Hoe duurzaam leven we eigenlijk en waarom zouden we duurzaam leven? Kunnen we de aandacht voor het milieu, het klimaat, onze leefomgeving ook in een bredere context plaatsen en zo ja welke? In 2019 verscheen ‘Groene Theologie’ van Trees van Montfoort. Zij is onderzoeker, predikant en communicatieadviseur en in haar boek stelt zij, dat we ons ook in ons gelovig denken minder als consumenten moeten gedragen. Zij schetst het denken over de natuur in het verleden, de bijbel en bespreekt teksten van Nederlandse en andere ecotheologen. Een boeiend boek, dat niet voor niets is uitgeroepen tot het beste theologische boek van 2019. Er zijn 6 bijeenkomsten vastgelegd, telkens op de woensdagavond, de eerste keer leest iedereen tot en met blz. 48.

Voor aanmelding en info: elsje.pot@pgarnhem.nl

Data: 22-9, 6-10, 27-10, 17-11, 1-12, 15-12
Tijd 19:45 t/m 21:45
Locatie: Rozet 3.09

Pierre Eijgenraam

Mijn echtgenote gaat er prat op dat ze Montessorionderwijs heeft genoten en ‘dus’ niets weet van topografie. ‘Arnhem, waar is dat eigenlijk?’ vroeg ze bij onze eerste kennismaking. Pas toen ze snapte dat het ‘vlakbij Ede’ ligt (waar haar oma woonde), kon ze zich er iets bij voorstellen….

De eerste helft van mijn Arnhemse jaren werkte ik in en rond de Opstandingskerk in Arnhem-Noord; die nieuwe naam krijg ik nog niet uit mijn strot… Het is er prachtig: de parken, het bijna ongeschonden negentiende-eeuwse Sonsbeek­kwartier en de bijzondere architectuur van de Geitenkamp. Het spannendst vond ik aanvankelijk de heuvels. Ik probeerde de steilste hellingen te vinden en daar fietste ik dan zo hard mogelijk tegenop. Later leerde ik juist hoe je die steilste hellingen kunt vermijden om ervoor te zorgen dat je niet volkomen bezweet op je afspraak arriveert.

In 2007 maakte ik de overstap naar Arnhem-Zuid. ‘Dat je na zoveel jaren iets anders wilt’, zei een gemeentelid tegen mij, ‘dat snap ik wel. Maar Arnhem-Zuid????’

Voor sommige Arnhemmers bestaat ‘Zuid’ eigenlijk niet. ‘Ze zien het als de lintbebouwing langs de weg naar Nijmegen’, placht mijn voorganger te zeggen. Toch kent ook Arnhem-Zuid verrassend mooie plekjes. Park Immerloo, de uiterwaarden, het oude dorp Elden, Meinerswijk en de Stadsblokken (God verhoede dat ze het daar gaan volbouwen of opleuken)… Allemaal de moeite waard om te ontdekken!

Maar het boeiendst aan Arnhem zijn de mensen; in Noord en in Zuid! Daar raak je nooit op uitgekeken…

Johannes Kon

Ik begeef me graag op glad ijs. Houd ik van deze stad (A° 1233), omdat ik er ook toevallig geboren ben en er ook wil sterven? Of omdat ik ooit voorzitter was van het Arnhems Historisch Genootschap Prodesse Conamur van 1792 en ook lid van de “Vrienden van Sonsbeek”, Vereniging Stadsschoon Arnhem en ‘Jansbeek boven Water’?

Ooit “site manager” van Sonsbeek 1986 was en alle tento’s vanaf 1949 zag; gemeenteraadslid was van 1978 – 1986; ambtenaar van 1987 – 2014?

Met plezier gewoond hebbende op :

* Van Lawick van Pabststraat nr. 21

* Bernhard Zweerslaan 23 (Alteveer)

* Schubertlaan 11 (’t Cranevelt)

* Gelderseplein 373 (Immerloo 2)

* Tellegenlaan 1 (Sonsbeek)

* Kluizeweg 254 (’t Cranevelt)?

Ja, ik ben bevoorrecht, want ik woon in het paradijs (geboren; niet getogen helaas – Johnny van Doorn gemist!) en als ik de balans moet opmaken: 74 minus 14 = niet mis.

Ik verdien niets aan deze column en de vvv ook niet. Maar wie is het geluk beschoren hier te mogen wonen?

