Monique Maan

Ik schrijf deze tekst kort nadat bekend gemaakt is dat de versoepelingen van de coronaregels, gepland voor 11 mei, met minimaal een week worden uitgesteld. Dat is voor veel mensen slikken, want we snakken naar vrijheid: gewoon weer kunnen gaan en staan waar we willen, weer een keer naar theater, museum of sportschool, uit eten of op vakantie.

En ook als kerk zouden we zo graag willen dat alles weer ‘normaal’ wordt, dat we weer in groten getale bij elkaar kunnen komen, voluit kunnen zingen, samen koffiedrinken en bijpraten. Maar de druk op de zorg is nog te hoog. Dus we moeten echt nog even geduld hebben.

Alleen, wat is het ingewikkeld! Want hoe zit het met onze verantwoordelijkheid naar jongeren die het niet meer volhouden, studenten die gehinderd worden in hun ontwikkeling? En hoe zit het met onze verantwoordelijkheid naar al die mensen die al een jaar lang de deur niet uitkomen? En onze verantwoordelijk­heid naar allen die door de maatregelen hun bedrijf zien stranden, en met torenhoge schulden blijven zitten? Hoe kunnen zij vrijheid ervaren?

Vrijheid en verantwoordelijkheid kunnen niet zonder elkaar. Dat leert ook Exodus ons: onder leiding van Mozes gaat het volk de vrijheid tegemoet, maar om het leven goed te laten zijn, krijgt het volk tien regels van leven mee. Tien woorden om de balans te vinden tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Opdat het leven goed zal zijn voor iedereen.

Het lag voor de hand om, na de ‘nationale’ thema’s van de vorige weken (koninklijk, her­denken), deze week het thema ‘vrijheid’ te kiezen.

Ondertussen is in politiek en media een felle strijd losgebarsten over een affiche waarop verkondigd wordt dat we onze vrijheid, in 1945 herwonnen, in 2020 wegens corona weer verloren zouden hebben.

De verontwaardiging vind ik terecht; de onvrijheid tijdens het naziregime is onvergelijkbaar met de onvrijheid die we omwille van elkaars gezond­heid op dit moment nog moeten verduren.

Dat wil ook weer niet zeggen dat de onvrijheid van het afgelopen jaar niets voor zou stellen. Eenzame ouderen, depressieve jongeren, wan­hopige ondernemers, uitgeputte ziekenhuismedewerkers; ze weten wel beter! Het is vooral de gelijkstelling die kwetsend is en ongepast.

Enkele van onze schrijvers vonden ‘vrijheid’ een lastig thema. Misschien is dat omdat vrijheid zoveel vormen heeft: niet alleen de ‘grote vrijheid’ van een democratische rechtsstaat, maar ook de individuele vrijheid om te zijn wie je bent en te geloven, schrijven of zeggen wat je wilt; zelfs in ons land is dat niet (of niet meer??) voor ieder vanzelfsprekend.

Dan is er ook nog zoiets als ‘persoonlijke vrijheid’: je kunt je heel onvrij voelen als bijvoorbeeld je werk niet (meer) bij je past, als je ruzie hebt met je buren, opgroeit in een liefdeloos gezin, of als je mantelzorger bent en je hele bestaan daardoor wordt beheerst.

Vrijheid kent ook grenzen: Mag jouw vrijheid ten koste gaan van die van anderen? Is het oké als de verantwoordelijkheid die je draagt wel eens zwaarder weegt dan je persoonlijke vrijheid? Zou een mens wel ècht gelukkig worden van onbeperkte vrijheid? 

Hoe dan ook: vrijheid is nooit vanzelfsprekend. Vrijheid vraagt onderhoud, vrijheid vraagt dialoog –je moet er met elkaar over in gesprek blijven- en soms vraagt vrijheid offers. We blijven dankbaar voor de mensen die dat offer, 75 jaar geleden of in deze tijd, durfden en durven te brengen!

Pierre Eijgenraam

 

Maandag 10 mei 2021, door Kees van Keulen

Hebt u zich er in verkiezingstijd ook aan geërgerd hoe vaak er niet werd geroepen ‘We willen onze vrijheid terug!’ Alsof we in een onvrij land leven! Ik heb zeer te doen met de jongeren die niet naar school kunnen, met de studenten die alleen maar achter (of voor?) het computerscherm moeten zitten, met de gezinnen waarvan de ouders thuis werken en tegelijkertijd hun kinderen bij het on-line-onderwijs moeten begeleiden, met degenen die in achterstandssituaties zitten en nu weer extra achterop worden geworpen, met allen die hun inkomen zien verdampen, met de jongeren èn ouderen die snakken naar contact. En zo zijn er nog wel een paar. Allemaal situaties waarin vrijheden zijn ingeperkt.

