Jos Hordijk

 Iedere vrijdag bezoek ik mijn schoonmoeder. Echt ziek is ze niet, maar wel oud. Ze is 98 jaar en woont al 16 jaar alleen in een mooie flat op het terrein van een verpleeghuis. Ze was 12 jaar toen ze moest gaan werken, intern in een dienstje. Honger heeft ze niet echt geleden, maar als meneer pastoor op bezoek kwam keek ze jaloers naar de lekkere hapjes die hij voorgeschoteld kreeg. Samen met haar man werkte zij aan een gezin en een succesvol gemengd boerenbedrijf. De kinderen die het huis verlieten werden iedere week gebeld. Rond deze tijd kwam ik zo’n beetje in beeld. Ik, moeder van drie kinderen werd verliefd op hun 26 jarige dochter. Wij maakten kennis en zij gaven geen krimp. Ik vond dat geweldig. Toen mijn schoonvader op zijn sterfbed lag in aanwezigheid van ons allen en hij de sacramenten voor stervenden ontving kregen wij allemaal de gelegenheid om iets te zeggen. Ik vertelde hem dat ik het zo geweldig heb gevonden hoe zij mij ontvangen hebben in hun familie. Mijn schoonvader wilde reageren en begon met ‘dat was heus niet’ toen mijn schoonmoeder hem bij de arm pakte en dringend toefluisterde ‘Kees’’. Kees moest zwijgen. De moeite die zij zich getroost hebben om hun aangetrouwde kinderen te verwelkomen was het geheim van hun huwelijk. Om die reden kost het mij geen enkele moeite iedere vrijdag mijn schoonmoeder te bezoeken. Ik heb zoveel van haar geleerd. Ik hoop dat ze 100 mag worden.

Johannes Kon

Als de “lichamelijke” barmhartige werken verricht zijn (Daniël 7: 13 en 14 en Jesaja  etc.), resteren de 3 “geestelijke” deugden of worden die er juist door geïnspireerd?

*****

Nooit lag ik zelf (!) in een ziekenhuis (behalve in 1 nacht in Oostende in 1971 na een heetwaterincident in een tent op de camping aldaar op 15 augustus – Maria Hemelvaart -; ik kon ondanks de prima ‘traumatoloog’ t.p. nadien nog maar moeizaam lopen).

Ik bezocht ‘in mijn achtertuin” zhs Rijnstate nog wel eens : er lag wel eens iemand die ik kende, maar de meeste aandacht ging naar moeder en vader (resp. – tia – voorafgaand aan “de Braamberg”, want halfzijdig verlamd; resp. de 5-voudige bypass hartoperatie in zhs Nieuwegein en de revalidatie in Insula Dei).

Ze mochten nog tot eind 2014 resp. medio 2018 thuis blijven wonen op ’t Cranevelt – dankzij de thuis- en deels (mijn) mantelzorg.

En natuurlijk mijn partner Cora, die in 2011 in zhs “Tergooi” in Blaricum lag wegens een niet nader te noemen ziekte bij (ge)louter(de) vrouwen.

Het spijt mij oprecht, dat ik velen niet echt de aandacht gaf, die zij toch wel verdienden. Ik houd voor mijzelf een lijstje bij : “jij was er en ik zag je niet”.

Deze week beginnen de ‘Berichten voor thuisblijvers’ aan een kleine serie thema’s rond de zeven ‘Werken van Barmhartigheid’. Sommige schrijvers van de bijdragen moesten een lichte tegenzin overwinnen, voordat ze aan het schrijven toekwamen: de ‘Werken van Barmhartigheid’ zijn in hun jeugd misschien ook wel heel moralistisch gebruikt. Zo van: je móet wel barmhartig zijn. En aan het eind van de middeleeuwen wordt die plicht wel heel dwingend: door het doen van werken van barmhartigheid zul je na je leven beloond worden.
De werken geven een soort van vroege catechismus van hoe je in de wereld kunt staan. Zes van de zeven werken worden door Jezus genoemd in zijn rede over de eindtijd (Matteüs 25, 34-46), één werk (het begraven van de doden) is ooit door de kerkvader Lactantius toegevoegd.
Toen in de loop van de middeleeuwen een leven in Jezus voetspoor niet alleen voor religieuze professionals (priesters, bisschoppen en monniken) ook voor leken bereikbaar werd, waren de ‘Werken van Barmhartigheid’ een soort eerste instructie aan de leken, hoe je kon leven in lijn met Gods geboden. Die instructie werd hen niet alleen in preken en betogen voorgehouden, maar ook door allerlei schilderijen en fresco’s in kerken ingeprent.