Johannes – houder van een ‘echt” “Arnhems Meisje” – maar dat is geen verdienste – en v.m. postbode.

 

Elke dinsdag tussen 12.00 en 14.00 uur is er gelegenheid om tot rust te komen in de Koepelkerk. De kerk is open, je kunt binnenlopen, een kaarsje branden en een paar minuten of veel langer stil zijn om je te bezinnen, om ruimte te maken in je hoofd, om gewoon even niets te hoeven.
Vanaf 21 september is er om 12.30 een korte middagpauze-viering als onderdeel van de Open Kerk met muziek, stilte en bezinnende woorden. Dit is een gemeenschappelijk initiatief van de Koepelkerk en de Protestantse Gemeente Arnhem.
Koepelkerk, Jansplein 60
elke dinsdag van 12.00 – 14.00 uur

In deze dagen staan we op verschillende plaatsen en tijden in Arnhem stil bij de luchtlandingen en de aansluitende oorlogshandelingen in september 1944. We herdenken met name hoe er hard werd gevochten om de brug over de Rijn over de Rijn te bezetten en in handen te houden. En we herdenken ook hoe, toen dat mislukte, het door de geallieerden veroverde terrein ten koste van vele mensenlevens uiteindelijk toch uit handen gegeven moest worden.

Deze week is daarom het thema ‘Arnhem’ gekozen. Die toen zo zwaar beschadigde stad, staat volop in het middelpunt. In sommige bijdragen wordt verwezen naar deze oorlogsperiode.

‘Arnhem’ roept niet alleen herinneringen op aan vroeger, bepaalde plekken spreken tot de verbeelding door wonen en/of werken, belevenissen.

 

Met vriendelijke groet, Arjen Hiemstra

 

Maandag 20 september, door Monique Maan

Mijn oma (de moeder van mijn vader) werd in 1898 in Arnhem geboren, aan de Bronbeeklaan. Rond 1918 leerde ze mijn opa kennen. Hij kwam uit Schiedam, maar was als soldaat in Arnhem en volgens de familieoverlevering hebben ze elkaar in de kerk leren kennen. Ze trouwden in 1919 en verhuisden naar Sommelsdijk, op Goeree Overflakkee, waar ze samen een slagerij begonnen.

Eind 2000 verhuisden Peter en ik met onze kinderen vanuit Harmelen naar Arnhem. En toen pas realiseerde ik me wat een enorme overgang die verhuizing van Arnhem naar Sommelsdijk voor mijn oma geweest moet zijn! Als jonge vrouw uit de stad zit je ineens als slagersvrouw in een klein dorp op een eiland (dat toen ook nog echt een eiland was!), er was geen telefoon, en door de zaak en de kinderen die al snel geboren werden was er nauwelijks gelegenheid om nog eens voor familiebezoek richting Arnhem te gaan. Wat heeft ze meegekregen van de slag om Arnhem? Hoeveel zorgen heeft ze zich gemaakt om haar dierbaren hier?

Mijn oma was al overleden toen wij in Arnhem kwamen wonen, maar wat had ik het graag nog eens met haar over al die dingen gehad.

 

Monique Maan

In het dorp waar ik opgegroeid ben, was één kleuterschool. En dus gingen alle kinderen – ongeacht hun kerkelijke of niet-kerkelijke achtergrond – naar die school.

De eerste juf die ik had, juf Anna, was zeer gelovig en ze liet niet na dat ook in haar werk te laten merken: het eerste liedje dat ze haar kleuters leerde, was ‘De Heer is mijn herder’. En de gelijkenissen over de verloren zoon en de barmhartige Samaritaan, en het verhaal over de vijf broden en twee vissen – juf Anna vertelde ze allemaal.

Achteraf denk ik: bijzonder dat zij zo volstrekt haar eigen gang ging en dat ze daar kennelijk ook de ruimte voor kreeg. En ik heb nooit gemerkt of gehoord dat het gedoe of spanning opleverde.

Na de kleuterschool volgde de lagere school en de kleutergroepen vielen totaal uiteen. Soms tot groot verdriet van kinderen want een vriendje bleek ineens ‘van de andere kerk te zijn’ en ging dus naar een andere school. Er was in het dorp namelijk een hele grote openbare school, een redelijke grote ‘School met de Bijbel’ (hier gingen de kinderen van hervormde (bonds) gezinnen, christelijke gereformeerde gezinnen en gereformeerde gemeente gezinnen naar toe) en een hele kleine ‘gewone christelijke school’ (hier gingen de synodaal gereformeerde kinderen naar toe). Drie scholen die totaal los van elkaar functioneerden. Net zoals de kerken los van elkaar functioneerden.