Maar het ging me te ver als ik het gekrakeel hoorde over de avondklok en het gezanik van fanatieke terrasbezoekers. Vrijheid is namelijk geen absoluut begrip. Het gaat altijd samen met verantwoordelijkheid.

Bovendien, je vrijheid opeisen gaat vaak ten koste van de vrijheid van een ander. En als we ons dus moeten beperken om het virus in de hand te krijgen, nodig om de vrijheid van velen te kunnen waarborgen, dan kan je niet roepen ‘We willen onze vrijheid terug!’ De vrijheid waarvan wij ook nu -in coronatijd- kunnen profiteren, is namelijk ongekend. Vieren we dat niet op 5 mei?

PS En overigens realiseer ik me als gezonde gepensioneerde met een goed pensioen en een prima verhouding thuis tot de categorie te behoren die het minst te klagen heeft!

Arjen Hiemstra

Één herdenking zal ik niet snel vergeten. We waren op 22 juli 2011 op vakantie in Noorwegen. Via het thuisfront kregen we na verloop van tijd te horen dat er een aanslag was gepleegd op het regeringscentrum in Noorwegen en dat daarna 70 jongeren vermoord waren door een Noorse terrorist op het eilandje Utoya.

Enkele dagen later was er een herdenking op het plein van het stadje van onze camping. We zagen de mensen lopen. In stilte bij elkaar komen. Er waren een paar sprekers die we niet hoorden. En we merkten de gemeenschappelijke rouw die gedeeld werd.

Een paar dagen later waren we in Oslo. En het herdenken ging verder. In de Domkerk was het bomvol, niet met toeristen zoals wij, maar met allerlei mensen uit de stad en daarbuiten die een kaarsje aan wilden steken om zoveel onnodig leed te herdenken. Op de Karl Johans Gate lag een lint van witte rozen vanaf het station tot aan het koninklijk paleis, kilometers verder.

In het Vigelandpark lagen enkele rozen bij het ‘boze jongetje’ En mensen stonden in stilte er omheen. En je voelde een boosheid opkomen, waar je niets mee kon.

 

De Algemene Kerkenraad (AK) heeft in het voorjaar van 2021 een beleidsplan voor de jaren 2021 t/m 2025 gemaakt. Hierin zijn ook de werkplannen van de wijken opgenomen. Van het beleidsplan is ook een samenvatting op hoofdlijnen beschikbaar.

Gelijktijdig met het beleidsplan heeft de Algemene Kerkenraad ook een plaatselijke regeling opgesteld voor de periode 2021 t/m 2025.

Lees hier meer.

Kees van Keulen

Soms richten mensen voor een overledene een “altaar” op, vaak met foto, kaars, en voor de overledene typerende spulletjes. Een prima vorm van herdenken! Maar maakt u het ook mee, dat je als familie bij elkaar komt en de naam van een niet heel lang geleden overleden familielid niet valt? Zo makkelijk is herdenken kennelijk niet.

Nadat mijn ouders waren overleden, spraken wij af de erfenis te reserveren voor reünies. Eenmaal per jaar in het voorjaar (rond de verjaardagsdatum van onze vader) met alle nakomelingen van onze ouders en hun partners (inmiddels zo’n 130), en in het najaar (rond de verjaardagsdatum van onze moeder) met alleen hun kinderen en partners. Op de eerste, de “grote”, zijn er inmiddels tientallen van de vierde generatie, die als je mijn ouders als eerste aanmerkt, hen nooit heeft meegemaakt. Op de “kleine” gaat het vaak over vroeger en wassen we elkaar de oortjes, omdat de oudsten zo’n andere herinnering aan de opvoeding hebben als de jongsten en we zo verschillend tegen onze ouders aankijken. Die uiteenlopende zienswijzen worden lang niet altijd geaccepteerd. Over “herdenken” gesproken! Maar verder is het zeker gezellig. Sinds kort komen we als broers en zus ook in juni bij elkaar, rond de verjaardagsdatum van een overleden zus.

Inmiddels zijn zo’n tien familieleden uit deze kring overleden. En dan valt op dat hun namen nauwelijks vallen, wat voor de meest direct betrokkenen een gevoel van eenzaamheid kan geven. Het vinden van een goede vorm voor herdenken kan lastig zijn.