Deze weken volgen wij niet de volgorde van de ‘Werken van Barmhartigheid’ zoals ze uit Matteüs 25 zijn af te leiden, maar de thema’s zoals ze deze weken aan de orde komen vanuit ‘Kerk in Actie’. We beginnen deze week met het thema ‘De zieken bezoeken’.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie.

 

Maandag 22 februari 2021 – Elsje Pot

Vaak voel ik schroom om bij een zieke op bezoek te gaan, zeker bij ernstig zieken of stervenden, die omringd worden door familieleden. Altijd vraag ik me af: wil de zieke (en de familie) eigenlijk wel dat ik kom? Ik stel me dan voor dat ik zelf ziek zou zijn en wie ik dan aan mijn bed zou willen zien. Ik heb niet de indruk dat een dominee in dat rijtje voorkomt.

Slechts één keer liet een zieke mij door zijn lichaamstaal weten dat hij mij niet wilde zien. Aanvankelijk spraken hij en zijn vrouw met mij aan de eettafel. Toen hij zieker werd, kwam er een bed in de kamer. Als ik de kamer binnenkwam, ging hij demonstratief met zijn gezicht naar de muur liggen. Dit tot grote frustratie van zijn echtgenote.

Ondanks zijn afwijzing bleef ik komen. Ik snapte hem wel: hij wilde niet weten dat hij stervende was, dat had hij de arts laten weten. Er mocht niet over gesproken worden. Zijn keus om er het zwijgen toe te doen, hield zijn vrouw en kinderen in gijzeling. En dan kwam die eigenwijze dominee en die probeerde hem dan toch aan de praat te krijgen.

Op een keer riep de familie mij halsoverkop naar het ziekenhuis, het ging heel slecht. Toen bleek ook het onmogelijke van die ‘afspraak’. Zijn vrouw doorbrak het zwijgen liefdevol: “Ik hoor de engeltjes al voor je zingen”.

Efrem de Syriër (306-373)

Het vasten is zuiver
en past bij wie zich zuivert
om God te (kunnen) zien.
Want de troebele die door iets wordt vertroebeld
kan die Heldere niet aanschouwen.
Wie een helder oog bezit,
hij (alleen) kan Hem zien,
voor zover het gegeven is om te zien.
Laten wij, in plaats van de wijnen te zuiveren,
de geest zuiveren,
opdat wij de Heldere kunnen zien
die door vasten de Boze overwon, die alles troebel maakt.

Arjen Hiemstra

De eerste keer dat ik met vasten te maken kreeg was toen ik een weekend verbleef met mijn medescholieren in een Cisterciënzerklooster in Tegelen. Vanuit het hoge noorden waren we met onze godsdienstleraar op de middelbare school naar het klooster gegaan om kennis te maken met het leven van de monniken. En ik moet zeggen: het is me alleszins meegevallen.

Toen we aan het warme middagmaal zaten, verontschuldigde de gastenbroeder zich voor de eenvoudige maaltijd. Maar ja, het was vastentijd, dan aten de broeders altijd heel eenvoudig, en die soberheid gold dan ook voor de gasten.
Ik zag een grote gedekte tafel met wit tafellaken en gesteven servetten. Ik zag grote schalen met zuurkoolstamppot, zelf ingemaakte augurkjes en zilveruitjes, ja en vegetarische worsten. En toen ik even later in de stilte van de gastenrefter mijn eerste hap nam proefde ik heerlijke gestampte aardappels met zuurkool. Op hetzelfde moment reed de gastenbroeder een karretje met drankjes naar binnen. ‘Wat we maar wilden drinken bij het eten, een biertje of toch iets fris of misschien een glas wijn?’

Soberheid hoort bij Cisterciënzer monniken. Soberheid hoort bij de vastentijd. Maar soberheid betekent niet dat niks meer mag. Het betekent vooral dat je met zorg en aandacht omgaat met je leven. Dat je aandachtig bent in wat je eet en in wat je niet eet. Eens iets weglaat, vlees, alcohol of autorijden. En dat je dat wát

je eet dat met aandacht tot je neemt. In stilte bijvoorbeeld. Dat je goed proeft wat je eet. Dat je beseft dat je het allemaal maar ontvangt. En dat je beseft met wie je samen bent om te eten.
Daarom houd ik ook zo van Cisterciënzer monniken.