Verschillen wonnen het van overeenkomsten. Jammer toch.

Maar dankzij juf Anna ken ik het eerste couplet van ’De Heer is mijn herder’ nog steeds uit mijn hoofd.

Pierre Eijgenraam

Als ik een school binnenkom, bekruipt mij altijd een wat ongemakkelijk gevoel. Hoe zou dat toch komen?

Eén van mijn vroegste herinneringen bewaar ik aan mijn eerste schooldag op de kleuterschool in Alphen aan den Rijn. Mijn moeder bracht me, maar bij de deur van het klaslokaal sloeg de paniek toe. ‘Wat een mooie tas heb je’, probeerde de juffrouw nog, maar ik schreeuwde ‘NEEEE!’ en probeerde me los te rukken.

Ook toen ik voor het eerst naar de ‘grote school’ ging, ben ik op de vlucht geslagen. Mijn moeder achtervolgde me tot halverwege de Smethstraat; Daar heb ik me laten inrekenen. Bij de ingang van de school stond meester De Jong. ‘Dat is het HOOFD DER SCHOOL!’ vertelde mijn moeder. Ik begreep dat vluchten geen zin meer had.

Later werd het gelukkig beter. Aan de vierde en vijfde klas van de Lagere School met meester Vermeer bewaar ik plezierige herinneringen. Maar toen verhuisden we naar Harderwijk.  Ik had het niet fijn op de Mr. Dr. J. Th. De Visserschool, omdat ik weigerde de onderwijzer als ‘meester’ aan te spreken. Ik was ‘meneer’ gewend, en dat wilde ik zo houden.

De middelbare school voelde als een bevrijding. Ik vond het heerlijk om op te gaan in de massa en ieder uur een andere leraar of lerares te hebben.

Na mijn afstuderen heb ik zelf een half jaar voor de klas gestaan. Het was geen succes. Gelukkig zijn er anderen die lesgeven met plezier en met liefde. Honderden oudleerlingen zullen later met warmte aan hen blijven denken. Op zulke leerkrachten moeten we heel zuinig zijn!

Kees van Keulen

Ik kom uit een onderwijsfamilie. Mijn vader en een aantal broers en zusters stonden voor de klas. Mijn vader vond mij daarvoor niet zo geschikt; ik zou te driftig zijn. We hebben “allemaal” bij elkaar in de klas gezeten. Zo kweekte mijn toen aanstaande zwager in de vijfde klas waarin ik zat, bij meneer De Haan. Het verhaal gaat dat ik mijn zwagers fietsband leeg heb laten lopen. “Ik heb er geen actieve herinnering aan…”

Net als al mijn broers en zusters zat ik bij mijn vader in de zesde klas. Hij wist school en thuis goed te scheiden, hoewel het wel eens is misgegaan. Gepermitteerd was dat we in de klas “met één woord” spraken. “Ja meester” kon niet, “Ja Pa” ook niet, dus bleef het bij “Ja”.

Ik herinner me dat ik in de eerste klas, bij juffrouw Wielinga, wegens “wippen” moest schoolblijven. Volstrekt ten onrechte! Ze had me best nog een keer kunnen waarschuwen. Mijn vaders klas was ernaast en hij stond achter de raampjes van de tussendeur met een lachend gezicht gekke gezichten naar mij te trekken.

Aan de verjaardagen van mijn ouders bewaren we aparte herinneringen. Het voltallige personeel kwam langs, waarbij we vaak in de klas hadden gezeten. Wij deden de bediening. Het personeel vond dat leuker dan wij.

U kunt zich voorstellen dat, als we als broers en zus bij elkaar zijn, het onderwijs nog steeds onderwerp één is. Opmerkelijk is hoe bij sommigen de emotie nog door de keel giert als we het over sommige onderwijzers hebben, die als volstrekt ongeschikt en gemeen worden beoordeeld. Wat voor slechte herinneringen zij aan hen hebben! Het deed één van mijn broers (ook in het onderwijs) verzuchten: “Als het op school misgaat, ligt het nog steeds aan de leerkracht.”