Deze keer gaat het over herdenken. Dit natuurlijk naar aanleiding van het herdenken op 4 mei. We herdenken dan alle Nederlandse Oorlogsslachtoffers die gestorven zijn sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, waaronder ook hen die tijdens vredesmissies gestorven zijn.

Een beladen moment voor sommigen. Een moment om terug te kijken, misschien te denken aan de eigen geschiedenis met oorlog en slachtofferschap, maar voor sommigen ook om verder te kijken naar waar onrecht plaatsvindt door wrede machthebbers en waar slachtoffers vallen.

 

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 3 mei – Pierre Eijgenraam

Tijdens de oorlog was mijn oma bijzonder fel tegen de Duitse bezetter. Toen ze haar radio in beslag kwamen nemen, smeet ze die vanuit de slaapkamer zo de straat op. Opa was bang dat ze háár ook mee zouden nemen, dat is gelukkig nèt niet gebeurd.

Voordat ze trouwden, in 1929, was oma in dienst geweest bij een joodse familie in Rotterdam: Asser en Helena Soesman. Ze hadden een winkel in knopen, bandjes, lapjes en garen. Mijn oma was er winkelbediende en kindermeisje. Het enige kind, Willem Julius Soesman, was geboren met een verstandelijke beperking. Oma was dol op hem. Mede daarom trok ze zich later het lot van onze joodse landgenoten sterk aan.

Dankzij de avondklok vond ik tijd om eens uit te zoeken hoe het verder is gegaan. Moeder Helena overleed in 1937, vader Asser in september 1940; de vervolging was toen nog niet begonnen. Zoon Wim woonde daarna in huis bij een joodse weduwe en haar dochter. Op 8 december 1942 arriveerde hij in kamp Westerbork, op 12 december werd hij vervoerd naar Auschwitz. Ook zijn huisgenotes stierven daar. Officieel is Wim overleden op 28 februari 1943, maar dat zegt weinig: in Auschwitz stierf iedereen op de 15e of de laatste dag van de maand.

Van zijn naaste familie heeft niemand de oorlog overleefd en ikzelf heb hem nooit gekend, er is zelfs geen foto. Maar omdat mijn oma van hem hield zal op 4 mei toch nog iemand aan hem denken.

Pierre Eijgenraam

Bij het woord ‘koninklijk’ denk ik aan ‘royaal’. Etymologisch is dat precies hetzelfde: ‘royaal’ komt van ‘roi’ en dat is Frans voor ’koning’. Toch is er verschil: Koninklijk is slechts een enkeling, royaal zijn kunnen we allemaal.

Ik was eens met een vriend op kampeervakantie in Spanje. Na een lange en zware wandeltocht bereikten we de camping voor die dag. ‘Eerste klasse’ stond op een bord bij de ingang. Twee geüniformeerde heren liepen voor ons uit om onze plek te wijzen. Dat vonden we grappig, al hadden we liever een plekje in de schaduw gehad.

Toen we de tent hadden opgezet, verlangde ik naar een douche. Dat bleek 100 peseta’s te kosten (ongeveer een euro). ‘Honderd peseta’s?’ riep ik in mijn beste Spaans tegen de receptioniste. ‘Deze camping is al twee keer zo duur als alle andere, en tot nu toe was het douchen overal gratis!’ ‘Tsja’, zei de receptioniste, ‘dit is een luxe camping, dat kost geld’. ‘Nooit van mijn leven’ brieste ik, ‘dan maar geen douche!’. Bezweet en vies ging ik terug naar mijn tent. Een half uurtje later stond ik met hangende pootjes weer bij de receptie. ‘Ik geef mij gewonnen’ zei ik, ‘verkoopt u mij alstublieft twee douchemuntjes’. ‘Meneer’, zei de receptioniste, ‘als u zich gewonnen geeft, schenk ik u die muntjes’!

Een royaal gebaar! Dat vond ik van haar, dat vond zij van mij. Na een verfrissende douche voelde ik mij de koning te rijk.

Dinsdag 27 april, door Elsje Pot

Op de lagere school begon Koninginnedag, het was ruim voor Willem Alexander de troon besteeg, bij het gemeentehuis in Eelde. Daar zongen wij:

‘Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden bennen groot,

zijn daden bennen groot, hij heeft gewonnen de zilveren vloot’

en:

‘In een blauw geruite kiel draaide hij aan ’t grote wiel de ganse dag,

maar Michieltjes jongenshart leed ondragelijke smart’,

en waarschijnlijk ook het Wilhelmus, maar dat kan ik me eigenlijk niet herinneren.