Johannes Kon

Als gereformeerd jongetje, gedoopt in de Westerkerk te Arnhem, moest ik mij vanaf 1955 onderdompelen in de 90% rooms-katholieke wereld van Steenbergen (West Brabant). Daar was ‘vasten’ vanaf Asselewoensdag verplicht: d.w.z. als kind geen snoep en koekjes eten (dat ging in het befaamde ‘trommeltje’); als (jong) volwassene het intieme lichamelijke contact vermijden -dat lukte zeker mijn toenmalige omgeving niet altijd, gezien het aantal bevallingen 9 maanden na dato. Part nog deel!

Carnaval ging vooraf aan vasten.
Over het eerste woord is al heel veel geschreven : ‘carne vale’ (het vlees/het vleselijke) -tijdelijk ‘vaarwel’ zeggen of ‘carris navalis’ (Romeinse tijd: bij feesten het schip op een kar verbeelden – later veelal als ‘Blauwe Schuit’ geschetst). Ik heb daarover mede nog eens een carnavalsviering mogen organiseren bij mijn Basisgroep Baarn Soest.

Als calvinist pur sang (koopman en dominee) ging ik als 16-jarige met mijn Agfa Clack foto’s nemen van het carnavalsgedruis in de café’s in Steenbergen om die de volgende avond aldaar weer te verkopen. Big business.

En het vasten: voor het eerst echt gepraktiseerd tijdens die vreselijke Vietnamoorlog (1956-1975): tijdens de kerstdagen niets eten – behalve wellicht wat boerenkool; nog steeds en meer m.i. een heel christelijk uitgangspunt van (over)leven.

In mijn ‘geweldloze’ periode -vanaf 1973 wat meer georiënteerd geraakt op Mahatma Gandhi- werd vasten heel anders omgaan met natuurlijke producten dan gebruikelijk’. En dat blijft hopelijk zo !

Elsje Pot

Met het voornemen om te vasten vergaat het mij net als met goede voornemens voor het nieuwe jaar: ik houd het niet vol. Ik vind het in theorie mooi om de veertigdagentijd te accentueren met het oog op Pasen en ik bewaar ook wel goede herinneringen aan de rijst of broodmaaltijden één keer in de week, waaraan ik in de veertigdagentijd meedeed. Zo ontdekte ik dat het helpt om het samen te doen.

In januari twitterde een collega dat die oproepen om in de veertigdagentijd sober te leven verzet bij haar oproepen. Het leven is op dit moment al sober genoeg en zij heeft zich voorgenomen om van elke dag een feestje te maken. Mocht u dat een goed idee vinden en op zoek zijn naar inspiratie, ik zag in de Kampioen voor de maand februari voor elke dag een suggestie.

Ik nam me een aantal jaren geleden voor om in de veertigdagentijd meer te gaan lezen. Dat vind ik leuk om te doen, alleen komt het er vaak niet van. Ik meldde dat voornemen in de groep waarmee ik elke woensdag aanschoof voor een rijstmaaltijd. Het hielp dat we elkaar elke week vertelden in hoeverre het gelukt was om uitvoering aan ons voornemen te geven.

Nu denkt u misschien: meer lezen, is dat vasten? Ja, want daardoor kijk ik minder televisie en ben ik minder bezig met sociale media. Voor mij is het makkelijker om iets niet te doen als er iets leuks voor in de plaats komt. Dit jaar ga ik tekenen.

Toen we begonnen met deze berichten hadden we zoveel schrijvers dat we elke week een paar mensen ‘vrij’ konden geven. Maar in de loop van de tijd is, om uiteenlopende redenen, een aantal van hen gestopt. Vorige week namen we afscheid van ds. Hubertien Oostdijk; daarmee hadden we nog vijf schrijvers over.

We zijn daarom heel blij dat Jos Hordijk, gemeentelid in Arnhem-Noord, en Kees van Keulen, gemeentelid en organist in Arnhem-Zuid, ons schrijverscollectief komen versterken!

Dat is ook om een andere reden een goede zaak. Aan het begin waren alle schrijvers dominee of kerkelijk werker. Langzaam maar zeker nemen we ook in deze kolommen afscheid van de domineeskerk!

In de komende week valt aswoensdag: het begin van de veertigdagentijd of vastentijd. En hoewel aswoensdag in de protestantse kerken nog nauwelijks gevierd wordt, zijn het inmiddels lang niet alleen maar katholieken die iets aan vasten doen, al blijkt dat voor veel van onze schrijvers wel de eerste kennismaking met het verschijnsel te zijn geweest.

Vasten is meer dan alleen maar niet of minder eten. Het is ook denken aan anderen voor wie weinig eten geen keuze is maar bittere realiteit. Op verschillende plekken in Arnhem worden in de veertigdagentijd nog sobere rijstmaaltijd georganiseerd: je eet met elkaar droge rijst en doneert de kosten van je gebruikelijke warme maaltijd voor het goede doel.

