Berichten

Kees van Keulen

De dorstigen laven. Waar verlangen wij naar? Ik ga bij mezelf te rade. Ik dorst ernaar, nu en als ik mijn ogen sluit, vrede te hebben met mezelf, met iedereen die ik ken, met God. Lied 895 past daar mooi bij, zoals onze cantorij ‘eindeloos’ kan herhalen:

‘Wij gaan de nacht door, het duister, op zoek naar het levend water.

Enkel de dorst zal ons licht zijn, enkel de dorst zal ons licht zijn’.

Dat klinkt mooi, maar in Matteüs 25: 35 – 36 staat iets anders. Jezus zegt: ‘Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven’. Het gaat hier dus niet om mijn dorst, mijn verlangen, maar over wie ik te drinken heb gegeven die dorst had. Ben ik aan iemands verlangen tegemoetgekomen, iemand naderbij gekomen die snakte naar vrede? Ik voeg er nog twee woordjes aan toe: Ben ik iemand naderbij ben gekomen die snakte naar vrede met mij?

Toen ik na meer dan 40 jaar afscheid nam van ‘De Post’, heb ik veel collega’s een afscheidsbrief geschreven. Daarin had ik opgenomen dat als iemand nog iets met mij te verhapstukken had, ik er graag voor open stond het er nog eens over te hebben. Ik kreeg de opmerking dat dat wel erg calvinistisch was. Zo sta je dan bekend. Of dat zo is? Maar deze actie gaf mij wel een goed gevoel het bedrijf ‘in vrede’ te kunnen verlaten.

Dus als er iemand is die iets met mij wil ‘bepraten’ ….

 

Arjen Hiemstra

Echte dorst heb ik zelden. Koffie wordt gezet in een handomdraai. De koelkast staat vol met melk, frisdrank en als het op is, heeft de supermarkt meer. En mocht die dicht zijn, dan stroomt uit de kraan ook nog volop water. Kortom, mijn dorst kan ik volop laven aan de verworvenheden van onze moderne samenleving.

Er is één soort dorst, die om iets anders vraagt.

Ik bedoel dit: af en toe zijn er van die momenten in het werk als predikant waarbij  je denkt: ‘Nou, nou, moet dat zo?’ Vooral na langdurige vergaderingen waarin harde taal klinkt, gebeurt mij dat nogal eens. Ook als mensen vertellen van de pijn die hen door toedoen van anderen is overkomen, geldt dat. Trouwens, ook buiten het werk komt dat gevoel wel eens op, bijvoorbeeld als iemand voordringt in de trein, als mensen luid toeterend aangeven dat ze er door moeten en als niemand rekening houdt met de ander.

Als ik dan ’s avonds thuiskom heb ik dorst naar een Trappistenbier. Bier gebrouwen op het terrein van abdij Koningshoeven in Berkel-Enschot. ‘Proef de stilte’ is het motto, dat de broeders aan hun bier meegaven. En elke keer als ik zo’n bier neem denk ik aan de broeders in hun klooster, de stilte die er heerst, het gebed dat zes keer per dag wordt gebeden, en de zorgvuldigheid waarmee de broeders leven en werken: met respect voor de wereld waarin ze leven, met oog voor wie het minder hebben en in vrede met God en met elkaar.

En meestal zakt alle gedoe dan weg uit mijn hoofd. De stilte is terug.

 

Elsje Pot

De opdracht om een dorstig mens te drinken te geven, is niet een ‘dichtbij huis’ opdracht. Bij dorst denk ik aan woestijn, alles dor en uitgedroogd, een blakerende zon en geen water om te drinken. En ik zie aarde, waar barsten doorheen lopen, scheuren omdat de grond is uitgedroogd, delen van de wereld waar het nauwelijks meer regent en er dus ook niets meer groeit, plaatsen waar honger en dorst hand in hand gaan.

Net als hongeren heeft dorsten ook de betekenis van verlangen. Het is een ouderwets woord en het woord dorst kan ook nog verwarring stichten: ‘zij dorst naar een feestje’ kan twee dingen betekenen: zij verlangt naar een feestje of zij durfde naar een feestje.

Door de coronapandemie streden afgelopen zomer die twee betekenissen van dorsten in mij met elkaar. Enerzijds verlangde ik ernaar om weer op pad te gaan, om weer onbekommerd een museum te bezoeken, in een restaurant te gaan zitten en toch ik deed het maar zeer mondjesmaat en heel weloverwogen, niet echt onbekommerd. Het liefst at ik buiten op terrasjes en ik bezocht drie keer een expositie en van dat laatste bezoek had ik spijt. Niet omdat ik er ziek van ben geworden, maar omdat ik ‘ja’ tegen de uitnodiging had gezegd zonder er goed over na te denken.

Mijn lievelingsrestaurantje is heel klein, ik ben er al een jaar niet meer geweest: ik dorst er naar, maar ik durfde het niet, ik verlang er naar, maar ik dorst het niet.

 

Met het thema van deze week ‘de dorstigen laven’ kun je weer verschillende kanten op. Sommigen denken aan bier, anderen aan ‘dorst naar God’. Bij nadere beschouwing liggen die uitersten misschien toch minder ver uit elkaar dan het kan lijken.

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

Maandag 1 maart, door Monique Maan  

Ik weet niet wat het betekent om echt dorst te hebben. Ik leef in een land waar altijd schoon, fris water uit de kraan komt. Als in de zomer een enkele keer de waterdruk wat afneemt, of als er door werkzaamheden een uurtje geen water uit de kraan komt –het haalt het niet bij de beelden uit Afrika, of uit vluchtelingenkampen. Honderden mensen die het met één kraan moeten doen. En dan maar hopen dat die niet kapotgaat, of dat de situatie niet zo onveilig wordt dat je er niet meer naartoe kunt lopen. Het zou niet moeten voorkomen, en daarom moet elke actie die erop gericht is om mensen wereldwijd te voorzien van schoon drinkwater op onze (financiële) steun kunnen rekenen.

Dat je in je geloofsleven dorst kunt hebben, daar kan ik me alles bij voorstellen. Als het leven zo hard voor je is, als je zo in beslag genomen wordt door wat je meemaakt en overkomt, dat het levende water je ziel niet meer kan bereiken. Het doet denken aan psalm 42: ‘Zoals een hert reikhalst naar levend water, dorst ik naar God, de levende God’ (Huub Oosterhuis).

Water als beeld voor inspiratie die je ziel laat sprankelen en alles weer laat stromen. Dat onze geloofsgemeenschap een plek mag zijn waar dat water gevonden kan worden.