Kees van Keulen

Ik liep op een zaterdagmiddag door de Koningstraat, daar waar vroeger de bibliotheek was. Ik werd aangeschoten door een zwerver. Of ik iets voor hem over had om eten te kopen. Ik zei “Geld krijgt u niet, maar ik wil wel iets voor u kopen.” We liepen een snackbar binnen en ik bestelde een broodje kaas. “Of het ook ham mocht zijn.” Prima! Had ik hem natuurlijk eerst moeten vragen. Daarna vroeg hij of hij ook nog een broodje bal mocht, en vervolgens om iets te drinken erbij. Hij werd steeds opdringeriger. De andere mensen in de zaak gingen zich ermee bemoeien. “Moet je niet doen. Krijg je alleen maar geduvel van. Zulke mensen zijn niet te helpen.” Het werd bepaald vijandig. Ook de snackbarhouder was duidelijk ongelukkig met onze aanwezigheid. Achteraf gezien had ik natuurlijk alleen naar binnen moeten gaan. De zwerver bleef aandringen en wilde meer. Zelfs “Naar een chinees” viel. “Ophouden! Nog één keer en u krijgt helemaal niks!” Het kwam niet over. Hij ging door. Mijn reactie was duidelijk: “Dan maar helemaal niets” en liep de zaak uit.

’s Avonds hebben we thuis gekookte aardappelen, andijvie, een bal gehakt en warme griesmeelpudding toe gegeten.

 

Monique Maan

In Genesis 3 wordt ons verteld over de zogenaamde zondeval. Het verhaal eindigt met de mededeling dat Adam en Eva het paradijs moeten verlaten. Ze moeten de wijde wereld in om daar het leven aan te gaan. Maar voordat God hen wegstuurt uit de tuin, staat in vers 21: ‘God, de Heer, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.’ Ik vind dat een ontroerende zin. Het roept het beeld op van God als moeder die nog even de sjaal om je nek knoopt en je kraag omhoog zet voordat je de kou ingaat. Een menselijk en mooi beeld.

Maar er zit meer in. Adam en Eva hebben geprobeerd zich voor God te verstoppen – zoals mensen zich tot op de dag van vandaag kunnen verstoppen, in grote woorden waarmee ze zichzelf overschreeuwen, in pogingen om de aandacht van zichzelf naar anderen te verleggen. We hebben vaak zoveel manieren om het maar niet over onszelf en onze fouten te hoeven hebben…. Maar God prikt er, zegt Genesis 3, doorheen en ziet ons zoals we zijn, in al onze kwetsbaarheid, in al onze naaktheid. En Hij bekleedt ons vervolgens met zijn liefde, als een warme sjaal om je nek en de kraag omhoog tegen de kou.

De naakten kleden – natuurlijk kun je dit werk van barmhartigheid letterlijk interpreteren, geen mens mag naakt aan de grillen van de natuur zijn overgeleverd. Maar ik wil die figuurlijke betekenis toch ook graag in het oog houden: elkaar in navolging van de Eeuwige bekleden met barmhartigheid, liefde en trouw.

 

Johannes Kon

Kennelijk is het niet verstandig, dat mensen – toch Gods natuur en creatuur op aarde – na het mislukte avontuur in het Paradijs – zich al te zeer blootgeven. Zie het prachtige portret/etiket op het Belgische bier ‘Verboden Vrucht’ van Hoegaarden.

Vijgenbladeren zouden thans niet meer volstaan: C&A, H&M, Zeeman c.s. weten er wel raad mee. Die laten hun ‘goedkoop gemaakte” producten komen uit Bangladesh etc.

En in sommige klimatologische omstandigheden is dat ook niet aan te raden -denk bijv. aan de Inuit. Er zijn mensen die graag in het ijskoude water springen; ik houd niet eens van zwemmen, zelfs niet met droog haar (Kees van Kooten).

De Koepelgevangenis in Lombok was in september 2015 dé plek om honderden asielzoekers op te vangen en dankzij de kledingvoorrraad van het Leger des Heils konden we hun naakte bestaan enigszins verhullen. Hoe het verder met hen vergaan is?

Ik ben (vanuit mijn opvoeding) ook behoorlijk ‘shy’, dus een ‘Vegan streaker’ zal ik vast niet worden en ik heb me ook nooit bekeerd tot het naturisme.

