Pierre Eijgenraam

Als ik een school binnenkom, bekruipt mij altijd een wat ongemakkelijk gevoel. Hoe zou dat toch komen?

Eén van mijn vroegste herinneringen bewaar ik aan mijn eerste schooldag op de kleuterschool in Alphen aan den Rijn. Mijn moeder bracht me, maar bij de deur van het klaslokaal sloeg de paniek toe. ‘Wat een mooie tas heb je’, probeerde de juffrouw nog, maar ik schreeuwde ‘NEEEE!’ en probeerde me los te rukken.

Ook toen ik voor het eerst naar de ‘grote school’ ging, ben ik op de vlucht geslagen. Mijn moeder achtervolgde me tot halverwege de Smethstraat; Daar heb ik me laten inrekenen. Bij de ingang van de school stond meester De Jong. ‘Dat is het HOOFD DER SCHOOL!’ vertelde mijn moeder. Ik begreep dat vluchten geen zin meer had.

Later werd het gelukkig beter. Aan de vierde en vijfde klas van de Lagere School met meester Vermeer bewaar ik plezierige herinneringen. Maar toen verhuisden we naar Harderwijk.  Ik had het niet fijn op de Mr. Dr. J. Th. De Visserschool, omdat ik weigerde de onderwijzer als ‘meester’ aan te spreken. Ik was ‘meneer’ gewend, en dat wilde ik zo houden.

De middelbare school voelde als een bevrijding. Ik vond het heerlijk om op te gaan in de massa en ieder uur een andere leraar of lerares te hebben.

Na mijn afstuderen heb ik zelf een half jaar voor de klas gestaan. Het was geen succes. Gelukkig zijn er anderen die lesgeven met plezier en met liefde. Honderden oudleerlingen zullen later met warmte aan hen blijven denken. Op zulke leerkrachten moeten we heel zuinig zijn!

Kees van Keulen

Ik kom uit een onderwijsfamilie. Mijn vader en een aantal broers en zusters stonden voor de klas. Mijn vader vond mij daarvoor niet zo geschikt; ik zou te driftig zijn. We hebben “allemaal” bij elkaar in de klas gezeten. Zo kweekte mijn toen aanstaande zwager in de vijfde klas waarin ik zat, bij meneer De Haan. Het verhaal gaat dat ik mijn zwagers fietsband leeg heb laten lopen. “Ik heb er geen actieve herinnering aan…”

Net als al mijn broers en zusters zat ik bij mijn vader in de zesde klas. Hij wist school en thuis goed te scheiden, hoewel het wel eens is misgegaan. Gepermitteerd was dat we in de klas “met één woord” spraken. “Ja meester” kon niet, “Ja Pa” ook niet, dus bleef het bij “Ja”.

Ik herinner me dat ik in de eerste klas, bij juffrouw Wielinga, wegens “wippen” moest schoolblijven. Volstrekt ten onrechte! Ze had me best nog een keer kunnen waarschuwen. Mijn vaders klas was ernaast en hij stond achter de raampjes van de tussendeur met een lachend gezicht gekke gezichten naar mij te trekken.

Aan de verjaardagen van mijn ouders bewaren we aparte herinneringen. Het voltallige personeel kwam langs, waarbij we vaak in de klas hadden gezeten. Wij deden de bediening. Het personeel vond dat leuker dan wij.

U kunt zich voorstellen dat, als we als broers en zus bij elkaar zijn, het onderwijs nog steeds onderwerp één is. Opmerkelijk is hoe bij sommigen de emotie nog door de keel giert als we het over sommige onderwijzers hebben, die als volstrekt ongeschikt en gemeen worden beoordeeld. Wat voor slechte herinneringen zij aan hen hebben! Het deed één van mijn broers (ook in het onderwijs) verzuchten: “Als het op school misgaat, ligt het nog steeds aan de leerkracht.”

Johannes Kon

Zoals eerder gememoreerd zat ik na het eerste jaar op de – in Arnhem meer dan legendarische Van Löben Selsschool (1954 – 1955) – naam is (uiterst incorrect) gewijzigd in “De Wijzer”) – in Dinteloord (NB) op de Christelijk Nationale School met den Bijbel a° 1922): mijn belangrijkste leerschool ooit, want er Nederlands (= abn) geleerd, rekenen, topografie, frans en ‘versjes’ – resultaten zijn ter inzage volgens de rapporten.

