensttijd hospik was geweest. Boer leek me aardig omdat mijn vader en grootvader boerenarbeider zijn geweest. Tuinman omdat zij beide ook tuinman waren, mijn vader er zelfs een opleiding voor volgde en wij die studieverrichtingen (soms zelfs een slecht cijfer – wat hadden wij een leedvermaak!) van nabij volgden.

Dominee zijn combineert al deze beroepen: een goede preek is als een gerecht opgebouwd uit uitleg, wereld en spiritualiteit. In de liturgie is muziek heel belangrijk. In het pastoraat spelen gezondheidsveranderingen een grote rol.

En uiteindelijk is al je werk als het werk van een boer en een tuinman: je zaait wat, en dan moet je maar afwachten wat ervan komt. De Geest moet het doen.

Elsje Pot:

Of ik als kind al ideeën had over wat ik later wilde worden, weet ik niet. Volgens mijn moeder wilde ik al jong dominee worden, maar toen zat ik inmiddels op de middelbare school. Ik kan me nog wel herinneren, dat ik nog een tijdje aan zendingsarts gedacht heb. Dat ik die kant niet ben opgegaan, is achteraf heel verstandig: ik val flauw als ik bloed zie en ik ben ook niet zo van de enge beestjes. In zendingsgebieden zijn die zonder twijfel ruim voorradig.

In de laatste klas van de middelbare school heb ik een open dag van de technische hogeschool bezocht, ik denk eigenlijk vooral omdat mijn vader dat suggereerde.

Het werd dus theologie en zo kon ik worden, wat ik als tiener al bedacht had.

Tijdens mijn studie werkte ik als serveerster in Bergen aan Zee en was ik kassière in een supermarkt en na mijn studie, voordat ik een baan als dominee vond ben ik een tijdje telefoniste geweest. Ik wist namelijk wel heel goed wat ik niet wilde en dat was schoonmaak of huishoudelijk werk.

Ik weet natuurlijk niet hoe ik die werkzaamheden had gevonden als ik dat jaar in jaar uit had moeten doen, maar ik heb er wel het gevoel aan over gehouden, dat ik ook in andersoortige banen plezier in het werk zou kunnen hebben.

En misschien als ik alles over zou kunnen doen, zou ik iets creatiefs kiezen, maar goed, dat is ook nu al een onderdeel van mijn vak.