Johannes –blij met zijn schamele bekleding, maar eenieder kan mijn mantel krijgen, niet mijn schoenen! Ik moet namelijk nog 1 mijl (of 2)…

Elsje Pot

Is het toeval dat we juist deze week over de naakten kleden schrijven? Een bloot lijf roept regelmatig heftige reacties op en dat doet het aangekondigde programma ‘Gewoon.Bloot’ van NPO Zapp ook, waarbij kinderen van groep 7 en 8 aan diverse naakte volwassenen allerlei vragen over hun lichaam mogen stellen.

Als het gaat om de oproep van Jezus om de naakten te kleden, dan gaat het om iets wat ik wel heb (kleding) en een ander niet. Achter zo’n oproep, net als achter de andere werken van barmhartigheid, gaat een wereld schuil waarin goederen, voedsel, gezondheid en vrijheid niet eerlijk verdeeld zijn: de één heeft het en de ander heeft het niet.

Telkens stelt zo’n oproep ons voor de keus: ben ik bereid om mijn bezit met een ander te delen? Als je veel hebt, is dat best een dilemma. Ik wil me er niet van af maken door te verwijzen naar de diaconie of andere instanties. Als Jezus die vragen aan mij stelt, zou hij dan genoegen nemen met het antwoorden als: “ik heb kleding gebracht naar de Koepelgevangenis toen daar asielzoekers werden opgevangen” of “ik kocht in de supermarkt producten die de voedselbank kon gebruiken”?

Ik heb het gevoel dat mijn kleine acties niet echt beantwoorden aan wat Jezus voor ogen staat. Het aantrekkelijke van Jezus vind ik dat hij “deze wereld omgekeerd” wil, radicaal anders, dat is mijn idealistische kant. Tegelijk is er veel wat mij belet om daar zelf een begin mee te maken.

Kees van Keulen

Als de ‘verloren zoon’ weer thuiskomt, zegt zijn vader tegen de knechten: ‘Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen’. Mooi toch! De jongen zal er letterlijk en figuurlijk naakt bijgelopen hebben.

Of we overigens veel waarde aan z’n schuldbelijdenis kunnen hechten, is voor mij een vraag. Kwam hij niet alleen maar terug om iets ‘om het lijf’ te hebben? Toen de oudste zoon naar huis kwam en hoorde wat er was gebeurd, werd hij woedend en wilde niet naar binnen gaan. De vader reageert prachtig: ‘Mijn jongen, jij bent altijd bij mij, en alles wat van mij is, is van jou’.

Desalniettemin, logisch toch hoe de oudste zoon reageert! Was het niet -op z’n zachtst gezegd- onhandig hoe de vader dit had aangepakt? Was hij er niet de oorzaak van, dat de oudste zich volledig miskend voelde? Bovendien gaf de vader zonder overleg weg van wat van hen beiden zou zijn. Weg mooie woorden!

Zal het ’s avonds -zonder de oudste zoon- een fijn feest zijn geworden?

Pierre Eijgenraam

Als ik voorga in een kerkdienst, draag ik een toga.

Dat lijkt misschien een rare associatie bij het thema, maar ik moest er toch onmiddellijk aan denken. ‘Preken is een vorm van prostitutie!’ heb ik zelfs wel eens geroepen. Waarom? Omdat je op een kansel letterlijk je ziel en zaligheid blootgeeft, en daar nog voor betaald krijgt ook.

Na afloop zeggen de mensen nog ‘prettige zondag’ tegen je, maar dat is het dan ook. Misschien kunt u zich voorstellen dat ik, zeker in mijn eerste jaren, me soms compleet leeggezogen voelde na een dienst.

Sindsdien heb ik mij ‘bekleed met het ambt’. Want als ik voorga in een dienst sta ik er wel àls mijzelf, maar niet namens mijzelf. Ik probeer de gedachten en gevoelens van de mensen te vertolken tegenover God en ik probeer de wijsheid van de Bijbelse traditie te vertolken tegenover de mensen. Daar kom ik natuurlijk zelf wel in mee, maar het is óók groter dan ikzelf; en daarom gaat die toga erover heen.

Een tijdlang heb ik hem weer uit gelaten, omdat ik wilde laten zien dat ik ook op de kansel dicht bij mijzelf –en dicht bij de mensen- wilde blijven. Toch merkte ik dat ik bij grote gelegenheden –Pasen, Kerstmis, avondmaal of een uitvaart- niet zonder de toga kon. Waarom dan wel op een ‘gewone’ zondag, vroeg ik me af.