Het nieuwe schooljaar begon daar – in Dinteloord (toentertijd – 1955) – formeel nog op 1 april, want de kinderen moesten in de zomer wel kunnen meehelpen bij de oogst in dit fameuze land- en tuinbouwgebied (een vreemde conclusie overigens – nader beschouwd). Hoe dan ook – ik had wat tijd om te overbruggen, terwijl ik al 10 dagen te laat was voor het eerste leerjaar. Ben van 10 ipv vóór 1 oktober enig jaar. Dus later gestart maar succesvol?

Toen nog 6 (!) dagen p.w. op de fiets van Steenbergen naar Dinteloord v.v. (7 km) maar niets aan overgehouden behalve dan stevige dijbeenspieren.

Hoe het me verder verging na een opzienbarend toelatingsexamen(!) voor het RK Mollerlyceum te BoZ is in een andere blog te lezen. De geur van een lederen, nieuwe schooltas en al die spulletjes (de geodriehoek en de vogelveer) blijven me wel eeuwig bij.

Arjen Hiemstra

Er zijn veel dingen die je leert op school: rekenen, schrijven, de dingen waar je in je beroep wat aan hebt. Hele belangrijke dingen. Tegelijkertijd leer je ook omgaan met anderen en leer je hoe onze samenleving functioneert.

Wat je ook moet leren – en op sommige scholen wordt daar ook een begin mee gemaakt – is hoe je omgaat met jezelf. Want: wie ben je eigenlijk? In geloof zeggen we: ‘Je bent een kind van God’. Maar ja, hoe doe je dat terwijl er in je achterhoofd altijd iets meespeelt van je achtergrond, van wat je in het leven overkomen is en hoe doe je dat terwijl je denkt dat anderen het allemaal beter en gemakkelijker doen.

Tijdens de studiedagen die ik deze week volg – internet is overal, anders had u deze bijdrage niet kunnen lezen – spraken we erover hoe je dat doet: kind van God zijn, je eigen ziel leren kennen. En we lazen een tekst van Julianne van Norwich. Zij noemt het zoeken naar wie je bent een binnengeleid worden in God. We moeten onze ziel ten diepste leren kennen. Maar tegelijkertijd zegt Julianne daarover dat het God is die ons binnenleidt en dat het niet iets is wat wij moeten doen.

Ik zou zeggen: dat is een proces van scholing waar we ons hele leven mee bezig kunnen blijven.

 

Jos Hordijk

Mijn lagere schooltijd, een wereld van verschil met nu. Wij zaten met te veel kinderen in de klas, twee aan twee in een schoolbank en we werden gedrild. De lesstof werd erin gestampt. Als we naar de wc moesten staken we twee vingers op en wachtten tot de meester of juf toestemming gaf om te gaan. We begonnen en sloten de dag af met gebed. Maandagmorgen psalmversje opzeggen. Daar denk ik positief aan terug omdat ik al die melodieën voor het leven opgeslagen heb en zingen altijd fijn heb gevonden. Iets creatiefs was er niet bij, inspraak kregen we niet, werden we gezien? Dat kwam een generatie later.

In de jaren 70 zaten de kinderen in groepjes aan stoeltjes en tafeltjes. Er waren goed verzorgde methodes. Er was handwerken voor de meisjes en knutselen voor de jongens, niet zo feministisch, maar toch. Er waren tien minuten gesprekken. School was in die jaren leuker en beter voor kinderen. Ze kregen aandacht en leerden spelenderwijs.

En nu in 2021 Corona, kinderen achter hun laptop thuis, als ze geluk hadden hielden hun ouders toezicht op hun schoolwerk en als ouders dat niet konden ging het vaak mis. Sommige kinderen verdwenen uit beeld, niet alle ouders wisten dat er noodopvang was. De klassen zijn weer groot.  Er is een leraren tekort en werkdruk. Passend onderwijs blijkt niet zo’n succes.

Zo kent elke generatie zijn eigen goede of slechte schoolperiodes.

Ik lig er niet wakker van, maar maak me soms wel zorgen. God weet komt het goed.

‘De scholen zijn weer begonnen!’ Borden met deze feestelijke (?) mededeling zijn op dit moment overal in de stad te zien. Ze zijn vooral bedoeld als waarschuwing aan het passerend verkeer om extra goed op te letten. Niet alleen op al die kleine kindertjes die voor het eerst op de fiets of lopend naar school gaan, maar ook op brugklassers met veel te grote tassen en pubers die zich meestal in kuddes verplaatsen.