Daarna fietsten we naar de sportvelden waar allerlei spelletjes gedaan moesten worden: zaklopen herinner ik mij en dat het warm was en dat het een heel gedoe was om al die spelletjes te doen. Ik won nooit, ik was niet snel en sportief. En je werd alleen al moe van de afstanden, die je tussen de verschillende activiteiten moest afleggen. Ik vond er niks aan.

Met mijn moeder keek ik naar het defilé bij paleis Soestdijk en later naar de bezoeken van koningin Beatrix in plaatsen in het land. De laatste jaren is er een beetje de klad in gekomen. De nationale sport om alle oude troep op een kleedje te leggen op koningsdag, mag ik dat niet erg koninklijk vinden?

Dit jaar overweeg ik (volgens mij voor het eerst) oranjegebakjes te kopen. Nu alle rituelen ons uit handen geslagen zijn door de pandemie, krijg ik steeds meer behoefte om speciale momenten te markeren, 27 april met een koninklijk taartje.

 

Arjen Hiemstra

Bij ons thuis zeiden ze dat je het maar moest geloven. Dat God de aarde in zes dagen schiep, dat God van alle dieren op aarde er tenminste één paar de ark liet binnengaan, dat de toren van Babel echt gebouwd was en … Als Gereformeerde jongen wilde ik dat aanvankelijk best geloven. Toch knaagde er wat, want dat kon toch allemaal niet waar zijn?

Daarom was ik blij dat het allemaal onderzocht werd op de universiteit en dat er was ontdekt dat het in werkelijkheid toch vaak anders was gegaan. Maar dat het er in de Bijbel ook helemaal niet om ging dat de verhalen de geschiedenis beschreven. De Bijbelverhalen waren de weerslag van de ervaring die mensen met God hadden, ze brengen onder woorden waar de bijbelschrijvers in geloven. Maar die Bijbelverhalen mocht je met een historische blik best kritisch bekijken.

En dat heb ik ook veelvuldig gedaan: Bijbelteksten gelezen, verhalen ontleed en dikke commentaren ernaast gelegd. En gereconstrueerd en uitgelegd hoe het moet zijn geweest. En ik was opgelucht dat ik het niet allemaal blind hoefde te geloven. En mijn eerste preken bleven daar wel eens in steken: in een zoeken naar hoe het allemaal was gegaan.

Dat was toch wel een beetje kaal: al dat spitwerk. Na verloop van tijd realiseerde ik me dat de Bijbelschrijvers altijd bij een ervaring met God waren begonnen. Waar zat die godservaring? En was die godservaring ook nu nog invoelbaar voor mij? Kon dat ook een geloofservaring voor mij worden? En die zoektocht leverde mooie gezichtspunten. Ze gaat nog steeds door.

Jos Hordijk

De coronatijd beleven wij niet als een verloren jaar. Wij zijn gepensioneerd en brengen onze dagen door met nuttige dingen doen. Voor het bijhouden van de actualiteit nemen wij ruim de tijd. Mijn partner wandelt en als ze een uur gelopen heeft belt ze mij, dan haal ik haar op aan de rand van het park en kuieren wij samen naar huis. We drinken eens wat, we eten gezellig samen, we doen wat huishoudelijk werk en ik help graag telefonisch een kleinkind met zijn huiswerk. Ik bel eens iemand en schrijf een mail of een stukje voor de thuisblijvers. Ik corrigeer een werkstuk en haal een kleinkind uit de BSO. Er is  altijd wel iets te doen.

Toch zou het minder aangenaam zijn als er geen stipjes op de horizon waren. Hoe zal het gaan met ons land, met de politieke cultuur? Hebben we er nog vertrouwen in? Wat zou het fijn zijn als de kinderen weer alle dagen naar school konden en de studenten naar hun opleiding, als ik mijn schoonmoeder weer eens een echte knuffel mocht geven. Ze zou zo graag nog eens naar de kerk gaan en wat mensen thuis ontvangen. Mogen 70 jarigen nu echt zelf afspreken voor een vaccinatie? Kunnen we deze zomer weer voorzichtig op vakantie gaan? Zal het goed komen? Daar moet ik op vertrouwen, dat wil ik. Zonder vertrouwen wordt het ‘eerst zien en dan geloven’.