Inmiddels is de toga alweer jaren terug. Soms wat gekreukt of met een losse naad. Of met een coronakapsel er boven uit…  De mens eronder blijft toch wel wie hij was…

Jos Hordijk

Eigenlijk vind ik ze een beetje eng, de werken van barmhartigheid, vanuit regels voorgeschreven door de R.K. kerk.  Ze doen me denken aan vroeger toen ik het gevoel had dat ik van alles moest. Onze kerk, onze ouders , onze school , ze hadden misschien iets  andere regels, maar die waren ook niet mals.

Zo speelde ik op een zondag buiten en sprong achterop de fiets van mijn buurjongetje. Die trapte lekker weg, maar kinderfietsjes op maat, zitjes en stepjes bestonden toen nog niet. Wel houten klossen om bij de trappers te kunnen. En zo achterop die slingerende fiets kwam ik met mijn voet tussen de spaken. Ik sprong van de fiets af en viel op de grond. Het bloed stroomde langs mijn been. ‘Kom ik breng je naar huis’ zei de buurjongen, maar daar kon geen sprake van zijn. Ik kon die jongen niet uitleggen waarom niet, maar het was immers zondag en op zondag op een fiets, voor of achterop, het was allebei zondig.

Jaren later bespraken we op mijn hbo theologie ook het onderwerp zonde. Ik bracht in dat ik had begrepen dat zonde een gemist doel was, waarop twee studiegenoten furieus reageerden. Wat ik me wel niet verbeeldde? Ik verbeeldde me niets, maar ik ga niet meer gebukt onder mijn zonden zoals vroeger.  Maar wat moet ik nu met de naakten kleden? Ik neem me voor mijn winterjas aan te bieden als ik er één dezer dagen één tegen kom, zo goed?

‘Kleren maken de man’, zegt het spreekwoord, en voor vrouwen is dat vast niet veel anders. Trek een net pak aan en je voelt je opeens héél belangrijk, doe je sportkleren aan en je bent twee keer zo fit als een half uurtje daarvoor. En wie vindt het niet fijn om op een feestje ook ècht feestelijk voor de dag te komen?…

Maar wat nu als je geen kleren hebt, of niet de juiste? Tijdens mijn stage in Nicaragua heb ik me er vaak over verwonderd dat de mensen er (bijna) allemaal zo netjes uit zagen. Hoe kan dat in één van de armste landen van de wereld? Het antwoord ontdekte ik in de tijd daarna: juist wie arm is, laat dat liever niet zien. Je doet je uiterste best om er –voor jezelf en voor anderen- zo goed mogelijk uit te zien. 

‘De naakten kleden’… Dat heeft dus iets te maken met menselijke waardigheid en met het beschermen daarvan. Soms in letterlijke zin: er zijn kledingbanken waar mensen voor een sollicitatiegesprek nette kleren kunnen uitkiezen. Maar evenzeer in figuurlijke zin door mensen niet te vernederen of belachelijk te maken. Je medemensen altijd met respect behandelen; misschien is alleen dat al een manier om ‘de naakten te kleden’…

 Nog iets heel anders: Mijmerend over dit thema kwam mij ook het sprookje in gedachten van de keizer zonder kleren. Politici op campagne beloven ons van alles en doen zich gewichtig voor. Maar bij sommigen is het ‘veel geblaat en weinig wol’; de mooie praatjes hebben niet bij allen veel om het lijf. Aan ons allen de uitdaging om daar doorheen te kijken en deze week in het stemhokje (of per post) de juiste keuze te maken!

 

Met een hartelijke groet van de redactie,

 Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra

 

Maandag 15 maart, door Arjen Hiemstra 

De naakten kleden: ik heb er niet zo’n beeld bij wat we nu precies moeten doen. Ja, eens hoorde ik het verhaal van hoe de zoon van een dominee (het was niet mijn zoon) na zijn werkvakantie uit Costa Rica terugkwam en alleen nog zijn korte broek en een shirtje en sandalen aanhad. De rest had hij bij de arme kinderen gelaten. Hij is later een beroemde televisiepresentator geworden.

En natuurlijk ken ik ook het verhaal van de heilige Sint Maarten die als soldaat op zijn paard de helft van zijn mantel schonk aan een arme bedelaar die hij tegenkwam bij de poort van de stad Amiens. De omstanders lachten hem vervolgens wel uit, maar in de nacht verscheen hem in zijn slaap Christus, die bekleed was met het stuk mantel dat hij had afgestaan.