Met vriendelijke groet, Pierre Eijgenraam

 

Elsje Pot:

Het leukste van de middelbare school vond ik vroeger het begin van het nieuwe schooljaar. Voor de vakantie was afgelopen ging ik naar V&D en zocht een schoolagenda uit. Het werd elke keer een Ryam schoolagenda, toen nog rijkelijk geïllustreerd met cartoons, spreuken en foto’s van popsterren. Ik besteedde veel aandacht aan het invullen van alle rubrieken in die agenda’s: lesroosters, vakanties, cijferlijsten en natuurlijk ook het huiswerk. Aan het eind van het school jaar zag die agenda er niet meer uit: vol gekriebeld met hartjes, tekeningetjes en al het andere wat in het leven van een middelbare scholier belangrijk is.

Er moest ook kaftpapier komen, etiketten, schrijfpapier, soms een nieuwe multomap, tabbladen en een geodriehoek. Al met al moest daar de nodige zorg aan besteed worden, want je moest een heel schooljaar tegen zo’n agenda en dat kaftpapier en die multomap aankijken. Gummetje, potloden, pennen, puntenslijper en in de eerste klas een passer en een etui, het maakte het begin van het nieuwe schooljaar toch elke keer weer heel feestelijk.

De eerste klus was het ophalen van de schoolboeken en het lesrooster en dan begon het boekenkaften. Daarna kwam de regelmaat van het naar school gaan en huiswerk maken. Eigenlijk was het leukste van school de gezelligheid, het stiekem kletsen en giebelen onder de les met m’n vriendin en de pauzes. In de afgelopen anderhalf jaar heeft dikwijls juist die vanzelfsprekende ongecompliceerde gezelligheid ontbroken, ik gun alle scholieren een schooljaar zonder zorgen over bijkomende beperkingen.

Arjen Hiemstra

“Christelijk onderwijs is onderwijs dat mensen kansen geeft”, zei een leraar godsdienst mij ooit in een ver, ver verleden. Daar bedoelde hij mee dat dit onderwijs mensen kans geeft een weg in te slaan, die je misschien op grond van je afkomst niet zou verwachten. Dubbeltjes werden toen ook al vaak geen kwartjes. Toen mijn ouders de hoofdonderwijzer lieten weten dat mijn broer naar het VWO zou gaan – en dat heb ik geloof ik al eens verteld – werden zij door de hoofdonderwijzer meewarig aangekeken. Dat had hij op grond van de afkomst van mijn ouders niet verwacht.

Je kunt je afvragen of kansen geven  nu hét kenmerk van christelijk onderwijs is en of dat onderwijs nu wel mogelijk is – daar wil ik het vandaag niet over hebben. Maar toen ik nadacht over inclusief samenleven, kwam die uitspraak van de godsdienstleraar bij mij boven. Ik zou de uitspraak willen toepassen op inclusief samenleven: “Inclusief samenleven is samenleven dat mensen kansen geeft” En die kansen brengen mensen op een weg die je op grond van hun afkomst misschien niet zou verwachten.

Natuurlijk, er zijn veel mensen die uit omstandigheden komen die geen garantie bieden voor een goede toekomst: discriminatie, emotionele verwaarlozing thuis, leefsituaties die veel mensen liever anders zien, geweld in velerlei vorm. Die omstandigheden kunnen wij niet allemaal verbeteren. Maar we kunnen mensen wel kansen bieden, vertrouwen geven, ruimte scheppen om opnieuw te beginnen. Dat lijkt mij een mooie taak voor ons mensen. Of we ons nu christelijk noemen of niet.

Jos Hordijk

De  Salvatorkerk , waar is die ook alweer?  Even kijken? Voor een uitje grijpen wij ieder idee aan.  En zo stappen we op een mooie zonnige woensdagochtend op de fiets richting Zuid. Was het nu voor of achter die Shell pomp? Achterlangs en rechtsaf rijden we zo het inclusieve leven in. Een straatmuzikant bezingt mijn rode pet en spoort mijn ‘vriendin’ aan lekker achter mij aan te fietsen en dan een visje te kopen. Het krioelt van de mensen, bedekt, onbedekt, lange broeken, korte rokken en alles daar tussen in. We kijken elkaar aan en genieten. We wanen ons in Den Haag waar we net weer een maand naar toe zijn geweest. Grote stad aan zee, lekker op de tandem fietsen door de Schilderswijk. Op zondag naar de RK kerk. De eerste keer dat wij daar waren hoorden we belletjes en kwamen er drie heren van kleur op. Een mis met drie heren.