Zelf heb ik altijd ervaren dat vasten, in welke vorm dan ook, veel geeft. Het is ook: bewuster stilstaan bij de dingen, je even losmaken van wat belangrijk lijkt, maar dat niet werkelijk is.

We wensen u een mooie vastentijd!

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Jos Hordijk

Toen ik voor het eerst over vasten hoorde was dat nog echt iets voor katholieken. Jose, mijn partner is katholiek van huis uit en heeft mooie herinneringen aan de vastentijd. Als voorbereiding op het paasfeest mochten de kinderen veertig dagen lang geen snoepjes of koekjes eten. Jose kreeg een trommeltje om het lekkers in te bewaren en als het Pasen was ging het trommeltje open en mocht ze alles wat er in zat opeten. Sommige kinderen dachten een beetje lichter over het vasten en snoepten tussendoor ook al eens wat. Zij klopten op hun buik en zeiden ‘dit is ons snoeptrommeltje’.

Vasten betekende ook op vrijdag afzien, dan aten ze geen vlees maar vis, met botersaus volgens Jose en ze smulden er van. Mijn schoonmoeder van 98 vast nog steeds ieder jaar. Die 40 dagen neemt ze geen honing in haar thee en geen koekje erbij.

We kennen natuurlijk het vasten van moslims. Gedurende de Ramadan wordt er tussen zonsopgang en zonsondergang niet gegeten of gedronken. En ’s avond vieren ze feest met familie en vrienden. Zo voelen ze zich verbonden met hun geloofsgenoten wereldwijd.

Maar hoe zit dat met protestanten? Vasten die ook? In mijn jeugd hoorde ik er in ieder geval nooit over, maar sinds ik in Arnhem woon en in de Diaconessenkerk kwam hoor ik wel van sobere maaltijden, kaarten met paasgroeten sturen naar gevangenen en persoonlijk afzien van voedsel of activiteiten. Dit jaar vasten we eigenlijk allemaal, of we willen of niet.

Arjen Hiemstra

Vandaag is het Valentijnsdag. Ik hoop niet dat u heel erg van schrikt van een onderwerp dat toch een vrij commercieel gebeuren is.

Bloemen met of zonder kaartjes eraan heb ik nooit neergelegd op een stoep. Ik was er niet romantisch genoeg voor, ik vond het maar gedoe en misschien ook wel: ik ben er niet mee opgegroeid.

Nou vooruit dan: voor één keer gaat er een virtueel boeketje naar Hubertien Oostdijk. Zij gaat ons verlaten in Arnhem, als predikant voor de wijkgemeente Zuid en als trouw schrijver voor de Berichten voor thuisblijvers, vandaag neemt zij afscheid in de Salvatorkerk om binnenkort predikant te worden in de Protestantse Gemeente Steenderen. Hubertien: hartelijke dank voor al je bijdragen en alle goeds in Steenderen!

 

Elsje Pot

Eerlijk gezegd, ik heb niets met Valentijnsdag, maar omdat mijn moeder de 13e jarig was, weet ik dat de bloemen dan extra duur zijn. Er is natuurlijk niets op tegen om een dag van de liefde te vieren, maar wat zou het mooi zijn als het niet alleen maar gaat over het verwennen van de eigen geliefde.

Ik stel een dag voor, waartoe die Sire campagne ‘doeslief’, ons probeert aan te zetten. Misschien dat één dag net haalbaar is. Als we bij kranten, sociale media en televisie te rade gaan, kan de conclusie niet anders zijn: dit wordt een moeilijke opgave. Een dag lang alleen maar lief doen, zou mij ook niet makkelijk afgaan. Geen kribbige of onverschillige reactie als iemand iets tegen je zegt, geen geërgerd kijken als iets je niet aanstaat en al helemaal niks lelijks zeggen, het is best een opgaaf. Ik ben bepaald geen heilig en zeker geen lief boontje.

Eén van de meest populaire Bijbelteksten is “Ons resten geloof, hoop en liefde, maar de grootste daarvan is de liefde”. Is de tekst zo populair omdat het te vaak ontbreekt aan liefde? Al verschillende keren las ik deze tekst bij een uitvaart in een setting, waarvan in ieder geval de overledene bij leven meende, dat er gebrek aan liefde was geweest. Een laatste poging om die vergeefse oproep ‘doeslief’ over de grens van dood en leven heen alsnog te laten slagen.

Je kunt je afvragen hoe succesvol zo’n oproep is, als je daaraan zelf niet meer bij kan dragen.