De naakten kleden: ik heb eens een dementerende mevrouw in het verpleeghuis waar ik werkte proberen duidelijk te maken dat ze kleren moest aantrekken en niet bloot over de gang moest lopen omdat andere bewoners dat vervelend vonden. Dat had ik beter niet kunnen doen, want toen werd ze kwaad op mij.

Het werk van barmhartigheid over de naakten kleden lijkt in ieder geval te betekenen dat je er veel voor over moet hebben. En dat je je geen zorgen moet maken over je eigen decorum. Want het kan zijn dat jaren later nog verteld wordt hoe raar dat is, dat je uitgelachen of boos benaderd wordt op het moment dat je er iets mee doet. Maar misschien geldt dát ook wel voor alle Werken van Barmhartigheid.

Vreemdelingen zijn vluchtelingen: politiek, economisch of om wat voor reden ook zijn ze op stap gegaan naar een betere plek om te leven. En toen moest ik denken aan het lied ‘Vluchten kan niet meer’ van Annie M.G. Schmidt, gezongen door Frans Halsema en Jenny Arean uit de musical ‘En nu naar bed’ (1971). ‘Vluchten kan niet meer’, zingen Frans Halsema en Jenny Arean en voor hen slaat dat op de situatie rond 1971 waarin er volop sprake was van een koude oorlog, een gruwelijke oorlog in Vietnam en de nodige milieuproblematiek.

Als je de tekst van het lied goed tot je door laat dringen, geldt de tekst ook voor nu: vluchten kan niet meer. Corona heeft de wereld in zijn greep en daar ontkomen wij niet aan. We zitten er allemaal middenin, het helpt niet om naar een andere plaats op deze aarde te vluchten. Heel de wereld wordt erdoor bepaald.

Frans Halsema en Janny Arean klinken heel moedeloos in het lied en je zou van de huidige situatie ook heel moedeloos kunnen raken. Toch vinden ze uiteindelijk een oplossing in de liefde. Voor elkaar en met elkaar. En dat geldt nu ook: als je niet vluchten kunt, zoek het dan op de één of andere manier bij elkaar. Want de liefde is onze enige kans.

En als een mens zo bij jou kan schuilen, heb je een werk van barmhartigheid gedaan.

 

Voor wie het originele nummer nog eens wil horen:

https://youtu.be/sE2yz-L64ag

 

Kees van Keulen

De vreemdelingen onderdak bieden. Puh! Wereldproblematiek in maximaal 250 woorden!? We bespraken het in de werkgroep Liturgie: drie diensten over vluchtelingen. We wilden wegblijven van “gemakkelijke” antwoorden, hebben het de predikanten lastig gemaakt. (Is niet erg hoor!) Nu in herhaling.

Vraag: Wie heeft Jezus bedoeld met vreemdeling in “Ik was een vreemdeling, en jullie namen Mij op”?

* Ruth? Dat is te gemakkelijk!

* De kinderen (zonder ouders) op Lesbos of die hier tientallen jaren zijn geworteld? Komen we vast uit!

* De vele Nederlanders met een migratie-achtergrond, die onze cultuur onomkeerbaar hebben veranderd en zullen veranderen? Hebben we ze echt “opgenomen”! Denk alleen maar aan discriminatie bij sollicitaties, sociale voorzieningen, en het onderwijs.

* De extremistische moslim die spuugt op onze cultuur? Lastig hoor!

* De oorlogsvluchtelingen? We zijn er natuurlijk alleen maar voor dat ze “in de regio” worden opgevangen zodat wij er geen ” last” van hebben.

* Die honderden-miljoenen Afrikaners die onze kant uitkomen als de door het Westen ingezette klimaatverandering van heel Afrika een woestijn zal maken? Wat als ze allemaal hierheen komen? Terugsturen? Kansloos. Muur om Europa heen? Lariekoek! Laten verdrinken in de Middellandse Zee? Te gek voor woorden. Allemaal kampen  ala Lesbos? Noem ik geen onderdak. Investeren om de klimaatverandering een beetje in de hand te houden? Moeten we substantieel inleveren. Investeren in Afrika om het daar leefbaar te houden? Levert een nog grotere bevolkingsgroei op.

Wie zal Jezus bedoeld hebben met “één van de onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters”?