Terug naar de markt in Malburgen. ‘Dat gaan we vaker doen’ zeggen we tegen elkaar nadat we een visje gekocht hebben. Het was één van de leuke ontdekkingen in dit bijzondere Coronajaar. We vonden de ingang van de Salvatorkerk ook. Hier vergaderde ik vroeger vaak met de werkgroep van de Thomasviering onder de bezielende leiding van Han Hoekstra. Ik moet ineens denken aan de Martinuskerk. Een multiculturele plek.  Salvatorkerk, markt, herinneringen, inclusief samenleven.

Wij zochten de kerk, we vonden de markt met volop inclusief leven. Hoe zou dat er  in de Salvator- of in de Nieuwe kerk uit zien?

 

Kees van Keulen

Vóór ik mijn bijdragen aan deze Berichten inzend, deel ik ze met Lenie en soms met onze kinderen. Ik zei dat de “Inclusieve samenleving” eraan kwam. “Wat moet ik daar nu weer mee?”

Dochter Janneke:

  1. Ik denk aan mijn Turkse buurvrouw, die me sinds kort “gedag” zegt, maar als Theo erbij is zelfs niet even opkijkt.
  2. Als vrijwilliger bij een vrouw-kind-centrum in Malburgen ontmoette ik vrouwen die soms als enige uitje hun gang naar dat centrum hadden. Ik vergeet nooit het moment waarop een (mannelijke) postbode op een ochtend binnenkwam, waarop één van de vrouwen in paniek haar kinderen riep en vertrok. Ik heb haar daarna nooit meer gezien.

We ontdekten onze overeenkomsten door de gesprekken die wij jonge moeders met elkaar voerden. De culturele verschillen veranderden niets aan onze universele wensen, zorgen, angsten en verlangens. Wanneer de vrouwen sterker en zelfbewuster werden en ervoor kozen om meer ruimte in te nemen, bewogen de echtgenoten meestal wel mee en veranderde er iets in de thuissituatie. Interesse in dát wat de vrouwen overdag deden, nam angst en wantrouwen bij de echtgenoten weg. Zoals Einstein al zei: “Als je blijft doen wat je deed, zal je altijd krijgen wat je kreeg.”

  1. Onze buurvrouw blijf ik natuurlijk gedag zeggen, maar wat zich achter haar voordeur afspeelt? Geen idee! Hier in de Schuytgraaf is alles “lekker” anoniem. Maar hoe was het ook alweer? “Als je blijft doen wat je deed, …” Tja!

 

Monique Maan

Mijn dochter was 9 en vertelde: ‘Op straat heeft een meisje tegen me gezegd: Ik wil niet met jou spelen, want jij bent bruin. Maar ik ken dat meisje helemaal niet. Waarom zegt ze zoiets? Dat is toch raar?’ Ik kon niet anders dan het met haar eens zijn. Mijn dochter had haar eerste ervaring van ‘er niet bij horen’ te pakken.

Een andere dochter moet het doen met weinig geld en vindt het lastig om dat voor elkaar te krijgen. Ik lees in de krant dat ik haar wel een ton zou mogen geven om een huis te kopen, maar dat ik haar niet mag helpen met boodschappen. Er zijn volop instanties waar ze kan aankloppen, maar als je niet zo vaardig bent met het invullen van formuleren, is dat ingewikkeld. En zo blijft het lastig voor haar en voor haar kinderen om voluit mee te doen.

Mijn moeder is na een gebroken heup weer thuisgekomen uit revalidatiecentrum. Het is spannend of het haar gaat lukken om weer zelfstandig te wonen. Verzorgingshuizen zijn wegbezuinigd, thuiszorg is overbelast. We hopen er maar het beste van. We doen wat we kunnen, maar kunnen niet altijd aanwezig zijn op de momenten dat het nodig is.

Zo maar een paar voorbeelden die laten zien dat inclusief samenleven nog niet zo vanzelfsprekend is. Een samenleving waarin iedereen meetelt, mee mag doen en mee kan doen, ongeacht culturele achtergrond, huidskleur, gender, leeftijd of beperkingen van welke aard ook, is nog niet zomaar bereikt.