Berichten

Monique Maan

Ik houd niet van tunnels. Ik kijk graag van me af en het opgesloten gevoel van een tunnel is dus niets voor mij. Gelukkig heeft elke tunnel een eind waar het licht en ruimte doorbreken.

Veel mensen hebben de coronatijd als een tunnel beleefd. We waren beperkt in ons doen en laten, veel was angstig en onzeker en niemand wist wanneer we uit deze tunnel zouden komen, en hoe het leven dan zou zijn.

Ik herinner me een vakantie in Zwitserland waar we een lange tunnel doorgingen. We gingen ‘m in met regen en kou en we kwamen eruit in zon en warmte. Wie weet is het zo ook met de corona-tunnel. Een boeiende vraag om nog eens met elkaar over door te praten: wat laat je achter in de pré-coronatijd en welke ervaringen werpen nieuw licht op je leven? Zijn er dingen die je echt anders wil gaan doen, of die je nu anders beleeft?

Ik kan me voorstellen dat die vragen niet voor iedereen even eenvoudig te beantwoorden zijn. Als je bedrijf zwaar geleden heeft, of misschien wel failliet gegaan is, als je ziet hoe je kinderen hun gevoelens van depressie echt niet zomaar verwerkt hebben, als een dierbare ziek was, of misschien zelfs overleden en je kon elkaar nauwelijks nabij zijn.

Dat er dan ook aan de tunnel waar je voor je gevoel misschien nog middenin zit, een eind mag komen. Of dat er tenminste mensen mogen zijn die je in die tunnel een eindje tegemoet komen.

Elsje Pot

Tunnels hebben iets magisch, of het nu een tunnel van bomen is, een spoortunnel, een tunnel voor autoverkeer door bergen of onder delen van de steden. En na een lange tunnel is het altijd mooi om aan het eind het licht weer te zien.

In Lyon gaan auto’s en treinen via tunnels onder een deel van de stad door. Toen wij 29 jaar geleden terugreden na een vakantie in het zuiden van Frankrijk met een gehuurde caravan achter de auto, reden we minder gerust dan anders de tunnel in. Op de heenweg had de auto kuren gehad. Door het trekken van de caravan liep de temperatuur in de motor op. Regelmatig moesten we stoppen, omdat de motor te heet werd.

Het was druk toen we op de terugweg door Lyon reden, in de tunnel stokte het verkeer en de temperatuur in de motor liep weer op. We konden nu niet even de auto aan de kant zetten om de motor te laten afkoelen. Om warmte aan de motor te onttrekken zetten we de verwarming op de hoogste stand en deden de raampjes open in de hoop dat dit de motor wat zou ontlasten, in een toch al warme tunnel met al die ronkende auto’s en uitlaatgassen om je heen doe je dat niet echt voor je plezier.

Ik geloof niet dat ik ooit zo opgelucht ben geweest als die keer, toen ik het licht aan het eind van de tunnel zag.

De schrijvers laten deze keer hun licht schijnen over ‘Het einde van de tunnel’. Of dat nu symbolisch is (corona is op z’n retour) laten we maar even in het midden, feit is dat het einde van de tunnel meestal opluchting teweegbrengt.

Tunnels blijven toch opmerkelijke fenomenen. Je gaat erin en eruit en ondertussen ben je onder de grond. Het is er donker, je hebt licht bij je of het hangt ergens in de tunnel en als de tunnel werkelijk recht is zie je aan de beide uiteinden licht binnenvallen.

Vaak zijn ze buitengewoon functioneel: voordat er tunnels waren, was het oversteken van de Alpen een levensgevaarlijke klus. Dat is het aanleggen ervan trouwens ook: regelmatig hoor je dat er ongelukken gebeuren tijdens het aanleggen daarvan. Daarom wordt de heilige Barbara van Nicomedia (waarvan gezegd wordt dat ze opgesloten zat in een kelder) bij de tunnelbouwers ook aangeroepen om de veiligheid te bevorderen tijdens de klus.

Sommige mensen zijn gefascineerd van tunnels, anderen kunnen er niets mee en zijn het liefst weer snel buiten.

De redactie

 

Kees van Keulen

De redactie had een vooruitziende blik en ging er bij het opstellen van de onderwerpenlijst – maanden geleden – vanuit, dat de corona-pandemie nu (bijna) voorbij zou zijn. Zouden we er lekker nog eens over los kunnen gaan.

Bij mij – en vast veel anderen – komt dan de vraag naar boven, wat dit voor de kerkgang betekent. Zouden de voorheen trouwe kerkgangers er inmiddels aan gewend zijn niet meer naar de kerk te gaan, het wel best vinden voor de tv te zitten en een perfect lopende dienst “mee te maken”? De uitzendingen van onze eigen kerkdiensten via Kerkomroep.nl liepen toch bepaald niet vlekkeloos! Wie zou er de afgelopen maanden achter zijn gekomen er niets aan te hebben gemist? Zouden de ouders met kinderen wegblijven, nu de kinderen niet beter weten? En dan de velen die – begrijpelijk met verdriet – afstand hebben gedaan van De Kandelaar en niet eens de kans hebben gekregen te wennen aan een nieuw huis? Wat zou de consequentie ervan zijn, dat we zolang na de dienst geen koffie hebben gedronken?