Johannes Kon

Zoals eerder gememoreerd zat ik na het eerste jaar op de – in Arnhem meer dan legendarische Van Löben Selsschool (1954 – 1955) – naam is (uiterst incorrect) gewijzigd in “De Wijzer”) – in Dinteloord (NB) op de Christelijk Nationale School met den Bijbel a° 1922): mijn belangrijkste leerschool ooit, want er Nederlands (= abn) geleerd, rekenen, topografie, frans en ‘versjes’ – resultaten zijn ter inzage volgens de rapporten.

Het nieuwe schooljaar begon daar – in Dinteloord (toentertijd – 1955) – formeel nog op 1 april, want de kinderen moesten in de zomer wel kunnen meehelpen bij de oogst in dit fameuze land- en tuinbouwgebied (een vreemde conclusie overigens – nader beschouwd). Hoe dan ook – ik had wat tijd om te overbruggen, terwijl ik al 10 dagen te laat was voor het eerste leerjaar. Ben van 10 ipv vóór 1 oktober enig jaar. Dus later gestart maar succesvol?

Toen nog 6 (!) dagen p.w. op de fiets van Steenbergen naar Dinteloord v.v. (7 km) maar niets aan overgehouden behalve dan stevige dijbeenspieren.

Hoe het me verder verging na een opzienbarend toelatingsexamen(!) voor het RK Mollerlyceum te BoZ is in een andere blog te lezen. De geur van een lederen, nieuwe schooltas en al die spulletjes (de geodriehoek en de vogelveer) blijven me wel eeuwig bij.

Arjen Hiemstra

Er zijn veel dingen die je leert op school: rekenen, schrijven, de dingen waar je in je beroep wat aan hebt. Hele belangrijke dingen. Tegelijkertijd leer je ook omgaan met anderen en leer je hoe onze samenleving functioneert.

Wat je ook moet leren – en op sommige scholen wordt daar ook een begin mee gemaakt – is hoe je omgaat met jezelf. Want: wie ben je eigenlijk? In geloof zeggen we: ‘Je bent een kind van God’. Maar ja, hoe doe je dat terwijl er in je achterhoofd altijd iets meespeelt van je achtergrond, van wat je in het leven overkomen is en hoe doe je dat terwijl je denkt dat anderen het allemaal beter en gemakkelijker doen.

Tijdens de studiedagen die ik deze week volg – internet is overal, anders had u deze bijdrage niet kunnen lezen – spraken we erover hoe je dat doet: kind van God zijn, je eigen ziel leren kennen. En we lazen een tekst van Julianne van Norwich. Zij noemt het zoeken naar wie je bent een binnengeleid worden in God. We moeten onze ziel ten diepste leren kennen. Maar tegelijkertijd zegt Julianne daarover dat het God is die ons binnenleidt en dat het niet iets is wat wij moeten doen.

Ik zou zeggen: dat is een proces van scholing waar we ons hele leven mee bezig kunnen blijven.

 

Jos Hordijk

Mijn lagere schooltijd, een wereld van verschil met nu. Wij zaten met te veel kinderen in de klas, twee aan twee in een schoolbank en we werden gedrild. De lesstof werd erin gestampt. Als we naar de wc moesten staken we twee vingers op en wachtten tot de meester of juf toestemming gaf om te gaan. We begonnen en sloten de dag af met gebed. Maandagmorgen psalmversje opzeggen. Daar denk ik positief aan terug omdat ik al die melodieën voor het leven opgeslagen heb en zingen altijd fijn heb gevonden. Iets creatiefs was er niet bij, inspraak kregen we niet, werden we gezien? Dat kwam een generatie later.

In de jaren 70 zaten de kinderen in groepjes aan stoeltjes en tafeltjes. Er waren goed verzorgde methodes. Er was handwerken voor de meisjes en knutselen voor de jongens, niet zo feministisch, maar toch. Er waren tien minuten gesprekken. School was in die jaren leuker en beter voor kinderen. Ze kregen aandacht en leerden spelenderwijs.

En nu in 2021 Corona, kinderen achter hun laptop thuis, als ze geluk hadden hielden hun ouders toezicht op hun schoolwerk en als ouders dat niet konden ging het vaak mis. Sommige kinderen verdwenen uit beeld, niet alle ouders wisten dat er noodopvang was. De klassen zijn weer groot.  Er is een leraren tekort en werkdruk. Passend onderwijs blijkt niet zo’n succes.

Zo kent elke generatie zijn eigen goede of slechte schoolperiodes.

Ik lig er niet wakker van, maar maak me soms wel zorgen. God weet komt het goed.