Het einde van de tunnel. Licht? Een zwart gat? Of laat het ons koud? In ieder geval ben ik ervan overtuigd, dat we er niet op hoeven te rekenen, dat God haar/zijn kerk ervoor zal behoeden geheel verloren te gaan. We moeten onszelf de vraag stellen: Kunnen we niet zonder de kerkdiensten en gaan er koste wat kost mee door, of houden we ermee op?

 

Er was eens een rijke koopman die drie zonen had. Toen de koopman oud begon te worden vroeg hij zich af welke van zijn drie zonen hem het beste kon opvolgen in het bedrijf. Hij gaf ze daarom allemaal een schip en een zak geld en zei tegen hen: ga op reis, drijf handel, vergaar kennis en word wijs. Degene die in staat zal zijn één van deze drie pakhuizen te vullen met de lading van zijn schip, die zal mijn opvolger zijn.

Na verloop van tijd kwam de oudste zoon terug met een schip vol graan. Hij liet het graan in het pakhuis storten, maar toen zijn schip leeg was, was het pakhuis nog niet helemaal vol.

De tweede zoon kwam terug met een lading wol. Toen alle wol in het pakhuis lag was de ruimte tot aan de nok toe vol. Opgetogen ging de zoon zijn vader halen, maar toen de vader bij het pakhuis aankwam, bleek de wol door zijn eigen gewicht een aantal meter te zijn gezakt.

De derde zoon bleef het langste weg en toen hij terugkwam lag er bijna niets in het schip, behalve een lampje en een kruik olie. Daarmee ging hij naar het pakhuis van zijn vader. Hij stak de lamp aan en de hele ruimte werd gevuld met licht….

door Hubertien Oostdijk

Bij het woord licht denk ik meteen aan het binnenbrengen van de Paaskaars in een donkere kerk, tijdens de Paaswake. Eén klein vlammetje licht, een vlammetje hoop en met het aansteken van onze wake kaarsjes aan dat ene vlammetje neemt het licht toe en hopelijk de hoop ook! Met de tekst daarbij: ‘licht, licht, alles is licht geworden’. En dan met onze wakekaarsjes aan, de kerk uit, zingend: ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen’, met vooral de regels ‘Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt’. Mooi!

Het was een sport van sommige gemeenteleden om hun wakekaarsje brandend mee naar huis te nemen om daar hun eigen huispaaskaars mee te kunnen ontsteken… maar het gebeurde nog wel eens dat de wind spelbreker was!

Juist in deze donkere vaak grijze dagen verlang je naar licht en ben je blij met iedere opklaring, met ieder zonnetje. Want het duurt in januari nog zo lang voordat je iets merkt van het lengen van de dagen. Licht, we kunnen niet zonder en we verlangen er in deze maand zo naar. En nu nog extra vanwege de lockdown, met al die dichte winkels, scholen en noem maar op. Ik hoop van harte dat we richting voorjaar, zomer ook werkelijk wat licht mogen ervaren, meer licht van buiten, vermindering van corona, toename van mensen die gevaccineerd zijn en versoepeling van de regels. Wat zal dat een vreugde, een lichtpunt zijn, teken van hoop.

Tot die tijd zullen we ervan moeten dromen en er in onze huizen van moeten zingen.

door Arjen Hiemstra

Deze week ben ik met mijn echtgenote een paar dagen op het Waddeneiland Vlieland. Het aardige van de wadden is dat het licht er altijd weer anders is. Soms is de zon fel, andere momenten is het gedempt door de wolken en alles er tussenin. En de kleuren verschuiven ook voortdurend. Het strand is grijs tot lichtbruin, de duinen zijn geel tot groen, in de kwelder is alles veel donkerder. En als de zon dan ook nog mooi ondergaat in de zee, komt er ook nog oranjerood bij van de zonsondergang.

Al dat licht verandert ook wel als ik in Arnhem ben, alleen valt het me dan niet zo op. De stad schreeuwt om aandacht door wat er gebeurt, door het verkeer dat raast, de mensen die mij aanspreken, het werk dat gedaan moet worden. Dat het licht zo verandert valt me pas op als ik het waddengebied bezoek. En dan verbaas ik mij erover. Elke keer weer: “Kijk: zoveel kleuren grijs daar in het water van de branding!”

En dan bedenk ik me weer: zo gaat het dus met ons mensen. We vergeten goed te kijken, we zien niet wat er is, in de waan van de dag zien we niet hoe elke dag het licht naar ons toekomt. We zijn zo druk met onze eigen dingen, dat we het licht waarin God ons toelacht, over het hoofd zien en opgaan in onze eigen drukte.

En na zo’n week weet ik het weer: ik moet beter opletten. En me verbazen. Over al dat goede licht, dat ondanks alles weer tot ons komt.

Groeten van Vlieland!

door Johannes Kon

‘Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt, waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt…’. Dit en andere liederen van Huub Oosterhuis hebben mij sedert 1979 erg geraakt. En dat doen ze nog steeds; zelfs op mijn laatste dag.

Ik noem dat jaartal, omdat toen in het vormingscentrum ’t Dackhues in Huissen de fundamenten werden gelegd voor de Basisgroep Arnhem.

Als co-founder naast Nelleke, Emmy en Maria Bouman –mijn latere schoonmoeder (ja, de weduwe van) -mocht ik de overgang naar pand ‘Parkstraat 35’ meemaken, de dociele lekengemeenschap van de Dominicaanse broederschap; werd uiteindelijk van hogerhand verboden.

Die Basisgroep Arnhem (1979 – 2001) vormde mijn entree in de Raad van Kerken Arnhem (we waren daar slechts “waarnemer”) en toch heb ik daar mijn ‘carrière’ mogen maken : secretaris, vice voorzitter, voorzitter.

Dus ja, ik ben schatplichtig aan het fenomeen oecumenische  Basisgroep toen (en nu – lid van de Basisgroep Baarn Soest).

Maar wel telkens het Licht zelf aan-  en uitdoen.

door Elsje Pot

De dagen gaan weer lengen en ik verheug me erop. Ik houd van licht, als het herfst wordt, moet ik altijd iets in mijzelf overwinnen om ’s avonds, als het al donker is, de deur uit te gaan. Een regenachtige, sombere dag heeft niet mijn voorkeur, het mag best koud zijn, als er maar wel een heldere hemel bij hoort met liefst ook zon. Inmiddels hebben we de kortste dag al een paar weken achter ons en elke keer als ik meen dat ook te kunnen zien, maakt mijn hart een sprongetje.

Mensen kunnen ook ‘licht’ zijn voor elkaar of de wereld. Vanuit Bijbels perspectief is dat zelfs een opdracht. Ik hoop dat er dit jaar weer veel mensen ‘licht’ kunnen zijn voor een ander. Misschien is het goed om mezelf eens wat vaker af te vragen: voor wie zou ik een lichtje kunnen zijn, ‘een kaarsje brandend in de nacht’, zo leerde ik dat in de eerste klas van de lagere school, we zongen het in de aanloop naar kerst met op onze tafeltjes een kaarsje in een zelfgemaakte kandelaar.

Je hebt als alles duister is, maar één klein vlammetje nodig om het donker minder donker te laten zijn, één lichtje kan die duisternis verdrijven. “Het licht schijnt in de en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.” (Johannes 1 vers 5 over Jezus). Zouden daarom na ongelukken of rampen spontaan kaarsjes gebrand worden, een collectief verlangen naar licht dat de duisternis overwint?

 

Al in voorchristelijke tijden werd deze periode van het jaar als bijzonder gezien. De langste nacht ligt inmiddels achter ons, de dagen worden geleidelijk aan weer wat langer. De zon is vanuit haar verste stand weer op weg naar ons toe.

De christelijke feesten van Kerstmis en Epifanie geven hieraan een geestelijke, spirituele betekenis: Christus is het licht dat schijnt in de duisternis, en dat licht schijnt overal!

Op een volkomen bewolkte en druiligere dag kost het vaak best moeite om je ogen open te houden en op zoek te gaan naar het licht!

En wat natuurlijk ook kan: zelf een licht aansteken, of licht zijn voor een ander!

We wensen u moed in donkere dagen!

 

Pierre Eijgenraam en Arjen Hiemstra, redactie

 

jpeijgenraam@kpnmail.nl

arjen.hiemstra@pgarnhem.nl

 

 

Monique Maan:

In de week dat deze berichten voor thuisblijvers verschijnen, ga je al een klein beetje zien dat het ‘s ochtends weer wat eerder lichter wordt en ‘s middags wat langer licht blijft. De eerste maand van de winter zit er nog niet op, maar de donkerste dagen zijn intussen toch voorbij. Het kan mij niet snel genoeg gaan, ik ben meer een mens van het voorjaar dan van de winter. Die eerste dagen waarop je de zonkracht weer voelt, ramen openzet en je jas niet meer tot bovenaan hoeft dicht te knopen…

In de Bijbel zijn de eerste woorden van God ‘Er moet licht komen’. En daarna is er licht en alles komt op gang. Er komt leven en toekomst, en God zag dat het goed was.

Ik lees die woorden niet als een eenmalig moment, maar als doorgaande beweging. Steeds opnieuw is er het wonder en de noodzaak van licht in de duisternis. Er zullen altijd situaties zijn waarin gezegd kan (of moet) worden: ‘Er moet licht komen’. Als ik denk aan de barre duisternis van de vluchtelingenkinderen op Lesbos, als ik denk aan de corona-tunnel waarin we ons nog steeds bevinden, en al die andere situaties waarin mensen geen hand voor ogen zien. Daar is licht zo gewenst en meer dan dat: zo nodig! Dat het verhaal van het begin ons dan mag inspireren om licht te maken en te licht te zijn. Lente wereldwijd.